Zoekresultaten 21621-21640 van de 48158 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:125 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.406

    Patiënte heeft de huisarts vanaf 2012 veelvuldig bezocht met psychische klachten en maagklachten. In mei 2016 is bij patiënte de diagnose gemetastaseerd ovarium carcinoom gesteld. Op 9 juni 2016 is patiënte overleden. Klaagster verwijt de huisarts, voor zover in beroep van belang, dat hij een te afwachtende houding heeft aangenomen, een verkeerde of te late diagnose heeft gesteld en dat hij patiënte onvoldoende snel heeft doorverwezen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts niet nalatig is geweest in de zorg die hij aan patiënte behoorde te verlenen. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:69 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 17-871/DB/ZWB

    Verweerster heeft de grenzen van de aan haar, in haar hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid overschreden door de geheimhoudingsclausule uit de mediationovereenkomst waaraan haar cliënte jegens klager was gebonden te schenden. Gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:138 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.467

    Klacht tegen huisarts. Klager is zeven jaar lang patiënt geweest in de praktijk van verweerder (huisarts). Op enig moment heeft een arts van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verweerder benaderd met (medisch specialistische) vragen over klager in verband met zijn aanvraag bij het CIZ om huishoudelijke hulp. Verweerder heeft bij brief de vragen van het CIZ beantwoord en het CIZ geadviseerd de aanvraag van klager af te wijzen. Klager verwijt verweerder dat hij: 1) destijds onjuiste en grievende uitlatingen over klager heeft gedaan richting derden in reactie op een verzoek om informatie van en instantie inzake een aanvraag van klager om huishoudelijke ondersteuning. Door deze valse beschuldigingen en smadelijke uitlatingen is klager aangetast is zijn persoonlijke levenssfeer en integriteit. Door de conclusies van verweerder in zijn brief aan het CIZ zijn voorzieningen en faciliteiten op grond van sociale- en zekerheidswetgeving voor klager gefrustreerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van klager hier nog aan toegevoegd dat verweerder destijds bovendien had moeten weten dat zijn conclusie omtrent klager onjuist waren, nu drs. G. en prof. H. in hun rapportages heel anders over de gezondheidstoestand van klager verklaarden. Klager meent bovendien dat hem ten onrechte niet de kans is geboden zijn blokkeringsrecht uit te oefenen; en 2) hij opzettelijk door hem geschreven (smadelijke) documenten uit het medisch dossier van klager heeft verwijderd. Ter zitting heeft de gemachtigde van klager toegelicht dat klager met zijn verwijt doelt op de brieven die verweerder destijds aan het CIZ heeft geschreven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klachtonderdeel 1 (deels) gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel en klachtonderdeel 2 ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:119 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.217

    De man die de dochter van klaagster heeft erkend, heeft bij de bedrijven, waarvan de zoon van de huisarts eigenaar is, een DNA-vaderschapstest gekocht en laten uitvoeren. De huisarts is als medisch adviseur aan die bedrijven verbonden. Klaagster verwijt de huisarts dat hij in het kader van de DNA-vaderschapstest op alle fronten in gebreke is gebleven. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het handelen van de huisarts niet kan worden getoetst aan de in artikel 47 lid 1 WET BIG vastgelegde tuchtnormen. Tussen de huisarts en klaagster was geen sprake van een directe zorgrelatie en het handelen van de arts heeft niet het belang van een goede uitoefening de individuele gezondheidszorg geraakt. De beslissing, waarvan beroep, wordt vernietigd en klaagster wordt alsnog in haar klacht niet-ontvankelijk verklaard.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:53 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17211a

    Verwijt aan huisarts (justitieel geneeskundige) dat hij klager voor zijn slaapproblemen wegens een vergrote huig niet heeft doorverwezen naar een KNO-arts. Bij verdenking op OSAS kan verwezen worden naar een longarts of een KNO arts. Gezien de bij klager aanwezige astma heeft verweerder de voorkeur gegeven aan de longarts. Verweerder heeft zorgvuldig en adequaat gehandeld en klager naar de juiste specialist verwezen. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:132 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.366

    Klaagster is langdurig arbeidsongeschikt geraakt en heeft in dat kader verweerder, bedrijfsarts, op het arbeidsomstandighedenspreekuur bezocht, waarna verschillende spreekuren hebben plaatsgevonden met verweerder en twee collega’s van verweerder in het kader van verzuimbegeleiding. Na een mislukte re-integratiepoging is klaagster volledig ziek gemeld en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Klaagster heeft 15 klachtonderdelen geformuleerd en verwijt verweerder samengevat dat hij 1) niet zorgvuldig heeft gehandeld jegens klaagster, 2) niet zorgvuldig is omgegaan met het beroepsgeheim, 3) in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, en 4) niet onafhankelijk heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Klaagster heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:126 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.420

    Klacht van TBS-kliniek tegen gz-psycholoog. Gz-psycholoog werkzaam in TBS-kliniek is zes maanden na de formele beëindiging van de behandelrelatie een (persoonlijke en nadien seksuele) niet-professionele relatie aangegaan met een ex-patiënt. De tbs-kliniek verwijt de gz-psycholoog dat zij 1) tijdens de behandelrelatie met een (ex-) patiënt de grenzen heeft doen vervagen tussen professioneel en niet-professioneel handelen en 2) na het beëindigen van de behandelrelatie geen melding heeft gedaan van haar contacten met de (ex-)patiënt en aan deze contacten een vervolg heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster in het eerste klachtonderdeel niet ontvankelijk verklaard omdat de gz-psycholoog toen nog geen BIG-registratie had en heeft het tweede klachtonderdeel gegrond verklaard en de gz-psycholoog daarvoor berispt. De gz-psycholoog is in beroep gekomen van het tweede klachtonderdeel. Het Centraal Tuchtcollege heeft de zorgvuldigheidseisen geformuleerd voor het aangaan van een niet-professionele relatie na beëindiging van de professionele relatie. Voorts is geoordeeld dat de gz-psycholoog niet aan deze vereisten heeft voldaan en dus onzorgvuldig heeft gehandeld. Gelet op de ernst van dit verwijt en met inachtneming van diverse omstandigheden is aan de gz-psycholoog de lichtere maatregel van waarschuwing opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:139 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.471

    Klager heeft de Amerikaanse nationaliteit en verbleef in Nederland waar hij in zijn hotelkamer is gezien door de arts, huisarts, in verband met pijnklachten aan zijn linkerbeen. De arts heeft klager Prednisolon, Oxycodon en een maagbeschermer voorgeschreven. Klager verwijt de arts dat hij 1) klager tijdens het consult onvoldoende (lichamelijk) heeft onderzocht, 2) Prednisolon heeft voorgeschreven, klager niet heeft gewaarschuwd voor de bijwerkingen en risico’s van deze medicatie en geen afbouwschema heeft gehanteerd met betrekking tot deze medicatie, 3) onvoldoende aantekeningen van het consult heeft gemaakt, en 4) onvoldoende nazorg heeft verleend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht deels gegrond verklaard en aan de arts te dier zake de maatregel van berisping opgelegd. De arts heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing, waarna klager incidenteel beroep heeft ingesteld. Het Centraal Tuchtcollege verklaart één van de klachtonderdelen alsnog ongegrond en vernietigd de uitspraak in eerste aanleg in zoverre. Voor het overige wordt het principaal beroep verworpen, met instandhouding van de maatregel van berisping. Het incidenteel beroep wordt eveneens verworpen.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:54 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 1816

    Tandarts. Mond- kaak- en aangezichtschirurg. Klacht: 1) onzorgvuldig gehandeld door afbreken naald niet te merken, 2) fouten niet durven toe te geven en 3) klager aan het lijntje gehouden met onderzoek naaldpunt. College: ongegrond. Tandheelkundige wegwerpnaalden zijn zeer buigbaar. Als naald afbreekt, treedt breuk op bij overgang mantel-naald. Daarnaast is uit onderzoek van de naaldpunt gebleken dat deze niet afkomstig is van naald uit kliniek verweerder. Noch komen vast te staan, noch aannemelijk geworden dat naaldpunt die op de SEH uit de kaak klager is verwijderd, is afgebroken tijdens behandeling door verweerder.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:70 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 17-1038 DB/ZWB/D

    Gehandeld in strijd met H4 Voda door te weinig opleidingspunten te behalen en in strijd met gedragsregel 1 door met de deken gemaakte afspraken over inhalen tekort niet na te komen. Dekenbezwaar gegrond. Waarschuwing. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:120 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.238

    Regionaal Tuchtcollege heeft klachten tegen gz-psycholoog gegrond verklaard over een tekort schietende zorgverlening en het ontbreken van een behandelplan c.q. therapieplan. Overige klachten zijn ongegrond verklaard. Aan de gz-psycholoog is een waarschuwing opgelegd. Klager komt in beroep tegen de ongegrondverklaring van zijn overige klachten: het ondanks verzoek van klager niet (voldoende) aanpassen van de rapportage, het medisch dossier en de ontslagbrief, het onnodig en voortijdig stoppen van de cognitieve gedragstherapie, het niet serieus nemen van de klachten en depressiviteit en het niet willen stellen van een deugdelijke diagnose. De gz-psycholoog gaat eveneens in beroep. Hij vindt dat hij niet tuchtrechtelijk onjuist heeft gehandeld en hem ten onrechte een waarschuwing is opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt zowel het principaal als het incidenteel beroep en bekrachtigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege met verbetering van de motivering oplegging maatregel: op onderdelen had de gz-psycholoog betere zorg kunnen en moeten bieden. Er is sprake geweest van onvoldoende regievoering vanuit zijn verantwoordelijkheid als hoofdbehandelaar. Nu de gz-psycholoog lering heeft getrokken uit het voorgevallene en er op zich sprake is geweest van goede bedoelingen, kan volstaan worden met een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:133 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.367

    Klaagster is langdurig arbeidsongeschikt geraakt en heeft in dat kader bedrijfsarts A op het arbeidsomstandighedenspreekuur bezocht, waarna verschillende spreekuren in het kader van verzuimbegeleiding hebben plaatsgevonden met bedrijfsarts A, verweerster, tevens bedrijfsarts, en bedrijfsarts C. Na een mislukte re-integratiepoging is klaagster volledig ziek gemeld en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Verweerster heeft op enig moment een mail ontvangen van degene die klaagster bij haar herstel begeleidde, waarna verweerster de begeleiding van klaagster aan een college heeft overgedragen. Klaagster verwijt verweerster dat zij 1) klaagster valselijk heeft beschuldigd van het niet hebben in vertrouwen van haar, en 2) de behandelingsovereenkomst ten onrechte heeft opgezegd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Klaagster heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:127 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.201

    Klacht tegen gynaecoloog. Klaagster heeft een keizersnede ondergaan, die door de gynaecoloog is uitgevoerd. Ondanks het meerdere malen ophogen van de verdoving is de operatie door klaagster als (zeer) pijnlijk ervaren. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij met de keizersnede is begonnen en doorgegaan ondanks dat klaagster zowel voorafgaand bij de pincetproef als tijdens de ingreep duidelijk heeft aangegeven dat zij pijn had. Verder verwijt klaagster de gynaecoloog dat hij na aanvankelijk te hebben toegegeven dat klaagster veel pijn had gehad dit later heeft teruggedraaid, althans heeft genuanceerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht beide klachten gegrond en legt de maatregel van waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege overweegt onder meer dat de gynaecoloog kon en mocht vertrouwen op de inschatting van de anesthesioloog dat klaagster voldoende was verdoofd. Niet is komen vast te staan dat de gynaecoloog tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2018:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 17173

    Tandarts. Klacht: 1) onvakkundig gehandeld bij plaatsen implantaat, 2) niet gewezen op mogelijkheden en beperkingen, 3) op geld uit zijn, 4) arrogant en niet toetsbaar opgesteld en 5) na zestien maanden rekening gestuurd. College: ongegrond. Niet onvakkundig gehandeld. Implantaat niet per definitie incorrect geplaatst; wel vraagtekens bij positie. Tandarts aantoonbaar ervaring met plaatsen BICON-implantaten. 2) Uit patiëntenkaart blijkt dat opties zijn besproken. 3) en 4) niet onderbouwd. 5) behandeling heeft plaatsgevonden, dus tandarts mag declareren.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:140 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.475

    De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:121 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.265

    Klacht tegen tandarts. Klaagster heeft sinds 2007 een volledige gebitsprothese in de onderkaak met als extra retentie twee implantaten met drukknoppen. In de bovenkaak was sprake van een conventionele, niet met implantaten ondersteunde prothese. Klaagster had in het bijzonder erg veel last van de zeer loszittende prothese in de bovenkaak. Zij is behandeld door de aangeklaagde tandarts en de eveneens aangeklaagde kaakchirurg. De klacht houdt in dat: 1. zij pas in de klachtenprocedure van het ziekenhuis ervan op de hoogte is gesteld dat er voor de geplaatste implantaten geen voorzieningen zouden bestaan; 2. de tandarts, medisch gezien, volstrekt onnodig en tegen de wil van klaagster in, een steg heeft willen plaatsen in de onderkaak en later zelfs nog twee in de bovenkaak van klaagster; 3. de tandarts niet/misleidende/onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot de diagnose, de behandelingen en het resultaat; 4. de tandarts concrete vragen van klaagster ontwijkend heeft beantwoord; 5. de tandarts niet op de hoogte was van de gangbare systemen; 6. de tandarts heeft “geragd” door mond en tijd; 7. de tandarts een leugenachtig verweer heeft gevoerd in de klachten procedure; 8. er sprake is van fraude met het door de tandarts aangeleverde verpakkingsmateriaal van de implantaten; 9. de tandarts klaagster tussen de behandelingen door heeft gevraagd zich te legitimeren; 10. de tandarts klaagster een blanco formulier heeft laten ondertekenen; 11. op 1 februari 2016 uitsluitend puntsgewijs de oorspronkelijke klacht is besproken. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht in alle onderdelen als kennelijk ongegrond af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:134 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.368

    Klaagster is langdurig arbeidsongeschikt geraakt en heeft in dat kader bedrijfsarts A op het arbeidsomstandighedenspreekuur bezocht, waarna verschillende spreekuren in het kader van verzuimbegeleiding hebben plaatsgevonden met bedrijfsarts A, bedrijfsarts B en verweerder, tevens bedrijfsarts. Na een mislukte re-integratiepoging is klaagster volledig ziek gemeld en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Klaagster heeft 15 klachtonderdelen geformuleerd en verwijt verweerder samengevat dat hij 1) niet zorgvuldig heeft gehandeld jegens klaagster, 2) niet zorgvuldig is omgegaan met het beroepsgeheim, 3) in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, en 4) niet onafhankelijk heeft gehandeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Klaagster heeft beroep ingesteld tegen die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:128 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.202

    Klacht tegen anesthesioloog. Klaagster heeft een keizersnede ondergaan, die door de dienstdoende gynaecoloog in het ziekenhuis, waar ook de anesthesioloog werkzaam is, is uitgevoerd. Ondanks het meerdere malen ophogen van de verdoving is de operatie door klaagster als (zeer) pijnlijk ervaren. Klaagster verwijt de anesthesioloog dat hij met de keizersnede is begonnen en doorgegaan ondanks dat klaagster zowel voorafgaand bij de pincetproef als tijdens de ingreep duidelijk heeft aangegeven dat zij pijn had. Verder verwijt klaagster de anesthesioloog dat hij niet heeft zorggedragen voor adequate pijnbestrijding bijvoorbeeld in de vorm van algehele anesthesie. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klachten gegrond en legt de maatregel van berisping op. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt de beslissing in eerste aanleg.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:122 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.266

    Klacht tegen kaakchirurg. Klaagster heeft sinds 2007 een volledige gebitsprothese in de onderkaak met als extra retentie twee implantaten met drukknoppen. In de bovenkaak was sprake van een conventionele, niet met implantaten ondersteunde prothese. Klaagster had last van een loszittende prothese in de bovenkaak. Zij is behandeld door een (eveneens aangeklaagde) tandarts en de kaakchirurg. De klacht houdt in dat: 1. klaagster pas in de klachtenprocedure van het ziekenhuis ervan op de hoogte is gesteld dat er voor de geplaatste implantaten geen voorzieningen zouden bestaan; 2.klaagster er vanuit is gegaan dat een bekwaam chirurg (en sympathiek mens) weet waar hij aan begint en dat het voor haar volstrekt logisch was dat indien de kaakchirurg ook maar enigszins had getwijfeld over een succesvolle uitkomst hij er niet aan was begonnen; 3. klaagster in shock verkeert over de mondelinge uitspraken van de kaakchirurg tijdens de hoorzitting: de tegenstrijdigheden daarvan zijn absoluut niet medisch schriftelijk onderbouwd en evenmin terug te vinden via aantekeningen in het medisch dossier; 4. er geen discussie heeft plaatsgevonden over botaugmentatie en er nimmer is gesproken over maten; 5. de vrijlegging van de implantaten drie maanden na plaatsing heeft plaatsgevonden en niet na vier maanden zoals in het uittreksel van het medisch dossier is vermeld; 6. de kaakchirurg geen schriftelijke verklaringen aan de klachtencommissie heeft geleverd; 7. de kaakchirurg geen antwoord heeft gegeven op dringende medische vragen; 8. het plaatsen van drukknoppen niet meer mogelijk is en een klikgebit geen optie meer is. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht in alle onderdelen als kennelijk ongegrond af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:135 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.372

    De klacht houdt in dat verweerder, bedrijfsarts, onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klaagster door tijdens haar arbeidsongeschiktheidsperiode haar op basis van een verkeerde voorstelling van zaken gedurende langere tijd te hebben begeleid zonder daadwerkelijk een passende bijdrage te hebben geleverd aan haar herstel. Klaagster stelt dat er aan de kant van verweerder sprake is van niet integer handelen, een gebrek aan vakmanschap, gebrek aan transparantie en inlevingsvermogen, inflexibel handelen, een passieve houding etc. Het Regionaal Tuchtcollege heeft als volgt beslist: k laagster heeft op 30 juli 2015 een klacht bij het RTG ingediend. Bij beslissing van 12 januari 2016 heeft het College de klacht ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld en heeft ter zitting haar klacht tegen verweerder ingetrokken, waarna de behandeling van de klacht is gestaakt. Naar het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege had klaagster de onderhavige klacht gelijktijdig met de door haar op 30 juli 2015 ingediende klacht tegen verweerder kunnen indienen. Gelet op het beginsel van concentratie van klachten is klaagster niet-ontvankelijk in de klacht. Het CTG acht klaagster, zij het op andere gronden, eveneens niet-ontvankelijk in haar klacht en verwerpt het beroep.