ECLI:NL:TAHVD:2026:334 Hof van Discipline 's Gravenhage 260157

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:334
Datum uitspraak: 16-10-2026
Datum publicatie: 20-10-2026
Zaaknummer(s): 260157
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerster is de advocaat van de ex-partner van klager met wie hij in een familierechtelijke procedure is verwikkeld. De raad heeft alle in hoger beroep nog  aan de orde zijnde klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof is het eens met de beslissing van de raad voor zover die bij het hof voorligt. Verweerster mocht bij het overleggen van het toestemmingsformulier uitgaan van de juistheid van de informatie van haar cliënte. Daarnaast was het overleggen van het toestemmingsformulier en de foto van de zoon van partijen functioneel en had het een redelijk doel. In het algemeen en ook in dit geval is er geen reden om te oordelen dat het belang van het kind gedragsregel 27 opzij zou moeten zetten. Bekrachtiging raadsbeslissing. 


Beslissing van 16 oktober 2026
in de zaak 260157

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:


klager


tegen:


verweerster

gemachtigde: mr. R. Pershad

1    INLEIDING

1.1    Klager heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van zijn ex-partner met wie hij in een familierechtelijke procedure is verwikkeld. De klacht houdt – voor zover in hoger beroep nog van belang – in dat verweerster stukken in de procedure heeft ingebracht, terwijl dit hetzij misleidend, hetzij niet noodzakelijk was. Daarnaast verwijt klager verweerster dat zij heeft voorkomen dat de rechter kennis nam van schikkingsvoorstellen van haar kant die niet in het belang van het kind waren. De Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) heeft alle in hoger beroep nog  aan de orde zijnde klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof is het eens met de beslissing van de raad voor zover die bij het hof voorligt. Verweerster mocht bij het overleggen van het toestemmingsformulier uitgaan van de juistheid van de informatie van haar cliënte. Daarnaast was het overleggen van het toestemmingsformulier en de foto van de zoon van partijen functioneel en had het een redelijk doel. In het algemeen en ook in dit geval is er geen reden om te oordelen dat het belang van het kind gedragsregel 27 opzij zou moeten zetten. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager en verweerster in beroep zijn gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt. 


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-682/DH/RO) een beslissing gewezen op 20 april 2026. In deze beslissing is de klacht van klager gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2026:87 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 20 april 2026 ontvangen door de griffie van het hof. Het verweerschrift van verweerster waarmee zij zelfstandig beroep instelt tegen de beslissing van de raad is op 10 juni 2026 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4    Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad; 
 
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 21 augustus 2026. Daar zijn klager, verweerster en de gemachtigde van verweerster verschenen. Klager en de gemachtigde van verweerster hebben een nadere toelichting gegeven op hun standpunten aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 


3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de volgende feiten. 

3.2    Klager heeft samen met zijn ex-partner een zoon. Op 21 november 2023 is door de rechtbank Midden-Nederland een ouderschapsplan bekrachtigd, waaruit voor zover relevant volgt:

“Als een ouder op vakantie wil gaan met het kind in de periode dat het kind bij die ouder verblijft, hoeft die ouder geen toestemming te vragen aan de andere ouder. Wel dient de ouder de andere ouder op de hoogte te brengen. Zo nodig tekenen de ouders zonder tegenwerking het formulier "Toestemming voor reizen met een minderjarige naar het buitenland".”

3.3 Op 3 april 2024 heeft verweerster namens de ex-partner een ‘verweerschrift tevens houdend incidenteel appel’ ingediend bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. 
Daarin heeft zij opgemerkt dat klager met de zoon in 2023 naar Dubai is afgereisd en daar in een van de duurste hotels verbleef van € 1.000,- per nacht, zodat klagers standpunt over zijn financiële situatie niet strookt met zijn uitgavepatroon. Verweerster heeft daarbij verwezen naar een toestemmingsformulier voor een vakantie van 29 juli 2023 tot en met 6 augustus 2023, dat op 17 juli 2023 door klager aan de ex-partner is verzonden, die het op 20 juli 2023 met pen heeft ingevuld. Op het formulier zijn de gegevens van de zoon, van klager en de verblijfsplaats (de Burj al Arab) digitaal (en dus niet met pen) genoteerd. Het toestemmingsformulier is niet ondertekend door klager.
Ook heeft verweerster daarbij benoemd dat klager in de kerstvakantie van 2023 met vakantie is gegaan naar Turkije. Daarbij verwijst zij naar een foto van de zoon die zij als bijlage heeft ingebracht, waarop een polsbandje van het betreffende hotel te zien zou zijn.

3.4  Op 24 december 2024 heeft verweerster per e-mail een voorstel gedaan aan klagers advocaat. Dit voorstel is door klagers advocaat afgewezen. Klagers advocaat heeft de betreffende e-mail vervolgens ingediend in de procedure bij het gerechtshof en verzocht deze in de beoordeling te betrekken. Verweerster heeft daarop verzocht om de productie in te trekken, omdat deze schikkingsonderhandelingen betreft en daarom niet in het geding had mogen worden gebracht, hetgeen de advocaat van klager ook heeft gedaan.

3.5  Op 10 februari 2025 heeft klager de ex-partner geïnformeerd over zijn voornemen voor een buitenlandse reis met de zoon van 24 februari 2025 tot en met 2 maart 2025.

3.6  Op 11 februari 2025 heeft verweerster klagers advocaat verzocht om klager erop te wijzen dat het verplicht is om een volledig ingevuld toestemmingsformulier te overhandigen aan de ex-partner voordat hij met de zoon op vakantie kan gaan naar het buitenland. Daarbij heeft zij opgemerkt dat klager al eerder op vakantie is gegaan zonder een toestemmingsformulier, dat de ex-partner niet voornemens is om de vakantie te weigeren maar dat klager zich wel dient te realiseren dat hij zich aan zijn informatieplicht moet houden (“Op deze wijze kan zij niet akkoord geven voor de vakantie (hetgeen wel haar intentie is)”). Diezelfde dag heeft klagers advocaat aan klager geadviseerd om, indien hetgeen verweerster stelde juist is, een ondertekend toestemmingsformulier aan hem of rechtstreeks aan de ex-partner te versturen.

3.7 Op 14 april 2025 heeft klager de ex-partner geïnformeerd over zijn voornemen voor een buitenlandse reis met de zoon van 5 mei tot en met 11 mei 2025. Daarbij heeft klager opgemerkt dat hij geen toestemmingsformulieren meer zal verstrekken onder verwijzing naar het door de rechtbank bekrachtigde ouderschapsplan. 

3.8  Op 22 april 2025 heeft verweerster aan klagers advocaat geschreven dat klager weigert een ingevuld toestemmingsformulier te overhandigen aan de ex-partner en dat de ex-partner op deze wijze geen akkoord kan geven voor de vakantie, hetgeen wel haar intentie is. Ook heeft zij daarbij opgemerkt:
     
“Uw cliënt stelt zich op het standpunt dat hij geen toestemmingsformulieren meer zal overhandigen en dat dit conform het ouderschapsplan is. Dit is pertinent onjuist. Een gezaghebbende ouder dient altijd een ondertekend toestemmingsformulier, inclusief een kopie van het paspoort van de andere gezaghebbende ouder mee te brengen op een reis naar een buitenland. Ik ga ervan uit dat u uw cliënte hierop wijst en een volledig ingevuld     toestemmingsformulier overhandigd zodat deze ondertekend kan worden door cliënte.”


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van toepassing, voor zover van belang in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. 

4.2    Klager verwijt verweerster het volgende:

a)  Verweerster zet klager onder druk om af te wijken van het bekrachtigde ouderschapsplan door hem te verplichten een toestemmingsformulier aan te leveren en te stellen dat klagers handelen pertinent onjuist is. Daarmee verkondigt zij doelbewust onjuistheden en handelt zij misleidend;

b)  Verweerster heeft als bijlage bij het verweerschrift van 3 april 2024 een toestemmingsformulier bijgevoegd, dat uitsluitend door de ex-partner is ondertekend en daarmee niet rechtsgeldig is, om de indruk te wekken dat klager in een zeer luxe en duur hotel verbleef met als doel om de rechter te misleiden over klagers financiële situatie. Verweerster heeft hiermee misbruik gemaakt van processtukken en de rechtsgang verstoord, maar ook klagers reputatie geschaad en hem in gevaar gebracht door hem neer te zetten als extreem vermogend;

c)  Verweerster heeft als bijlage bij het verweerschrift van 3 april 2024 zonder noodzaak en zonder toestemming van klager als medegezaghebbende ouder (aanvulling hof:) een foto van de zoon overgelegd. Verweerster heeft hiermee in strijd gehandeld met haar zorgplicht voor minderjarigen, de gedragsregels 10 lid 1 en 30 lid 2 en de privacywetgeving;

d)  Verweerster heeft willen verhinderen dat de rechtbank kennisnam van haar voorstel dat de grenzen van een aanvaardbare procesvoering overschrijdt, door klagers advocaat te verzoeken om de productie met daarin de e-mail van 24 december 2024 in te trekken.

5    ONTVANKELIJKHEID EN OMVANG HOGER BEROEP

5.1    De raad in de beslissing van 20 april 2026 klachtonderdeel a) gedeeltelijk gegrond verklaard en een maatregel opgelegd. De klachtonderdelen b), c) en d) heeft de raad ongegrond verklaard. 

5.2    Klager komt alleen in hoger beroep tegen de beslissing van de raad voor zover daarin de klachtonderdelen b), c) en d) ongegrond zijn verklaard. 

5.3    Verweerster heeft in haar verweerschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 10 juni 2026, opgenomen dat zij zelfstandig hoger beroep instelt tegen de beslissing van de raad voor zover de raad daarin heeft geoordeeld dat klachtonderdeel a) gegrond is. Beroepsgronden moeten echter binnen 30 dagen na verzending van de beslissing door de raad zijn ontvangen (art. 56 Advw). De beroepsgrond van verweerster is na afloop van de appeltermijn (die eindigde op 20 mei 2026) binnengekomen. De Advocatenwet kent niet de mogelijkheid van incidenteel hoger beroep. Het beroep van verweerster is daarom niet-ontvankelijk. De voorzitter heeft dit ook reeds op de mondelinge behandeling aan verweerster medegedeeld. Verweerster heeft hierop aangegeven dat zij daarin berust. 

5.4    Gelet op het voorgaande ligt alleen het beroep van klager tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b), c) en d) ter beoordeling in hoger beroep voor. 

6    BEOORDELING RAAD

6.1    De raad heeft – na uiteenzetting van het toetsingskader – het volgende geoordeeld over de klachtonderdelen b), c) en d). 

Klachtonderdeel b)

6.2    Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad geoordeeld dat niet gebleken is dat verweerster tuchrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door een toestemmingsformulier voor een reis naar Dubai als bijlage bij haar processtuk van 3 april 2024 te voegen. Volgens de raad heeft verweerster mogen uitgaan van de juistheid van de informatie die zij van haar cliënte kreeg, namelijk dat het toestemmingsformulier afkomstig was van klager en door hem reeds deels digitaal was ingevuld (waaronder de gegevens van het hotel in Dubai). Verweerster heeft bovendien een e-mail van 17 juli 2023 ingebracht van klager aan haar cliënte met als bijlage dit reeds door hem ingevulde formulier. In deze mail verzoekt klager de cliënte van verweerster om haar gedeelte van het bijgevoegde formulier in te vullen. Als de op het formulier vermelde verblijfslocatie inderdaad onjuist was, dan kan dit verweerster dus niet worden aangerekend, aldus de raad. Dat het formulier niet ook door klager was ondertekend, maakt volgens de raad – mede gelet op het voorgaande – niet dat verweerster het formulier niet heeft mogen inbrengen in de procedure. De raad heeft klachtonderdeel b) ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel c)

6.3    De raad heeft klachtonderdeel c) eveneens ongegrond verklaard. Volgens de raad stond het verweerster, binnen de aan haar toekomende vrijheid, vrij om een foto van het kind in te brengen, waarop een polsbandje van een Turks hotel te zien zou zijn, om te onderbouwen dat klager met het kind naar Turkije zou zijn gegaan tijdens de kerstvakantie. De raad heeft daarbij betrokken dat de foto slechts is ingebracht in een gerechtelijke procedure, zodat de kring van personen die daarvan kennisnemen (zeer) beperkt is, en dat het gezicht van het kind niet te zien is. Volgens de raad is er (tuchtrechtelijk gezien) geen regel die meebrengt dat verweerster daarvoor eerst toestemming had moeten hebben van klager als medegezaghebbende ouder.

Klachtonderdeel d)

6.4    De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel d) geoordeeld dat het verweerster eveneens vrij stond om - ter behartiging van de belangen van haar cliënte - klagers advocaat te wijzen op gedragsregel 27, die inhoudt dat niets over schikkingsonderhandelingen mag worden gedeeld met een rechter zonder toestemming van de wederpartij. Verweerster heeft daarmee volgens de raad  niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De raad heeft klachtonderdeel d) eveneens ongegrond verklaard. 

Maatregel

6.5    Omdat klachtonderdeel a) door de raad wel gegrond is verklaard, heeft de raad aan verweerster een maatregel (waarschuwing) opgelegd.


7    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

7.1    Klager heeft alvorens in te gaan op de klachtonderdelen b), c) en d) de raad in het algemeen verweten de klachten te hebben beoordeeld vanuit algemene uitgangspunten (zoals dat een advocaat mag uitgaan van informatie van haar cliënt, dat stukken in een procedure mogen worden gebruikt en dat schikkingsonderhandelingen vertrouwelijk zijn) en dat daardoor de feitelijke kern van de klachten niet is getoetst. Het hof begrijpt dat klager de raad met name verwijt hiermee onderliggende kernvragen niet te hebben beantwoord, die nader worden toegelicht bij de verschillende klachtonderdelen. Uit de toelichting van klager op de mondelinge behandeling leidt het hof daarnaast af dat klager van oordeel is dat zijn belangen als gezaghebbende ouder en de belangen van zijn zoon eveneens onvoldoende door de raad zijn meegewogen. 

7.2     Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft klager aangevoerd dat sprake is van een interne tegenstrijdigheid in het dossier. Het formulier moest volgens de e-mail nog ingevuld worden, terwijl er bij dezelfde productie al een volledig ingevuld en ondertekend formulier zat. Op dit punt was nader onderzoek noodzakelijk geweest. Ter zitting bij het hof heeft klager nader toegelicht dat het toestemmingsformulier geheel niet van hem afkomstig was. Ook de begeleidende e-mail is niet van hem. Klager vermoedt dat de e-mail en het formulier zijn opgesteld door zijn ex-partner om het beeld van hem te schetsen dat hij met zijn zoon in de duurste hotels heeft verbleven met als doel de rechter te misleiden over zijn financiële situatie. Het hof begrijpt dat klager verweerster verwijt dat zij dit toestemmingsformulier met de begeleidende e-mail niet zonder nader onderzoek had mogen inbrengen in de procedure.

7.3    Met betrekking tot klachtonderdeel c) heeft klager aangevoerd dat de raad niet heeft beoordeeld of het inbrengen van de foto in de procedure wel noodzakelijk en proportioneel was. Het hof begrijpt dat klager van mening is dat het inbrengen van de foto in de procedure niet noodzakelijk was, de foto zelf ook geen duidelijk bewijs levert, en dat er minder ingrijpende middelen beschikbaar waren, zodat verweerster hier in het belang van de zoon van had moeten afzien. 

7.4    Klager heeft tot slot met betrekking tot klachtonderdeel d) aangevoerd dat de raad door te oordelen dat schikkingsonderhandelingen vertrouwelijk zijn, niet is toegekomen aan het standpunt van klager dat het schikkingsvoorstel inhoudelijk niet zuiver was, omdat – naar het hof begrijpt – verweerster niet op die manier over de zoon van klager had mogen onderhandelen. Ter zitting bij het hof heeft klager nader toegelicht dat het belang van het kind hier zou moeten prevaleren en het handelen van verweerster hier wel zou moeten worden beoordeeld. 

Verweer verweerster 

7.5     Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.


8    BEOORDELING HOF

Maatstaf

8.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

8.2    Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

8.3    In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve maatstaven als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen:
–           het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
–           het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
–           het verloop van het geschil tot dan toe,
–           en de kans op succes van een procedure.
Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaf.

Overwegingen hof

- Klachtonderdeel b): overleggen toestemmingsformulier

8.4    Klager verwijt verweerster dat zij als bijlage bij het verweerschrift van 3 april 2024 een toestemmingsformulier heeft gevoegd, dat uitsluitend door zijn ex-partner is ondertekend en daarmee niet rechtsgeldig is, om de indruk te wekken dat klager in een zeer luxe en duur hotel in Dubai verbleef met als doel de rechter te misleiden over klagers financiële situatie. Klager heeft in hoger beroep aanvullend aangevoerd dat hij het (gedeeltelijk ingevulde) toestemmingsformulier en de begeleidende e-mail (die pas in het kader van de tuchtrechtprocedure is ingebracht) nooit aan zijn ex-partner heeft verzonden en dat hij het vermoeden heeft dat deze door zijn ex-partner zijn opgesteld. 

8.5    Het hof is met de raad van oordeel dat verweerster heeft mogen afgaan op de juistheid van de informatie die zij van haar cliënte kreeg, namelijk dat het toestemmingsformulier (en de begeleidende e-mail) afkomstig was van klager, waarbij het toestemminsformulier reeds deels digitaal door hem was ingevuld (waaronder de gegevens van het hotel in Dubai). Verweerster heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat zij geen reden had om aan de echtheid van de door haar cliënte aangevoerde stukken te twijfelen. Verweerster herkende de e-mailadressen van klager en van haar cliënte en heeft er met haar cliënte over gesproken. Bij gebrek aan enige contra-indicatie, kan niet worden aangenomen dat verweerster hier een verdergaande onderzoeksplicht had. Het inbrengen van het toestemmingsformulier was tegen de achtergrond van de grieven van de man ook functioneel en had een redelijk doel. Het hof is met de raad van oordeel dat verweerster op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) is ongegrond. 

Klachtonderdeel c): inbrengen foto van zoon

8.6      Met betrekking tot het inbrengen van de foto van de zoon waarop een polsbandje van een Turks hotel is te zien, is het hof anders dan klager van oordeel dat er geen sprake is van een ingrijpend middel waar verweerster in het belang van de zoon van af had moeten zien. Gelet op het onderwerp van de procedure was het overleggen van foto proportioneel en had het een redelijk doel, namelijk om te onderbouwen dat klager met zijn zoon naar Turkije zou zijn gegaan tijdens de kerstvakantie. Het hof acht hierbij evenals de raad van belang dat de foto slechts is ingebracht in een gerechtelijke procedure, waarbij de kring van personen die er kennis van nemen zeer beperkt is en dat het gezicht van de zoon niet te zien is op de foto. Ook hier komt het hof tot het oordeel dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster. Klachtonderdeel c) faalt eveneens. 

Klachtonderdeel d): verhinderen kennisnemen rechtbank van inhoud schikkingsonderhandelingen
  
8.7     Met klachtonderdeel d) verwijt klager verweerster dat zij heeft willen verhinderen dat de rechtbank kennisnam van haar voorstel dat de grenzen van een aanvaardbare procesvoering overschrijdt, door klagers advocaat te verzoeken om de productie met daarin de e-mail van 24 december 2024 in te trekken. Tegen de achtergrond van deze klachtomschrijving heeft de raad terecht geoordeeld dat het verweerster ter behartiging van de belangen van haar cliënte vrij stond om klagers advocaat te wijzen op gedragsregel 27, die inhoudt dat niets over schikkingsonderhandelingen mag worden gedeeld met een rechter zonder toestemming van de wederpartij. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft klager erkend dat deze gedragsregel bestaat en dat hij deze ook begrijpt. 
8.8    Voorzover klager heeft aangevoerd dat deze gedragsregel in het belang van het kind opzij zou moeten worden gezet, indien er in de schikkingsonderhandelingen voorstellen worden gedaan die niet in het belang van het kind zijn, volgt het hof hem hier niet in zijn betoog. Dat het belang van het kind gedragsregel 27 in zijn algemeenheid of in dit specifieke geval opzij zou moeten zetten, is onjuist en door klager ook onvoldoende onderbouwd. 

Slotsom

8.9    Het hof verwerpt het hoger beroep van klager en verklaart het hoger beroep van verweerster niet-ontvankelijk. Het hof zal de beslissing van de raad, voor zover deze aan hem voorligt, bekrachtigen.
 

9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    verklaart het hoger beroep van verweerster niet-ontvankelijk;

9.2    bekrachtigt de beslissing van 20 april 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 25-682/DH/RO, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen. 

Deze beslissing is genomen door J.D. Streefkerk, voorzitter, en mrs. R. van der Hoeven en P.J.G. van den Boom, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026. 

griffier    voorzitter       

De beslissing is verzonden op 16 oktober 2026.