ECLI:NL:TGZCTG:2022:214 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1231
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:214 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-12-2022 |
| Datum publicatie: | 14-12-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2022/1231 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een mdl-arts. Klager is gedurende ruim anderhalf jaar onder behandeling geweest bij de mdl-arts in verband met een colitis ulcerosa. Hij werd hiervoor behandeld met verschillende medicijnen. Klager was ontevreden over deze behandeling en is daarna in behandeling gekomen bij een andere mdl-arts, die een behandeling met adalimumab (behorende tot de zogenoemde biologicals) gestart. Klager verwijt de mdl-arts dat hij klager (en zijn huisarts) de ernst van de aandoening had moeten meedelen en klager had moeten wijzen op het alternatief van biologicals. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2022/1231 van:
A., wonende te B.
appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
C., destijds werkzaam als AIOS maag-darm-leverarts,
werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. H.J.C. Smink, verbonden aan het Amsterdam UMC.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klager– heeft op 4 juni 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
tegen C. – hierna de MDL-arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 4 februari
2022, onder nummer A2021/3157, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klager is van die beslissing op tijd in beroep gekomen. De MDL-arts heeft een verweerschrift
in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van Centraal Tuchtcollege van
31 oktober 2022, waar zijn verschenen klager, en de MDL-arts, bijgestaan door
mr. Smink. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Klager en mr. Smink hebben
dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege
en aan de wederpartij hebben overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft het volgende overwogen en geoordeeld.
“2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
Klager is van september 2017 tot het voorjaar van 2019 onder behandeling geweest bij
verweerder en is ontevreden over de behandeling. Het college verklaart de klacht kennelijk
ongegrond en licht dit als volgt toe.
3. De feiten
3.1 In verband met een sinds 2010 bestaande hidradenitis (een chronische huidaandoening
met ontstekingen) in de perianale regio heeft klager in 2012 een coloscopie ondergaan,
die geen afwijkingen vertoonde. Bij behandeling elders in 2014 voor diarreeklachten
zijn evenmin afwijkingen vastgesteld. Op 4 september 2017 kwam klager voor het eerst
bij verweerder op het spreekuur wegens een toenemende frequentie van ontlasting met
bloedbijmenging. Verweerder was destijds arts in opleiding tot specialist (AIOS MDL)
in het laatste jaar van zijn opleiding. Sinds 30 april 2018 is hij MDL-arts.
3.2 Op 18 september 2017 is een coloscopie verricht. Vanaf de anus was een traject
van 18 cm colonslijmvlies ontstoken, passend bij een beperkte, linkszijdige colitis
ulcerosa. De ernst van de ontsteking werd op basis van de bevindingen bij de endoscopie
geduid als matig ernstig (Mayo-endoscopiescore 2). Er was sprake van een chronisch
actieve ontsteking, colitis ulcerosa. Van andere afwijkingen was geen sprake. Verweerder
schreef klager mesalazine oraal en rectaal voor. De medicatie sloeg aan blijkens een
telefonisch consult op 24 oktober 2017. De ontlastingsfrequentie was afgenomen naar
twee tot drie keer per dag en het bloedverlies was volledig gestopt.
3.3 Bij een consult op 5 december 2017 bleek klager een terugval te hebben. De
FCP-uitslag was licht verhoogd (199 µg/g). De mesalazine zetpil is daarom vervangen
door beclomethason/mesalazine klysma. Omdat het op 14 december 2017 nog niet beter
ging, is na overleg met verweerder en zijn supervisor door de IBD-verpleegkundige
– waarbij IBD staat voor inflammatory bowel disease – gestart met budesonide (coricosteroïd)
voor acht weken. Per e-mail van 8 maart 2018 meldde klager dat hij geen klachten meer
had en dat het ontlastingspatroon was genormaliseerd. Hij zegde zijn poliafspraak
af. De butesonidekuur was afgerond en klager was ook gestopt met de klysma’s. De onderhoudsbehandeling
werd afgesproken op oraal mesalazine 4 gram per dag.
3.4 Bij een telefonisch consult op 17 september 2018 maakte klager geen melding
van klachten. Op 23 oktober 2018 heeft klager elders een endoscopie ondergaan, waaruit
volledige genezing van het eerder ontstoken colonslijmvlies bleek.
3.5 Tijdens een telefonisch consult met de IBD-verpleegkundige op 3 januari 2019
bleek klager weer toename van de ontlastingsfrequentie en bloedbijmenging te hebben.
Er is gestart met klysma’s naast de orale mesalazine. Omdat op 10 januari 2019 geen
sprake was van verbetering, is opnieuw gestart met een kuur budesonide. Tijdens een
telefonisch consult op 13 februari 2019 meldde klager dat het met die combinatie van
medicatie beter ging. In het telefonisch consult met de IBD-verpleegkundige van 25
maart 2019 deelde klager mee dat hij zou doorgaan met de onderhoudsdosering mesazaline
en zelf zou starten met klysma’s bij toename van klachten.
3.6 In een telefonisch contact op 21 mei 2019 met de IBD-verpleegkundige heeft
klager gemeld niet tevreden te zijn over de behandeling in 2012 en in de periode 2017/2018.
De behandeling van klager is daarop overgedragen aan een andere MDL-arts, die hem
een folder over thiopurine (een afweeronderdrukkend medicijn) meegaf. Na haar vertrek
kwam klager bij een opvolgende MDL-arts in behandeling.
3.7 Eind juli 2019 zijn opnieuw klachten ontstaan bij klager. De mesalazinetherapie
had niet voldoende effect meer. Klager wilde graag anti-TNFα therapie in plaats van
thiopurinetherapie. Nadat de sigmoïdscopie van 12 augustus 2019 een ontstoken darmslijmvlies
tot en met 48 cm vanaf de anus (Mayo-score 2) vertoonde, is in overleg met zijn behandelend
arts gestart met adalimumab (anti-TNFα therapie, behorende tot de zogenaamde biologicals).
4. De klacht en het standpunt van klager
Klager verwijt verweerder dat hij klager (en zijn huisarts) de ernst van de aandoening
had moeten meedelen en klager had moeten wijzen op het alternatief van biologicals.
5. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig zal het college hierna op het verweer ingaan.
6. De beoordeling
maatstaf
6.1 Het college stelt voorop dat de vraag die het college moet beantwoorden is
of verweerder de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor
is de redelijk bekwame en redelijk handelende MDL-arts. Het college houdt bij de beoordeling
rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening. Ook
gaat het college uit van de op dat moment geldende beroepsnormen. Het gaat er niet
om of de arts, achteraf beschouwd, misschien beter of anders had kunnen handelen,
maar of hij bij de toen bekende stand van zaken redelijkerwijs heeft kunnen handelen
zoals hij heeft gedaan.
Informatieverstrekking over ernst aandoening/klager niet betrokken bij keuze behandeling
6.2 Verweerder heeft erkend dat hij per abuis de huisarts van klager niet heeft
geïnformeerd. Dat is slordig, maar naar het oordeel van het college niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar, nu niet gebleken is dat de huisarts bij de behandeling van deze ziekte
van klager een rol heeft gespeeld. Klager is voor zijn aandoening steeds bij verweerder
onder behandeling gebleven en heeft zich bij klachten telkens rechtstreeks, zonder
tussenkomst van de huisarts, tot het ziekenhuis gewend. Bovendien heeft verweerder
te kennen gegeven dat hij zich er rekenschap van heeft gegeven dat hij hierin nalatig
is geweest en heeft hij zijn werkwijze zodanig aangepast dat een bericht aan de huisarts
niet meer vergeten kan worden.
6.3 Partijen verschillen van mening over de door verweerder aan klager gegeven
informatie over de ernst van zijn ziekte. Volgens klager had verweerder, bij de als
matig ernstig geclassificeerde colitis ulcerosa van klager, de keuze tussen het volgen
van (de eerste vier stappen van) het zogenaamde stappenplan en behandeling met een
biological niet eenzijdig, maar in overleg met hem moeten nemen.
Tegenover de stelling van klager dat hij door verweerder niet over de ernst van zijn
aandoening is geïnformeerd, staat de betwisting daarvan door verweerder. Hij heeft
aangevoerd dat in de periode waarin klager bij hem onder behandeling was wekelijks
in het ziekenhuis een IBD-polibespreking plaatsvond van alle IBD-patiënten die de
AIOS’en die week op de polikliniek zouden zien of hadden gezien. Daarbij waren twee
MDL-artsen, twee AIOS’en MDL en twee IBD-verpleegkundigen aanwezig. Gezamenlijk werd
het beleid bepaald voor iedere patiënt. Ten aanzien van klager is steeds gehandeld
overeenkomstig de Nederlandse “Richtlijn IBD bij volwassenen” (hierna: de richtlijn)
uit 2008, met een update in 2015, van de Nederlandse Vereniging voor MDL-artsen (NVMDL).
Het beleid is met klager besproken, waarbij verweerder heeft aangegeven dat klager
veel (terechte) vragen had en dat hij klager steeds uitgebreid op alle vragen antwoord
heeft gegeven.
6.4 Het college overweegt dat vast staat dat verweerder klager niet heeft geïnformeerd
over het bestaan van Mayo-scores en over de Mayo-score in het geval van klager, maar
dat is ook niet gebruikelijk en naar het oordeel van het college niet nodig. Deze
scores worden met name gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Waar het om gaat
is dat de MDL-arts de patiënt een goede beschrijving geeft van wat de uitslagen van
verschillende onderzoeken te zien geven en wat dit voor die patiënt betekent. Het
is niet gebleken dat verweerder dit niet heeft gedaan. De stelling van klager dat
verweerder hem vanwege de Mayo-score van 2 had moeten betrekken bij het maken van
een keuze tussen het ‘stappenplan’ uit de richtlijn en een biological is onjuist.
Behandeling met biologicals was in de periode waarin verweerder de behandelaar van
klager was, toen sprake was van een relatief kort en alleen linkszijdig ontstoken
gedeelte van de darm, nog niet aan de orde. De door verweerder gegeven behandeling
van klagers aandoening, zoals die zich op de verschillende momenten presenteerde,
is heel gebruikelijk en ook in overeenstemming met de richtlijn, die nog steeds actueel
is en in zijn algemeenheid door Nederlandse MDL-artsen wordt gevolgd. Er is geen recenter
wetenschappelijk onderzoek waaruit volgt dat behandeling met biologicals aangewezen
zou zijn in het stadium van de aandoening zoals die zich voordeed bij klager in de
periode van september 2017 tot begin 2019. Ook als het zo zou zijn dat de huidige
behandelende MDL-arts van klager niet de Nederlandse, maar de Europese richtlijn volgt,
zoals klager stelt, maakt dit niet dat verweerder onjuist heeft gehandeld door de
Nederlandse richtlijn te volgen. Hierbij is van belang dat behandeling met biologicals
geen eerstelijnstherapie is en pas geïndiceerd wordt geacht bij een ontsteking van
de gehele dikke darm, die bij klager ten tijde van de behandeling door verweerder
nog niet speelde. Daarvan bleek pas in augustus 2019, ten tijde van de start van de
behandeling door de huidige behandelaar.
6.5 Overigens is er bij de behandeling van colitis ulcerosa bij opspelende ziekte
geen sprake van een rigide stappenplan. De ziekte kenmerkt zich als chronische aandoening
door onvoorspelbare episodes van rust en opvlamming, die bovendien sterk kunnen variëren
in mate van ernst en uitbreiding van de ontsteking. Afhankelijk van de ernst van de
klachten op een bepaald moment beoordeelt de MDL-arts welke medicatie daarbij het
beste past, en zal hij of zij de patiënt daarover informeren en adviseren. Voor de
door klager gemelde klachten bij de eerder geconstateerde matige ziekte over een relatief
kort darmsegment is steeds een passende behandeling ingezet, die veelal ook een positief
resultaat had: de klachten werden door de behandeling telkens, in ieder geval weer
voor een tijd, verholpen. Bij opvlamming van de ziekte kan zo nodig weer dezelfde
medicatie worden voorgeschreven, en bij gebrek aan voldoende effect een hogere dosering
of aanvullende medicatie. Complexe medicatie
– zoals biologicals – wordt over het algemeen pas ingezet bij ernstige en uitgebreide
ziekte of falen van minder complexe medicatie zoals mesalazine. Deze lijn is ook in
het ziektebeloop van klager gevolgd. Op verweerder rustte niet de verplichting om
klager op de hoogte te stellen van alle mogelijke behandelingen die in de diverse
stadia van de ziekte aangewezen of mogelijk zouden zijn, zolang die stadia zich nog
niet voordeden.
6.6 Het college ziet in de gegeven beschrijving van het beloop van de ziekte van
klager en de telkens getroffen maatregelen geen zaken waarin verweerder anders had
moeten handelen. Voor klager is het uiteraard bijzonder onaangenaam dat hij getroffen
is door een chronische darmziekte, die – na goede periodes – telkens weer kan opspelen
en ook kan verergeren. Dergelijke opvlammingen zijn ondanks goede zorg niet te voorkomen.
De ziekte van klager vertoont een vaker voorkomend beloop en dat beloop is niet negatief
beïnvloed door de keuzes in de behandeling die verweerder – aanvankelijk nog mede
in overleg met zijn supervisor – heeft gemaakt.
6.7 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 3. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
Omvang van de zaak in beroep
4.1 Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het
beroep van klager heeft tot doel dat het Centraal Tuchtcollege de zaak in volle omvang
beoordeelt en de klacht alsnog gegrond verklaart.
4.2 De MDL-arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij is van mening
dat het beroep van klager moet worden verworpen en de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege moet worden bevestigd.
Inhoudelijke beoordeling
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het
Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover schriftelijk
en mondeling bij dat tuchtcollege hebben gevoerd. Het door het Regionaal Tuchtcollege
opgebouwde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
4.4 In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij
heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege
vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 31 oktober 2022 is dat debat voortgezet.
4.5 De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding
gegeven tot de vaststelling van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen
dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg. Het Centraal Tuchtcollege
is het eens met de overwegingen onder 6. “De beoordeling”, en neemt deze hier over.
Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard
en dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: R. Prakke-Nieuwenhuizen, voorzitter,
T. Dompeling en M.P. den Hollander, leden-juristen, R. Heijligenberg en R.A. Veenendaal,
leden-beroepsgenoten, en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.