Zoekresultaten 9691-9700 van de 48358 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:201 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1331

    Klacht tegen gz-psycholoog. Klager was enige tijd bewindvoerder van een bij de gz‑psycholoog onder behandeling zijnde vrouw. Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij in het medisch dossier een aantal zeer tendentieuze en negatieve opmerkingen over klager heeft opgenomen. Hiermee heeft zij volgens klager gehandeld in strijd met de Beroepscode voor psychologen 2015. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht gegrond en legt aan de gz‑psycholoog een berisping op. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is en dus niet klachtgerechtigd is. Klager wordt alsnog in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:214 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1231

    Klacht tegen een mdl-arts. Klager is gedurende ruim anderhalf jaar onder behandeling geweest bij de mdl-arts in verband met een colitis ulcerosa. Hij werd hiervoor behandeld met verschillende medicijnen. Klager was ontevreden over deze behandeling en is daarna in behandeling gekomen bij een andere mdl-arts, die een behandeling met adalimumab (behorende tot de zogenoemde biologicals) gestart. Klager verwijt de mdl-arts dat hij klager (en zijn huisarts) de ernst van de aandoening had moeten meedelen en klager had moeten wijzen op het alternatief van biologicals. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:208 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.211

    Klacht tegen een patholoog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde patholoog is sinds 1994 patholoog en sinds 2012 werkzaam in een bepaald laboratorium. In 2012 ontving dit laboratorium van de behandelend gynaecoloog een biopt van patiënte ter beoordeling. Van dit biopt zijn microscopisch preparaten gemaakt en deze preparaten zijn door de patholoog beoordeeld. De patholoog heeft het onderzoeksverslag in 2012 geautoriseerd. In 2019 is het biopt op verzoek van klaagster in een ander ziekenhuis gereviseerd waarbij bleek dat er sprake was van een discordantie. Klaagster verwijt de patholoog dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld waardoor patiënte geen behandeling heeft gehad, en dat hij ten onrechte geen controle heeft verricht van de bevindingen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:202 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1303

    Klacht tegen psychiater. Klager is tijdelijk opgenomen geweest in een forensisch psychiatrische kliniek. Op één van de afdelingen waar hij verbleef was de psychiater werkzaam en klagers hoofdbehandelaar. In dat verband maakt klager de psychiater meerdere verwijten. De psychiater zou niet hebben ingegrepen toen klager werd bedreigd door een medepatiënt en is een verkeerd behandelplan met verkeerde diagnoses naar de reclassering gestuurd. Ook zou het behandelplan niet met klager zijn besproken en zou er op het bord in de kliniek ten onrechte staan vermeld dat klager daar vrijwillig verbleef. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1 en 3 kennelijk ongegrond verklaard, klachtonderdeel 2 van onvoldoende gewicht verklaard en klachtonderdeel 4 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1163

    Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde. Klaagster is het nichtje van een begin 2021 overleden patiënte. Verweerster werkte als specialist ouderengeneeskunde bij de instelling waar patiënte was opgenomen en was betrokken bij de behandeling van patiënte. Klaagster verwijt verweerster (1) dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan upcoding door het ZZP van 4 naar 7 te verhogen en (2 t/m 5) een verkeerde diagnose, onvoldoende zorg, het zonder toestemming medicatie toedienen en patiënte verhuizen en onvoldoende dossiervorming. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het eerste klachtonderdeel ongegrond en klaagster voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:209 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.210

    Klacht tegen een radioloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De radioloog is werkzaam in dit ziekenhuis en tevens medisch manager van de afdeling Medisch Beeldvorming. In 2009 is een CT-abdomen gemaakt. In 2017 is een CT-abdomen en een CT-thorax gemaakt. In 2018 is een MRI van de onderbuik gemaakt. In 2017 heeft er een second opinion plaatsgevonden van de CT-abdomen en CT-thorax van 2017 in een ander ziekenhuis. In 2019 is door een radioloog uit weer een ander ziekenhuis een verslag gemaakt naar aanleiding van herbeoordeling van de CT-abdomen, CT-thorax en MRI-onderbuik. Klaagster verwijt de aangeklaagde radioloog dat hij onjuist heeft gerapporteerd over beeldvormingen vanaf 2009 en dat hij niet open en transparant is over missers en fouten ten aanzien van de radiologisch zorg. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:203 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1302

    Klacht tegen gz-psycholoog. Klager is tijdelijk opgenomen geweest in een forensisch psychiatrische kliniek. Op één van de afdelingen waar hij verbleef was de gz-psycholoog werkzaam en klagers regiebehandelaar. In dat verband maakt klager de gz-psycholoog meerdere verwijten. Zo zou de gz-psycholoog niet hebben ingegrepen toen klager werd bedreigd door een medepatiënt en zij zou zijn vergeten klager op te geven voor cursussen. Ook zou er enige tijd geen behandelplan zijn geweest en het behandelplan zou ook niet met klager zijn besproken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:216 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1103

    Klacht tegen een internist. Klaagster was de geregistreerde partner van patiënt. Patiënt was sinds 2017 bekend met een gemetastaseerd adenocarcinoom met een onbekende primaire tumor, met metastasen in wervels en lymfeklieren. Op enig moment is patiënt in verband met onhoudbare pijn door toediening van midazolam palliatief gesedeerd. Twee dagen later is hij overleden. Volgens klaagster heeft de internist bij de behandeling van patiënt gehandeld in strijd met de richtlijn Palliatieve sedatie van de KNMG. Volgens haar was palliatieve sedatie niet geïndiceerd en heeft de internist niet/onvoldoende overlegd met patiënt en/of diens vertegenwoordigers. Verder verwijt klaagster de internist dat hij geen/onvoldoende rekening heeft gehouden met de zeggenschap van klaagster als eerste contactpersoon en (geregistreerd) partner van patiënt. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht in alle onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:169 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3377

    Klacht tegen ambulanceverpleegkundige, inhoudende dat beklaagde teveel fentanyl heeft toegediend en daardoor een medische fout heeft gemaakt welke niet is gemeld bij de instanties. Verder verwijt klaagster beklaagde dat zij als gevolg van het toedienen van fentanyl een hartstilstand heeft gekregen en dat beklaagde niet direct is begonnen met reanimeren. Het college oordeelt dat beklaagde bij het toedienen van fentanyl het protocol pijnbestrijding in acht heeft genomen en daarbij het lichaamsgewicht en de door klaagster gemelde pijnscore heeft meegewogen. De door beklaagde gehanteerde hoeveelheid fentanyl valt binnen de maximaal toegestane hoeveelheid en op grond daarvan is van een overdosering of een medische fout geen sprake. Het college oordeelt dat sprake was van een bradycardie en niet van een hartstilstand. Dat als gevolg van een hartstilstand hart- en nierfalen is opgetreden wordt niet door klaagster onderbouwd. Verder is beklaagde direct begonnen met kapbeademing en heeft hij de afweging gemaakt door te rijden naar de SEH. Aldaar heeft beklaagde het SEH-team verzocht naar de ambulancehal te komen om ondersteuning te bieden bij de reanimatie van klaagster. Het geheel overziend heeft beklaagde adequate zorg verleend en is niet gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:184 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4052

    Klacht tegen een GZ-psycholoog kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klager verwijt de GZ-psycholoog dat zij hem heeft beschuldigd van grensoverschrijdende handelingen (misbruik) bij zijn nichtje. De GZ-psycholoog heeft (zo blijkt uit het Formulier voor schriftelijke melding van (vermoedens) van kindermishandeling, waarnaar wordt verwezen in het klaagschrift) Veilig Thuis slechts in overweging gegeven om de uitspraken van het nichtje over haar oom nader te onderzoeken. In deze melding wordt geen beschouwing gegeven over de persoon en/of het handelen van klager. Alsdan wordt klager door deze melding niet rechtstreeks door de GZ-psycholoog getroffen in een in het kader van de individuele gezondheidszorg te respecteren belang. Het college is dan ook van oordeel dat de klager niet aangemerkt kan worden als rechtstreeks belanghebbende. De klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.