Zoekresultaten 1371-1380 van de 47613 resultaten
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:269 Hof van Discipline 's Gravenhage 240379
- Datum publicatie: 22-12-2025
- Datum uitspraak: 22-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:269
Klacht over de eigen advocaat. Bekrachtiging beslissing raad. Het hof stelt, net als de raad, voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet voor het indienen van een klacht een vervaltermijn geldt van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. Voor het aanvangen van de termijn van artikel 46g lid 1 Advocatenwet is niet van belang of klaagster het besef had dat dit handelen mogelijk klachtwaardig zou zijn (vgl. HvD 7 december 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:256). Het gaat om bekendheid met het feitelijke handelen. Hieruit volgt dat de vervaltermijn van drie jaar ten tijde van het indienen van de klacht al was verstreken, zoals de raad ook heeft geoordeeld. Naar het oordeel van het hof zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2025:232 Raad van Discipline Amsterdam 25-207/A/A/D
- Datum publicatie: 22-12-2025
- Datum uitspraak: 22-12-2025
- ECLI:NL:TADRAMS:2025:232
Deze beslissing is om redenen van privacy beperkt weergegeven.Raadsbeslissing. Het dekenbezwaar wordt in alle onderdelen ongegrond verklaard. Niet valt in te zien op welke wijze de verwerende partij (V) het onderzoek naar de identiteit van zijn/haar cliënt(en) anders, of beter had kunnen doen, noch waarom hetgeen hij/zij aan onderzoek heeft gedaan, onvoldoende is geweest. Evenmin kan uit het dekenbezwaar worden afgeleid welk nader onderzoek naar het doel van de opdracht door V (op grond van het bepaalde in artikel 7.2 Voda) was geboden en wat dat nadere onderzoek had kunnen of moeten opleveren, of wat V daarin heeft gemist. De vraag of de cliënten van V juridisch inhoudelijk gezien gelijk hebben, staat los van de vraag of het doel van de aan V verstrekte opdracht duidelijk was. Nu deze laatste vraag bevestigend kan worden beantwoord en niet is gebleken op grond waarvan V nader onderzoek had moeten doen naar het doel van de opdracht, kan V geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt worden. Daarnaast bestaat er geen norm of wetsartikel op grond waarvan het feit dat iemand van strafbare feiten wordt verdacht (of is veroordeeld), een redelijke aanwijzing oplevert voor het vermoeden dat dan óók de diensten van de betreffende advocaat tot die onwettige activiteiten zouden kunnen strekken. Dat blijkt niet uit de inhoud van artikel 7.3 Voda. Het bestaan van de door de deken genoemde “red flags”, maakt in ieder geval niet dat V van zijn/haar bijstand aan zijn/haar cliënten had moeten afzien en/of dat van een uitzondering sprake is. Dat V op grond van de door hem/haar verkregen informatie (nog) dieper had moeten ingaan op de wijze van betaling, valt zonder nadere toelichting door de deken, die ontbreekt, niet in te zien. Vaststaat dat V de betreffende informatie aan de deken heeft laten zien en dat hij/zij aan de deken heeft aangeboden om eventuele nadere vragen te beantwoorden, maar de deken niet op dit aanbod is ingegaan en nooit aan V heeft laten weten waarom de door hem/haar verkregen informatie niet toereikend was. Verder is geen sprake van een schending van Gedragsregel 8. V heeft namens zijn/haar cliënt het (pleitbare) standpunt herhaald; dat mocht hij/zij op deze wijze doen, gelet op de vrijheid die hem/haar toekomt als advocaat van de wederpartij.
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:270 Hof van Discipline 's Gravenhage 240380
- Datum publicatie: 22-12-2025
- Datum uitspraak: 22-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:270
Klacht over het handelen van de advocaat van de wederpartij in een geschil over de beëindiging van het recht op bewoning van een appartement in een kasteel. De Raad van Discipline heeft de klacht, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ongegrond verklaard, omdat niet is gebleken dat verweerder onjuiste informatie heeft verstrekt en evenmin is gebleken dat verweerder klagers belangen onnodig of onevenredig heeft geschaad. Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat verweerder niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen door de vereniging tijdens de verschillende zittingen naar voren is gebracht. Van belang is ook dat verweerder zelf niet bij de zittingen aanwezig was. Met betrekking tot het klachtonderdeel dat verweerder (..) door te dreigen met executie van het uitzettingsvonnis en klager aldus te dwingen tot ondertekening van een VSO met de inhoud waarvan klager uit vrije wil niet zou hebben ingestemd, is het hof van oordeel dat het niet verweerder is die druk van het klager bedreigen met uithuiszetting heeft uitgeoefend. Al om deze reden kan verweerder hiervoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden. Verder is het namens de vereniging gedane voorstel geen dreigement, maar een feitelijke mededeling naar aanleiding van de uitspraak van de kantonrechter waarin klager is veroordeeld het appartement binnen twee weken te ontruimen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:271 Hof van Discipline 's Gravenhage 250446
- Datum publicatie: 22-12-2025
- Datum uitspraak: 22-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:271
Het hof stelt vast dat de klacht ziet op het onderzoek van de deken in de klacht tegen mr. Van G. Klaagster is niet eens met de aanbiedingsbrief die de deken voor beoordeling van de klacht aan de Raad van Riscipline heeft gezonden. Een klacht tegen een -voormalig- deken is geen middel om de inhoud van de aanbiedingsbrief over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen. Daarvoor is het klachtrecht niet bedoeld. Een klager kan de klacht tegen de andere advocaat, na onderzoek en betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Klaagster heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De klacht over mr. van G is inmiddels afgedaan door de Raad van Discipline. Binnen de kaders van die procedure kon klaagster naar voren brengen op welke punten het onderzoek van de deken onjuist of onvolledig was en heeft zij haar klacht nader kunnen toelichten. Dat zij van mening is dat er allerlei manco’s zijn in de tuchtprocedure maakt niet dat zij achteraf kan klagen over de inhoud van de aanbiedingsbrief van de deken. Daarom zal de voorzitter de klacht tegen de -voormalig- deken niet verwijzen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:268 Hof van Discipline 's Gravenhage 240369
- Datum publicatie: 22-12-2025
- Datum uitspraak: 22-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:268
Klacht over advocaat van de wederpartij ongegrond. Hoewel verweerster haar woorden over klager in een e-mail aan de advocaat van klager wellicht anders had kunnen kiezen, is het hof van oordeel dat verweerster met haar opmerking over de geestelijke toestand van klager de grenzen van de vrijheid die haar als advocaat van de wederpartij toekomt bij de behartiging van de belangen van haar cliënte niet heeft overschreden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verweerster steeds in overleg met en met instemming van haar cliënte heeft gehandeld. Daarnaast is het hof van oordeel dat de bewoordingen in de e-mail moeten worden bezien tegen de achtergrond van het tussen klager en zijn ex-echtgenote bestaande geschil over de beëindiging van hun relatie en de zorg voor de kinderen. Tegen die achtergrond zijn de door verweerster in de e-mail gekozen bewoordingen naar het oordeel van het hof niet onbetamelijk.
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:250 Hof van Discipline 's Gravenhage 240152
- Datum publicatie: 19-12-2025
- Datum uitspraak: 01-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:250
Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de eigen advocaat. Klager verwijt verweerder a) juridisch ondermaats te hebben gepresteerd, b) hem onvoldoende te hebben geïnformeerd en op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden te hebben neergelegd, c) geen althans onvoldoende partijdigheid te hebben betracht en onvoldoende in het belang van klager te hebben gehandeld en d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling. Alleen klachtonderdeel b) is gegrond verklaard en aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Klager en verweerder komen hiertegen in beroep. Het hof acht klachtonderdeel a) en d) alsnog gegrond en legt verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken op.
-
ECLI:NL:TACAKN:2025:74 Accountantskamer Zwolle 25/2412 Wtra AK 25/2413 Wtra AK 25/2414 Wtra AK 25/2415 Wtra AK 25/2416 Wtra AK 25/2417 Wtra AK 25/2418 Wtra AK 25/2419 Wtra AK 25/2420 Wtra AK 25/2421 Wtra AK 25/2422 Wtra AK 25/2423 Wtra AK
- Datum publicatie: 19-12-2025
- Datum uitspraak: 19-12-2025
- ECLI:NL:TACAKN:2025:74
Kennelijk ongegronde klacht. Accountants kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van een belastingadviseur en een advocaat. Zij zijn onderworpen aan eigen tuchtrecht.
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:263 Hof van Discipline 's Gravenhage 250338H
- Datum publicatie: 19-12-2025
- Datum uitspraak: 19-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:263
Herzieningsverzoek, niet-ontvankelijk. Artikel 1.3 herzieningsprotocol niet van toepassing. Geen schending van fundamentele rechtsbeginselen in de procedure voorafgaand aan de beslissing waarbij het beklag van verzoeker tegen de beslissing van de deken ongegrond is verklaard.
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:264 Hof van Discipline 's Gravenhage 250236H
- Datum publicatie: 19-12-2025
- Datum uitspraak: 19-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:264
Herzieningsverzoek van klager kennelijk niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TAHVD:2025:265 Hof van Discipline 's Gravenhage 250196H
- Datum publicatie: 19-12-2025
- Datum uitspraak: 19-12-2025
- ECLI:NL:TAHVD:2025:265
Herzieningsverzoek stuit af op artikel 1.3 van het herzieningsprotocol. Verzoeker is geen advocaat aan wie een maatregel is opgelegd. Niet-ontvankelijk.