Zoekresultaten 9681-9690 van de 48358 resultaten
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:211 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.208
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:211
Klacht tegen een intensivist. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde intensivist is sinds begin 2016 werkzaam als voorzitter van het (bestuur) van de Vereniging Medisch Staf van het ziekenhuis. In 2018 heeft op verzoek van klaagster een gesprek plaatsgevonden. De intensivist zou daarbij aanwezig zijn maar was niet in de gelegenheid dit gesprek bij te wonen. In een brief heeft klaagster onder meer gevraagd om een gesprek met de intensivist. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Klaagster verwijt de intensivist dat hij niet open en transparant is en zich niet toetsbaar wil opstellen, dat hij niet luistert en niet toegankelijk is voor een gesprek, dat hij het belang van patiënt niet voorop heeft gesteld en geen belang hecht aan kwaliteit en veiligheid in de patiëntenzorg, en dat hij een verzoek tot een SIRE-onderzoek heeft geweigerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:218 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-834/DH/DH
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:218
Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke kwestie gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TNORARL:2021:77 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05 /373599 KL RK 20 - 96
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 16-03-2021
- ECLI:NL:TNORARL:2021:77
Klacht niet-ontvankelijk. Uit klacht volgt dat klaagster zich bewust is geweest van het feit dat ze iets ondertekende wat ze niet wilde ondertekenen en zich tevens bewust is geweest van de werkzaamheden die de notaris in dit verband heeft verricht. Daarmee is op 15 juni 2016 voldaan aan de voorwaarden die de Wna stelt voor de start van de driejaarstermijn, wat meebrengt dat deze termijn 3 jaar later op 15 juni 2019 is geëindigd.De mogelijke (door klaagster niet onderbouwde) omstandigheid dat [P.] haar heeft gedwongen tot ondertekening van de akte doet aan het voorgaande niet af. Zelfs indien deze door klaagster gestelde dwang zou komen vast te staan, dan nog zou aannemelijk moeten worden dat deze dwang zou hebben voortgeduurd gedurende de volledige daarop volgende periode van drie jaar waarin klaagster tijdig had kunnen klagen. Dit is echter niet gesteld en niet gebleken.Zelfs indien klaagster gevolgd zou worden in haar stelling dat zij redelijkerwijs niet eerder dan augustus 2017 de reden en de mogelijkheid voor het indienen van een tuchtklacht heeft kunnen zien en haar om deze reden in deze zaak een beroep op de additionele vervaltermijn van een jaar zou toekomen, dan nog is de klacht te laat want ruimschoots na het einde van die termijn ingediend.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:205 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1228 en C2022/1248
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:205
Klacht tegen arts. Door de informatie op de website van de arts is klaagster ten onrechte in de veronderstelling geraakt dat de arts plastisch chirurg was. Het Centraal Tuchtcollege verwijt de arts dat hij heeft nagelaten deze verwarring weg te nemen. De kwalificatie misleiding, die het Regionaal Tuchtcollege nog wel aannam, laat het Centraal Tuchtcollege achterwege. Dat de arts de enige arts is in zijn praktijk ontslaat de arts niet van de algemene dossierplicht. In beroep zet het Centraal Tuchtcollege uiteen dat een zorgverlener op grond van artikel 13 van de Wkkgz de geldende klachtenregeling op een passende wijze onder de aandacht moet brengen. Daarnaast verklaart het Centraal Tuchtcollege ook de klacht ook ten aanzien van grensoverschrijdend gedrag gegrond en houdt het de maatregel van berisping in stand.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:212 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.207
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:212
Klacht tegen een klinisch geriater tevens internist. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde klinisch geriater en internist is sinds begin 2019 werkzaam als voorzitter van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. Klaagster verwijt de klinisch geriater en internist dat zij niet open en transparant is geweest, zich niet toetsbaar heeft willen opstellen, dat zij niet wil luisteren en niet toegankelijk is voor een gesprek, dat zij het belang van patiënt niet voorop heeft gesteld en geen belang hecht aan kwaliteit en veiligheid voor wat betreft patiëntenzorg, en dat zij een onderzoek naar dwaling en misleiding door Medirisk heeft geweigerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:206 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.213
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:206
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde gynaecoloog is werkzaam in een ander ziekenhuis en op verschillende momenten betrokken geweest bij de behandeling van patiënte.Klaagster verwijt de aangeklaagde gynaecoloog dat zij het dossier niet goed heeft bijgehouden, dat de gynaecoloog patiënte o.a. de op 20 september 2017 in het multidisciplinair overleg van het ziekenhuis besproken liesbreuken zowel links als rechts niet heeft meegedeeld, en dat zij heeft geweigerd een revisie te doen van de biopten uit 2012 en 2014, dat zij het overleg met dr. Resink (MST) niet heeft genoteerd in het medisch dossier.Samenvattend geeft klaagster aan dat de second opinion bij de gynaecoloog geen enkele toegevoegde waarde heeft gehad. Er is sprake van een samenzwering. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:65 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3658
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:65
Klaagster verwijt internist dat zij, ondanks hoge INR-waarde, bloedverdunners heeft voorgeschreven en heeft laten toedienen aan haar overleden echtgenoot. Internist was tevens verantwoordelijk als hoofdbehandelaar. Internist was niet persoonlijk betrokken bij het voorschijven of toedienen van de bloedverdunners. Ook als hoofdbehandelaar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, internist was niet op de hoogte en arts-assistent was bevoegd tot zelfstandig handelen. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.206
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:213
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij de operatie in 2009 niet zelf heeft gedaan, niet aanwezig was in het ziekenhuis en dat hij de ingreep heeft laten uitvoeren door anderen, dat hij onvoldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de ingreep op en rond de operatie in 2009, dat hij te lang heeft gewacht met het uitvoeren van een ileus-operatie, dat hij een paralytische ileus na een vierde operatie heeft verzwegen evenals een mogelijk op handen zijnde vijfde operatie, dat hij onvoldoende/onjuiste informatie heeft gegeven tijdens het telefonisch contact in 2016 over de behandeling van patiënte in 2009, dat sprake is van een onjuiste dossiervoering en foutieve vermeldingen, en dat hij geen veiligheid heeft gegeven en geen kwaliteit van zorg. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:207 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.212
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:207
Klacht tegen een radioloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde radioloog is werkzaam in een ander ziekenhuis. Patiënte is voor een second opinion naar dit ziekenhuis verwezen. In 2017 heeft er een second opinion door de radioloog plaatsgevonden van de CT-abdomen en CT-thorax.Klaagster verwijt de aangeklaagde radioloog dat hij onvolledige verslaglegging heeft gedaan van de revisie van de CT-scan van 2017 door een aantal bevindingen niet op te nemen in de verslaglegging, dat hij de niet vermelde bevindingen niet aan patiënte heeft meegedeeld terwijl dat wel had gemoeten, en dat hij ten onrechte geen aanvullende onderzoek adviezen heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:181 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4262
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:181
Klacht kennelijk niet-ontvankelijk tegen een psychiater. Verweerder is psychiater en als bestuurder zorg werkzaam bij een zorgaanbieder. In zijn hoedanigheid als bestuurder heeft verweerder namens de zorgaanbieder een schriftelijke reactie ingediend op de klacht van klaagster bij de geschillencommissie. Klaagster verwijt verweerder dat hij onjuiste medische informatie heeft aangeleverd, waarbij sprake is van valsheid in geschrift. Er heeft geen behandelrelatie tussen klager en verweerder bestaan. De eerste tuchtnorm is daarom niet van toepassing op deze klacht. De tweede tuchtnorm is ook niet van toepassing. Uit de brief volgt niet dat verweerder deze reactie in zijn hoedanigheid van psychiater heeft opgesteld, of vanuit psychiatrisch oogpunt een reactie heeft gegeven; deze reactie had evengoed door een andere bestuurder zonder het specialisme psychiater kunnen zijn geschreven. Zoals is opgemerkt in het verweerschrift, is het indienen van een reactie door de bestuurder zorg in een dergelijke procedure een beleidsmatige keuze van de zorgaanbieder. Dat betekent dat verweerder geacht moet worden uitsluitend in zijn hoedanigheid als bestuurder op de klacht van klaagster bij de geschillencommissie te hebben gereageerd, onder bijvoeging van het dossier zoals dat door de behandelende zorgverleners is opgesteld. Dit handelen van verweerder heeft onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg.