ECLI:NL:TGZCTG:2022:202 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1303
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:202 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-12-2022 |
| Datum publicatie: | 14-12-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2022/1303 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater. Klager is tijdelijk opgenomen geweest in een forensisch psychiatrische kliniek. Op één van de afdelingen waar hij verbleef was de psychiater werkzaam en klagers hoofdbehandelaar. In dat verband maakt klager de psychiater meerdere verwijten. De psychiater zou niet hebben ingegrepen toen klager werd bedreigd door een medepatiënt en is een verkeerd behandelplan met verkeerde diagnoses naar de reclassering gestuurd. Ook zou het behandelplan niet met klager zijn besproken en zou er op het bord in de kliniek ten onrechte staan vermeld dat klager daar vrijwillig verbleef. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1 en 3 kennelijk ongegrond verklaard, klachtonderdeel 2 van onvoldoende gewicht verklaard en klachtonderdeel 4 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2022/1303 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
G., psychiater, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. G.J.H. Beernink.
1. Verloop van de procedure
A. - hierna klager - heeft op 9 oktober 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen
tegen G. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing in raadkamer
van
22 februari 2022, onder nummer G2020/52, heeft dat College de klachtonderdelen 1 en
3 kennelijk ongegrond verklaard, klachtonderdeel 2 van onvoldoende gewicht verklaard
en klachtonderdeel 4 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klager is van die beslissing
tijdig in beroep gekomen. De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2022/1302 behandeld
ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 28 november 2022,
waar zijn verschenen klager en de psychiater, laatstgenoemde bijgestaan door
mr. G.J.H. Beernink. De zaak is over en weer toegelicht. Klager en mr. Beernink hebben
dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege
hebben overgelegd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht,
van het volgende te worden uitgegaan.
Klager werd op 9 oktober 2015 opgenomen in de E. te D. (hierna: kliniek) vanwege een
bijzondere voorwaarde in het kader van schorsing uit voorlopige hechtenis. Het voorwaardelijke
karakter van de opname verliep op 9 oktober 2016. Klager heeft zijn verblijf nadien
vrijwillig voortgezet tot 31 oktober 2016. Op die datum is hij ontslagen.
De eerste afdeling waar klager verbleef, was ‘F.’, een afdeling voor observatie en
diagnostiek. Beklaagde werkte op dat moment als psychiater en behandelcoördinator
op deze afdeling. Hij was hier klagers hoofdbehandelaar. Op 26 januari 2016 is klager
overgeplaatst naar afdeling ‘H.’, een behandelafdeling binnen de kliniek.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt beklaagde – samengevat en zakelijk weergegeven – dat:
1. klager op ‘F.’ lange tijd bedreigd is door een medepatiënt, zonder dat
er iets aan gedaan werd;
2. hij een verkeerd behandelplan met verkeerde diagnoses heeft opgestuurd naar
de reclassering;
3. hij het behandelplan niet heeft doorgenomen met klager. Nu bleek achteraf pas
voor klager dat het behandelplan knip- en plakwerk is uit een eerder rapport van een
andere psychiater;
4. op het bord in de kliniek ten onrechte stond vermeld dat klager daar ‘vrijwillig’
verbleef nadat hij op 16 maart 2016 in eerste aanleg was veroordeeld.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert –samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende aan.
4.1 Verweer ten aanzien van klachtonderdeel 1
In een kliniek als waar klager opgenomen is geweest, komen regelmatig spanningen voor
tussen patiënten. Spanningen en bedreigingen worden serieus genomen en bij conflicten
wordt ook ingegrepen. Het omgaan met onderlinge spanningen kan onderdeel zijn van
de behandeling. Dit laatste was bij klager het geval. Klager kwam gedurende zijn opname
regelmatig met medepatiënten en medewerkers in conflict, waarvoor hij ook drie officiële
waarschuwingen heeft gekregen. De keren dat er sprake was van dreigen en/of agressie
tussen klager en de medepatiënt die klager bedoelt, is er adequaat ingegrepen.
4.2 Verweer ten aanzien van klachtonderdelen 2 en 3
Deze klachtonderdelen hebben beide betrekking op het behandelplan. Op 14 oktober 2015
is er door een arts binnen de kliniek een behandelplan aangemaakt. Beklaagde heeft
dit op 27 oktober 2015 met klager besproken. Diverse opmerkingen van klager zijn opgenomen
in het behandelplan, dat door beklaagde en klager werd ondertekend.
Op 19 januari 2016 vond de eerste behandelplanbespreking plaats. Diezelfde dag koppelde
beklaagde de uitkomsten van dat gesprek aan klager terug. Een belangrijk onderwerp
was de overplaatsing van klager naar behandelafdeling ‘H.’, waar klager het niet mee
eens was. Op 21 januari 2016 actualiseerde beklaagde het behandelplan en besprak dit
met klager. Naar aanleiding van de bespreking heeft beklaagde het plan op onderdelen
aangepast en hij ondertekende het. Klager wilde het niet ondertekenen. Op
26 januari 2016 werd klager overgeplaatst en was beklaagde niet langer bij de behandeling
betrokken. En er is inderdaad een onjuiste versie van het conceptbehandel-plan van
21 januari 2016 verstuurd naar de reclassering. Dit is echter per ongeluk gebeurd
en niet door beklaagde, maar door iemand anders.
4.3 Verweer ten aanzien van klachtonderdeel 4
Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de periode nadat klager was veroordeeld. Aangezien
klager in hoger beroep was gegaan, vond er nog geen tenuitvoerlegging plaats. Om die
reden werd de term ‘vrijwillig’ gebruikt. Klager verbleef toen niet meer op de afdeling
waar beklaagde werkt, dus kan volgens beklaagde niet in dit klachtonderdeel worden
ontvangen.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er in algemene zin op dat het er bij het beoordelen van een tuchtklacht
niet om gaat of het handelen waarop de klacht betrekking heeft beter had gekund. Het
gaat om het beantwoorden van de vraag of de aangeklaagde bij het beroepsmatig handelen
is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij
wordt rekening gehouden met de stand van wetenschap ten tijde van het handelen waarop
de klacht betrekking heeft en met wat op dat moment in de betreffende beroepsgroep
als norm of standaard werd aanvaard.
5.2 Klachtonderdeel 1
Klager stelt dat hij bedreigd werd door een medepatiënt en dat daar niets aan werd
gedaan. Beklaagde heeft dit weersproken en onderbouwt zijn betoog aan de hand van
het behandeldossier en drie officiële waarschuwingen. Hieruit volgt dat zich tussen
klager en een medepatiënt inderdaad incidenten hebben voorgedaan. In de situaties
die tot de waarschuwingen hebben geleid werd er ingegrepen door klager naar zijn kamer
te verwijzen of in ieder geval niet naar de ruimte te laten gaan waar de betreffende
medepatiënt was. Ook kreeg klager handvatten aangereikt om met de medepatiënt om te
gaan. Het voorgaande betekent dat niet gebleken is dat er helemaal niet is opgetreden.
Hoewel de negatieve contactmomenten met de medepatiënt vervelend voor klager moeten
zijn geweest, ziet het college hier onvoldoende aanleiding voor een tuchtrechtelijk
verwijt aan het adres van beklaagde. Het eerste klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.3 Klachtonderdeel 2
Het is juist dat de reclassering het verkeerde conceptbehandelplan van 21 januari
2016 heeft ontvangen. Blijkbaar waren er twee conceptbehandelplannen van deze datum
en heeft de maatschappelijk werker die het plan naar de reclassering zou sturen de
verkeerde geselecteerd. Beklaagde stelt dat hij niet verantwoordelijk is voor deze
administratieve vergissing, omdat het hier om het persoonlijk handelen van een ander
gaat. Het college deelt deze opvatting niet geheel. De vergissing kon gemaakt worden
doordat er blijkbaar twee conceptbehandelplannen van dezelfde datum naast elkaar bestonden,
wat een onwenselijke situatie is en waarschijnlijk ook niet de bedoeling is geweest.
Het college acht het waarschijnlijk dat het eerste conceptbehandelplan per abuis niet
is overschreven door het twee conceptbehandelplan, door een fout bij het opslaan van
dat tweede plan. Het college houdt beklaagde (mede-)verantwoordelijk voor de vergissing
die als gevolg daarvan kon – en is – ontstaan.
Niettemin zal deze vergissing niet tot een tuchtrechtelijk verwijt leiden. Het betreft
een slordige administratieve vergissing, maar die is niet van dien aard dat zij een
tuchtrechtelijk verwijt rechtvaardigt. Dit geldt met name doordat het verschil tussen
beide conceptbehandelplannen niet zodanig is dat de vergissing zou hebben geleid tot
een wezenlijk ander advies over de behandeling. In die zin heeft de – storende – vergissing
geen substantieel effect op klagers behandeling gehad. Het verschil is dat in de eerste
versie nog stond dat sprake was van een ‘antisociale persoonlijkheidsstoornis’, wat
uit de tweede versie was verwijderd. Wel staat in beide versies dat (onder andere)
sprake is van ‘narcistische persoonlijkheidstrekken. Ook de behandeldoelstelling en
de ROM-afspraken zijn gelijkluidend in beide conceptbehandelplannen. Al met al zal
dit klachtonderdeel worden afgewezen, omdat het van onvoldoende gewicht is.
5.4 Klachtonderdeel 3
Het verwijt van klager dat beklaagde geen behandelplan met hem zou hebben besproken,
is niet alleen gemotiveerd weersproken maar vindt ook geen steun in het behandeldossier.
Het college gaat ervan uit dat er wel degelijk meerdere besprekingen over de verschillende
behandelplannen zijn geweest tussen klager en beklaagde. Dat klager het niet altijd
eens was met de inhoud, doet daaraan niet af. Het derde klachtonderdeel is kennelijk
ongegrond.
5.5 Klachtonderdeel 4
Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de periode nadat beklaagde bij de behandeling
van klager was betrokken. Hierover kan hij geen klacht indienen tegen beklaagde. Dit
klachtonderdeel zal dan ook kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.”.
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten
en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor
onder “2. De feiten” zijn weergegeven.
4. Beoordeling
Procedure
4.1 In beroep is de schriftelijke klacht over het beroepsmatig handelen/nalaten
van de psychiater nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het
Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die/het in eerste aanleg
geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen gevoerde debat.
Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege
gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd,
waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door
het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen
en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 november 2022 is dat debat
voortgezet.
4.2 Het beroep van klager strekt ertoe dat alle klachtonderdelen alsnog gegrond
worden verklaard.
4.3 De psychiater stelt zich primair op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk
moet worden verklaard in zijn beroep, omdat zijn beroepschrift niet voldoet aan de
daaraan te stellen eisen. Subsidiair is de psychiater van mening dat de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege juist is en dat het beroep van klager daarom moet worden
verworpen.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.4 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft klager in het beroepschrift
voldoende duidelijk aangegeven dat, en op welke gronden hij het niet eens is met de
beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en dat hij wenst dat zijn klacht opnieuw
wordt beoordeeld. Klager wordt dan ook in zijn beroep ontvangen.
Beoordeling van het beroep
4.5 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege
niet geleid tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het College in eerste
aanleg. Dit betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klager ontvankelijk in het beroep;
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser
en
M.W. Zandbergen, leden-juristen en M.C. ten Doesschate en J.A.M. Rutgers, leden-beroepsgenoten
en N. Germeraad-van der Velden, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.