ECLI:NL:TGZCTG:2022:208 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.211
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2022:208 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-12-2022 |
| Datum publicatie: | 14-12-2022 |
| Zaaknummer(s): | C2020.211 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een patholoog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde patholoog is sinds 1994 patholoog en sinds 2012 werkzaam in een bepaald laboratorium. In 2012 ontving dit laboratorium van de behandelend gynaecoloog een biopt van patiënte ter beoordeling. Van dit biopt zijn microscopisch preparaten gemaakt en deze preparaten zijn door de patholoog beoordeeld. De patholoog heeft het onderzoeksverslag in 2012 geautoriseerd. In 2019 is het biopt op verzoek van klaagster in een ander ziekenhuis gereviseerd waarbij bleek dat er sprake was van een discordantie. Klaagster verwijt de patholoog dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld waardoor patiënte geen behandeling heeft gehad, en dat hij ten onrechte geen controle heeft verricht van de bevindingen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C2020.211
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.211 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C., verbonden aan D. te E.,
tegen
BB., patholoog, werkzaam te G., verweerder in beide instanties,
gemachtigde: mr. D. Benamari, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 14 oktober 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege in
Zwolle tegen BB. - hierna de patholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van
23 juli 2020, onder nummer 231/2019, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond
verklaard.
Klaagster is van die beslissing op tijd in beroep gekomen. De patholoog heeft een
verweerschrift in beroep ingediend.
Op 19 september 2022 heeft klaagster ten kantore van het Centraal Tuchtcollege inzage
gehad in het dossier. Op die datum heeft klaagster nog nadere stukken ingediend (geluidsdragers
met transcripties).
Op 4 oktober 2022 heeft het Centraal Tuchtcollege nog een brief en twee snelhechters
met bijlagen ontvangen van klaagster (brief d.d. 4 oktober 2022 met bijlagen).
De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 19 oktober 2022 behandeld.
Op deze zitting zijn in totaal acht klachten van klaagster behandeld, die allemaal
te maken hebben met de zorg voor haar inmiddels overleden moeder.
Die zaken in beroep zijn bekend onder de zaaknummers: C2020.206 tot en met C2020.213.
Op deze beroepen wordt afzonderlijk beslist.
Op de zitting zijn verschenen klaagster, bijgestaan door C., en de patholoog, bijgestaan
door mr. Benamari. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. C. en mr. Benamari
hebben dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege
en aan de wederpartij hebben overhandigd.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft het volgende overwogen en geoordeeld.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waarvan met name het medisch dossier) dient, voor zover van
belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is de dochter van wijlen mw H. (hierna: patiënte), geboren in 1927 en overleden
in 2019.
Patiënte was van 2009 tot en met 2019 onder behandeling in het P. in verband met een
vulvacarcinoom.
Beklaagde is sinds 1994 werkzaam als patholoog en sinds 2012 werkzaam in het W..
Op 12 april 2012 ontving W. een biopt ter beoordeling van de gynaecoloog met daarbij
de klinische gegevens: “Excisie vulva markering 12 uur. VIN III? Zie biopt. Vulvaca
in anamnese.”
Op 13 april 2012 werden de weefselplakjes uitgesneden om microscopische preparaten
te maken en te kunnen beoordelen. De preparaten zijn daags daarna door beklaagde beoordeeld.
Op 25 april 2012 is het onderzoeksverslag door beklaagde geautoriseerd met de conclusie:
“Vulva excisie: centraal lokalisatie van differentiated VIN (VIN 3) met op enkele
plaatsen invasieve groei. De leasie (niet invasief deel) reikt tot lokaal zeer dichtbij
het snijvlak 4uur/5uur, en uiteinde 6 uur is ook zeer krap vrij. Graag controle!”
In 2019 is het boipt gereviseerd in het V.. De conclusie van deze revisie luidde:
“Vulvabiopsie: kleine discordantie. Verhoornend goed gedifferentieerd plaveiselcelcarcinoom,
diameter 3 mm, invasiediepte 1,2 mm. Afstand naar 3-uur snijvlak is 5 mm, naar 9 uurs
snijvlak 8 mm, naar bodem 12 mm. Gedifferentieerde VIN reikend tot in 3 uurs en 9
uurs snijvlak en 6 uurs uiteinde. Lichen sclerosus in de achtergrond.”
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat beklaagde een verkeerde diagnose
heeft gesteld waardoor patiënte geen behandeling heeft gehad. Beklaagde heeft ten
onrechte geen controle verricht van de bevindingen.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij sinds 1 januari 2012 werkzaam is
als patholoog voor het W.. Op 12 april 2012 ontving W. een biopt ter beoordeling van
de gynaecoloog. De daarop volgende dagen zijn de preparaten door beklaagde beoordeeld.
Op 25 april 2012 heeft hij het onderzoeksverslag geautoriseerd. Op verzoek van klaagster
is het biopt in 2019 gereviseerd in het V..
Beklaagde voert aan dat met een ‘micro-invasief carcinoom’ een invasieve tumor kleiner
of gelijk aan 1mm wordt bedoeld. Het verschil van 0,2 millimeter kan berusten op een
inter-observer variatie door een verschil in referentiepunt van waaruit wordt gemeten.
Beklaagde heeft met ‘Graag controle’ aan de behandelaar teruggekoppeld dat er een
zodanig krappe marge is dat oncologische radicaliteit niet geheel zeker is.
Een andere conclusie bij herbeoordeling door de patholoog in het V. doet niets af
aan de zorgvuldige diagnostiek die bij de beoordeling van het biopt van patiënte door
beklaagde is betracht. Overigens blijkt uit de verslaglegging van de patholoog van
het V. dat slechts sprake is van een kleine discordantie. Die term wordt gebruikt
om aan te geven dat naar de mening van de revisor het verschil in diagnose niet essentieel
is.
Beklaagde is als patholoog niet betrokken geweest bij het vaststellen van het behandelplan.
Beklaagde voert aan dat gelet op het voorgaande geen sprake is van overschrijding
van de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel
handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een
antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven
binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met
de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met
hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college volgt beklaagde in zijn verweer dat door de medische stukken wordt onderbouwd.
Dat de patholoog in het V. een deels andere conclusie trekt bij de herbeoordeling
twee jaar later doet niets af aan de zorgvuldige diagnostiek die bij de beoordeling
van het biopt door beklaagde is betracht. Het door beklaagde verrichte onderzoek en
zijn bevindingen zoals neergelegd in het verslag kunnen de tuchtrechtelijke toets
doorstaan. Overigens blijkt uit de verslaglegging van de patholoog van het V. dat
sprake is van slechts een kleine discordantie. Die term wordt gebruikt om aan te geven
dat naar de mening van de revisor het verschil in diagnose niet essentieel is.
Beklaagde heeft met zijn opmerking in het verslag aan de hoofdbehandelaar laten weten
dat gelet op zijn bevindingen een controle werd geadviseerd. Het was niet aan beklaagde
zelf om die controle zelf te initiëren. Dat ligt op de weg van de hoofdbehandelaar.
Daarmee is de klacht kennelijk ongegrond.
5.3
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten
weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
Omvang van de zaak in beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
Zij is van mening dat het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle de zaak niet had mogen
behandelen omdat één van de andere zeven aangeklaagde artsen tevens lid-beroepsgenoot
is bij dat Tuchtcollege. Klaagster verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege te vernietigen en om de zaak terug te verwijzen naar
een aangrenzend Regionaal Tuchtcollege.
4.2 De patholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Primair verzoekt
hij het Centraal Tuchtcollege om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar
beroep, en subsidiair verzoekt hij het beroep van klaagster te verwerpen en de beslissing
van het Regionaal Tuchtcollege te bevestigen.
Ontvankelijkheid
4.3 De patholoog heeft betoogd dat klaagster niet-ontvankelijk is in het beroep,
omdat klaagster in het beroepschrift de gronden van het beroep niet heeft onderbouwd,
en omdat het verzoek van klaagster om de zaak terug te verwijzen bij brief van 14
december 2020 door het Centraal Tuchtcollege is afgewezen. Naar het oordeel van het
Centraal Tuchtcollege heeft klaagster met het beroepschrift voldoende duidelijk gemaakt
dat en waarom zij het niet eens is met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
De brief van 14 december 2020 betrof enkel een beslissing van procedurele aard. Dit
betoog slaagt daarom ook niet. Klaagster is ontvankelijk in het beroep.
4.4 Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal
Tuchtcollege voorleggen die in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling
zijn voorgelegd en dan alleen voor zover hij in die klachten door het Regionaal Tuchtcollege
niet-ontvankelijk is verklaard of zijn klachten zijn afgewezen. Nieuwe klachten vallen
buiten het bereik van het beroep. Klaagster heeft in de procedure bij het Regionaal
Tuchtcollege niet geklaagd over de specialisatie van de patholoog, noch over zijn
deskundigheid. Voor zover klaagster daarover ter zitting in beroep nieuwe klachten
uit, is klaagster daarin niet-ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling
4.5 Klaagster vindt dat het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle op grond van artikel
3 lid 5 van het Tuchtrechtbesluit Wet BIG de behandeling van deze zaak had moeten
overdragen aan een aangrenzend bevoegd college. Zij voert hiertoe het volgende aan.
De beklaagde gynaecoloog in de zaak C2020.209 is lid-beroepsgenoot in dat college
en heeft als arts-bestuurder de patholoog, hoewel niet werkzaam in hetzelfde ziekenhuis,
wel ingehuurd en heeft daarom indirect leiding aan hem gegeven. Klaagster is van mening
dat met het behandelen van de klacht door het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle geen
sprake is geweest van transparantie en zuiverheid in de behandeling van haar klacht.
Het Centraal Tuchtcollege volgt klaagster hierin niet en legt hieronder uit hoe deze
beslissing tot stand is gekomen.
4.6 De tekst van artikel 3 lid van het Tuchtrechtbesluit Wet BIG zoals deze gold
tot 1 april 2022 luidt als volgt:
“Indien een klaagschrift is ingediend bij een regionaal tuchtcollege ter zake van
enig in artikel 47, eerste lid, van de wet bedoeld handelen of nalaten van een lid-beroepsgenoot
of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van dat tuchtcollege, verwijst de voorzitter
van het college de zaak naar een aangrenzend regionaal tuchtcollege. De zaak wordt
alsdan behandeld door het tuchtcollege waarnaar is verwezen.”
Bovengenoemd artikel ziet enkel op de persoon tegen wie een tuchtklacht is ingediend
en tevens lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van dat college
is. Het artikel is niet van toepassing op collega’s of op andersoortige samenwerkings-verbanden
met de aangeklaagde persoon. Gelet hierop is het Centraal Tuchtcollege van oordeel
dat het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle de klacht tegen de patholoog kon behandelen,
en dat geen overige feiten of omstandigheden zijn gebleken waardoor het Regionaal
Tuchtcollege in Zwolle de zaak had moeten verwijzen naar een aangrenzend college.
4.7 Voor zover klaagster betoogt dat het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle niet
over de juiste deskundigheid beschikte om de zaak zorgvuldig te behandelen, heeft
klaagster dit niet onderbouwd en is het Centraal Tuchtcollege ook niet gebleken. Voor
het overige heeft klaagster geen beroepsgronden tegen de beslissing van het Regionaal
Tuchtcollege naar voren gebracht.
4.8 De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van klaagster zal worden
verworpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand blijft.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beroep, voor zover daarbij nieuwe klachten
naar voren zijn gebracht;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: S.M. Evers, voorzitter, A.R.O. Mooy en H.M. Wattendorff,
leden-juristen en J. Sietsma en F.W. Jansen, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde,
secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.