ECLI:NL:TGZCTG:2022:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1163

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:215
Datum uitspraak: 14-12-2022
Datum publicatie: 14-12-2022
Zaaknummer(s): C2021/1163
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde. Klaagster is het nichtje van een begin 2021 overleden patiënte. Verweerster werkte als specialist ouderengeneeskunde bij de instelling waar patiënte was opgenomen en was betrokken bij de behandeling van patiënte. Klaagster verwijt verweerster (1) dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan upcoding door het ZZP van 4 naar 7 te verhogen en (2 t/m 5) een verkeerde diagnose, onvoldoende zorg, het zonder toestemming medicatie toedienen en patiënte verhuizen en onvoldoende dossiervorming. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het eerste klachtonderdeel ongegrond en klaagster voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1063 van:
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster,
tegen
C., specialist ouderengeneeskunde,
werkzaam in B., verweerster in beide instanties,
hierna: de arts, gemachtigde: mr. J. Groen, advocaat in Eindhoven.
1.    Procesverloop 
Klaagster heeft op 2 februari 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege in Eindhoven een klacht ingediend tegen de arts. Dat College heeft de klacht in zijn beslissing van 
20 oktober 2021 onder nummer E2021/2022-E2021/016 deels ongegrond en klaagster voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. De arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Van klaagster zijn daarna nog aanvullende stukken ontvangen.
De zaak is in beroep behandeld op de zitting van 9 november 2022. Partijen zijn beiden op zitting verschenen. De arts werd bijgestaan door haar gemachtigde. De standpunten van partijen zijn tijdens de zitting verder toegelicht. Klaagster heeft daarbij gebruik gemaakt van notities. Het Centraal Tuchtcollege heeft een kopie van die notities ontvangen. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. 
“2.    De feiten
2.1    Klaagster is een nichtje (“tantezegger”) van wijlen mevrouw D. (verder te noemen: patiënte)
2.2    Verweerster werkte, in de tijd dat de gebeurtenissen waar de klacht over gaat plaatsvonden, als specialist ouderengeneeskunde bij de instelling E. op de locatie F. (verder te noemen: “de instelling”), waar patiënte was opgenomen. Patiënte werd door onder andere verweerster behandeld.
2.3    Met betrekking tot de vertegenwoordiging van en het mentoraat over patiënte blijkt uit het dossier het volgende.
- Klaagster was voorafgaand aan haar benoeming tot mentor (waarover hierna) de contactpersoon voor de zorgverleners met betrekking tot patiënte.
- Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 augustus 2015 is klaagster voor de duur van zes maanden tot mentor van haar tante benoemd. Daarnaast is een professionele bewindvoerder (een B.V.) benoemd tot bewindvoerder over haar goederen, ook voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft als motivering voor de tijdelijke benoeming van klaagster als mentor gegeven dat de verhouding tussen haar en het personeel van de instelling gespannen is, en deze termijn kan worden gebruikt om te bezien of zij in het belang van patiënte kunnen samenwerken. De rechtbank heeft als motivering voor de tijdelijke benoeming van de bewindvoerder gegeven dat binnen diezelfde termijn kan worden bezien of de samenwerking tussen mentor en bewindvoerder goed verloopt. 
- Bij beschikking van 7 januari 2016, gegeven op het hoger beroep van klaagster, heeft het Hof deze beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen.
- Bij beschikking van 10 februari 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant de tijdelijke benoeming van de bewindvoerder gewijzigd in een benoeming voor onbepaalde tijd, klaagster geschorst als mentor, en de bewindvoerder tot tijdelijk mentor van patiënte benoemd.
- Bij beschikking van 20 april 2016 [niet overgelegd; kenbaar uit de beslissing van dit college van 28 september 2016] heeft de rechtbank Oost-Brabant met ingang van die datum klaagster ontslagen als mentor en de bewindvoerder, inmiddels ook tijdelijk mentor, (definitief) benoemd tot mentor over patiënte. Namens de stichting voerde één persoon de taken van mentor uit. Dit mentorschap is geëindigd door het overlijden van patiënte. 

2.4    Met betrekking tot eerdere klachten van klaagster over verweerster blijkt uit het dossier het volgende.                                                                                                                                        - Klaagster heeft op 12 januari 2016 klachten tegen verweerster ingediend, die vrijwel gelijkluidend zijn aan de onderhavige klachten. Dit college heeft bij beslissing van 28 september 2016 klaagster niet-ontvankelijk verklaard. De motivering van deze beslissing luidt dat niet klaagster maar de mentor patiënte in en buiten rechte vertegenwoordigt bij rechtshandelingen in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, en dat de mentor schriftelijk heeft laten weten dat zij de klacht niet wil voortzetten.                                                                                                                                  - Bij beslissing van 28 maart 2017 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) klaagster in het beroep tegen deze beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De motivering van deze beslissing luidt dat klaagster ook in hoger beroep na het verlies van het mentorschap niet langer bevoegd was tot het aanhangig maken van de klacht.                                                                                                                                    - Klaagster heeft op 12 juni 2017 opnieuw klachten tegen verweerster ingediend, die vrijwel gelijkluidend zijn aan de onderhavige klachten en dus aan de klachten van   12 januari 2016. Dit college heeft bij beslissing in raadkamer van 17 juli 2017 klaagster niet-ontvankelijk verklaard. Wat betreft de klachten betrekking hebbend op de behandeling van patiënte is dit oordeel gemotiveerd met overwegingen ongeveer gelijk aan die in de beslissing van 28 september 2016. Wat betreft de klachten betrekking hebbend op het handelen ten opzichte van klaagster zelf (het hierna te noemen klachtonderdeel 1) is dit oordeel gemotiveerd door de overweging dat klaagster in zoverre onvoldoende belang heeft bij de klacht.                                                                                                                                            - Bij beslissing van 7 december 2017 heeft het CTG het beroep van klaagster tegen deze beslissing verworpen, met de motivering dat de zaak in hoger beroep geen aanleiding heeft gegeven tot andere beschouwingen en beslissingen dan in eerste aanleg.    
        3.         De klacht en het standpunt van klaagster
3.1    Klaagster verwijt verweerster dat zij met betrekking tot de inmiddels overleden tante van klaagster (patiënte):
1.    zich schuldig heeft gemaakt aan upcoding door het ZZP van 4 naar 7 te verhogen;
2.    willens en wetens een verkeerde diagnose in stand heeft gehouden;
3.    ernstig nalatig en onzorgvuldig heeft gehandeld en niet de noodzakelijke medische zorg heeft verleend;
4.    zonder toestemming van de vertegenwoordiger (klaagster) medicatie heeft toegediend en patiënte heeft verhuisd;
5.    patiënte heeft verhuisd naar een (voor klaagster) vrijwel onbereikbare locatie;
6.    niet transparant is en het medisch dossier van patiënte niet op orde heeft.
3.2    In haar pleidooi heeft klaagster gezegd dat zij de door verweerster als klachtonderdelen opgevatte andere verwijten - te weten dat de instelling met valsheid in geschrifte en meineed de mentor heeft laten aanstellen teneinde verweerster te beschermen en misstanden in de doofpot te stoppen - niet als klacht heeft bedoeld.
3.3    Tegenover het verweer dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar klachten heeft zij zich beroepen op artikel 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) waaruit voortvloeit dat zij rechtstreeks belanghebbende is bij de klachten omdat zij na het einde van het mentorschap (weer) als naaste betrekking de wil van haar overleden tante vertegenwoordigt. Klaagster heeft verder, met een beroep op de Wet op de geneeskundige behandelings-overeenkomst (WGBO), gesteld dat verweerster zonder (het vragen van) haar toestemming als vertegenwoordiger aan patiënte geen medicatie had mogen toedienen en haar niet had mogen verhuizen.
4.    Het standpunt van verweerster 
4.1    Verweerster heeft primair aangevoerd dat klaagster niet in haar klachten kan worden ontvangen. Het enige handelen van verweerster waarover voldoende concreet geklaagd wordt (klachtonderdelen 4 en 5) speelde zich af van maart tot en met mei 2015. Klaagster was toen nog niet de mentor van patiënte en zij is niet anderszins haar wettelijk vertegenwoordiger geweest. Er is overigens wel overlegd met klaagster maar zij stemde nergens mee in. Klaagster wordt als nabestaande van de overleden patiënte in beginsel verondersteld bij het indienen van de klacht de wil van die patiënte uit te drukken, maar dit beginsel geldt niet bij bijzondere omstandigheden. Die zijn hier aanwezig, aldus verweerster, met name in de weigering van de toenmalige mentor om in 2016 en 2017 met de klachten mee te gaan.
4.2    Voor het geval dat het college klaagster in haar klachten ontvangt, bepleit verweerster ongegrondverklaring. Op de argumenten daarvoor wordt hierna voor zoveel nodig ingegaan.
5.     De overwegingen van het college
5.1    De in het klaagschrift opgenomen opmerkingen over door de mentor en/of de instelling gepleegde meineed en/of valsheid in geschrifte blijken niet als klacht te zijn bedoeld. Het college zal er daarom in deze procedure geen oordeel over geven, en merkt slechts op dat klaagster geen enkel bewijs heeft geleverd van de juistheid van haar beschuldigingen. 
5.2    Klachtonderdeel 1 betreft handelen ten opzichte van klaagster zelf. Klaagster is reeds in de beslissing van 17 juli 2017 niet-ontvankelijk verklaard in dit klachtonderdeel, omdat zij onvoldoende had onderbouwd dat de upcoding haar persoonlijk raakte. In deze procedure heeft zij dat opnieuw nagelaten. Bovendien is gebleken dat de upcoding geen handeling van verweerster was: de vaststelling van het zorgzwaarteprofiel gebeurde door het CIZ. De klacht is reeds daarom op dit onderdeel ongegrond.
5.3    Het college zal klaagster niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdelen 2 tot en met 6. Voor al deze verwijten geldt dat klaagster ze al twee keer eerder als klacht heeft ingediend. Beide keren is klaagster door dit college, bevestigd door het CTG, niet-ontvankelijk verklaard. De motivering van de beslissingen luidde telkens dat niet klaagster maar de mentor patiënte vertegenwoordigt bij rechtshandelingen in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, terwijl de mentor de klacht niet wilde voortzetten. De stelling dat klaagster reeds door het einde van het mentorschap met terugwerkende kracht geacht wordt de wil van patiënte (in 2016 en 2017) uit te drukken, kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard. De belemmering om klaagster destijds in haar klacht te ontvangen - dat de toenmalige mentor niet instemde met behandeling van de klacht - bestaat nog altijd voor de klachten van nu over gebeurtenissen van toen. Dit is een omstandigheid die grond vormt om een uitzondering te maken op de veronderstelling dat de nabestaande de wil van de overleden patiënte uitdrukt. Een tweede omstandigheid die voor dit oordeel gewicht in de schaal legt, is dat klaagster gedurende ongeveer vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van patiënte tot dat overlijden een verbod van contact met haar heeft gehad. Zij hebben in die tijd ook feitelijk geen contact gehad, op een videogesprek onder toezicht na. Ook door deze omstandigheid kan klaagster niet worden verondersteld thans de toenmalige wil van patiënte te kennen en met haar klacht uit te drukken. Tot slot is bij dit oordeel van belang de omstandigheid dat reeds vanaf 2015 de verhouding tussen klaagster en het personeel van de instelling gespannen was, en sindsdien niet is verbeterd. Samenwerking van klaagster met de mentor is kennelijk nooit tot stand gekomen. Ook met de mentor is de verhouding vanuit klaagster vijandig geworden. Dit alles vormt een aanwijzing te meer dat klaagster nu niet de toenmalige wil van patiënte uitdrukt.
Klaagster wordt dus in klachtonderdelen 2 tot en met 6 niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede wijdt het college enkele inhoudelijke overwegingen aan de klachtonderdelen die naar haar indruk voor klaagster het zwaarst wegen. 
5.4.1    Verweerster heeft ter zitting uitgelegd dat de diagnose dementie (klachtonderdeel 2) aanvankelijk een waarschijnlijkheidsdiagnose was, waaraan zij in de loop van 2014 en 2015 zelf ook is gaan twijfelen. De exacte diagnose was echter niet direct relevant voor de behandeling van de gedragsproblematiek van patiënte, en die stond voorop. De andere, door klaagster gewenste diagnose (verstandelijke beperkingen) zou waarschijnlijk voor de behandeling van patiënte in de betreffende periode geen verschil hebben gemaakt.
5.4.2    Voor het verborgen toedienen van medicatie ter bestrijding van de onrust van patiënte rondom de overplaatsing/verhuizing op 4 april 2015 tijdelijk naar een GGZ-instelling en op 8 mei 2015 definitief naar een andere instelling, en voor die verhuizing zelf (klachtonderdelen 4 en 5) had verweerster niet de toestemming van klaagster nodig. Klaagster was destijds nog geen mentor en behoort als nichtje van patiënte niet tot de kring van bloed- en aanverwanten jegens wie de arts (bij gebreke van een wettelijk vertegenwoordiger) de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet nakomen. Die kring omvat krachtens artikel 7:465 lid 3 BW bloedverwanten tot en met de tweede graad. Niettemin heeft verweerster met klaagster overlegd over de verhuizing/opname in de GGZ. Verweerster mocht bij de beslissing die zij vervolgens heeft genomen het door haar te beoordelen belang van een goede zorg voor patiënte zwaarder laten wegen dan de bezwaren van klaagster (die onder meer waren gebaseerd op de reistijd van de woonplaats van klaagster naar de nieuwe instelling). Verweerster heeft deze beslissing overigens genomen na multidisciplinair overleg binnen de instelling en consult met een extern psychiater. Het verborgen toedienen van medicatie, tot slot, was in de noodsituatie die zich op 
4 april 2015 voordeed geoorloofd. Bij de feitelijke overplaatsing naar een andere instelling op 8 mei 2015 was verweerster, zo is ter zitting gebleken, niet aanwezig.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij wil met het beroep bereiken dat zij in alle klachtonderdelen wordt ontvangen en dat het Centraal Tuchtcollege de klacht in zijn geheel inhoudelijk beoordeelt.
4.2    De arts voert verweer en verzoekt het Centraal Tuchtcollege primair het beroep te verwerpen. Subsidiair verzoekt de arts de klacht, wanneer het Centraal Tuchtcollege tot een inhoudelijk oordeel komt, ongegrond te verklaren. 
    Het beroep van klaagster slaagt niet
4.3    In beroep is de schriftelijke klacht zoals door klaagster geformuleerd nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk en mondeling gevoerde debat.
4.4    In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 9 november 2022 hebben partijen hun standpunt nader toegelicht.
4.5    De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege zoals vermeld onder 5.1 tot en met 5.3, behoudens de laatste zin van 5.3, en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Dit betekent dat het beroep wordt verworpen.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter;
Y. Buruma en E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden juristen en H.J. Hasper en P.J. Schimmel, leden beroepsgenoten en M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022. 
Voorzitter  w.g.        Secretaris  w.g.