ECLI:NL:TGZRZWO:2025:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8104
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:133 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8104 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | (kennelijk) ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Verweerster heeft rapportages uitgebracht die gaan over de belastbaarheid van klager in het kader van de Ziektewet. Klager verwijt verweerster dat haar beoordelingen onzorgvuldig zijn geweest en dat onvoldoende rekening is gehouden met informatie die na een second opinion bekend werd. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 28 oktober 2025 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C, verzekeringsarts,
destijds werkzaam in N,
verweerster, hierna ook: de verzekeringsarts,
gemachtigde: mr. I. Veldhuizen, te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager lijdt aan scoliose. Verweerster heeft rapportages uitgebracht die gaan
over de belastbaarheid van klager in het kader van de Ziektewet. Klager verwijt verweerster
– kort gezegd – dat haar beoordelingen onzorgvuldig zijn geweest en dat onvoldoende
rekening is gehouden met informatie die na een second opinion in 2017 bekend werd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 januari 2025;
- de brief van de secretaris aan klager van 28 februari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 18 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 4 juni 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
2.4 Naast deze klacht heeft klager nog klachten ingediend tegen twee andere artsen.
Deze klachten zijn geregistreerd onder zaaknummers Z2025/8105 en Z2025/8106. In alle
zaken wordt gelijktijdig uitspraak gedaan.
3. De feiten
De scoliose
3.1 Bij klager, geboren in 1979, is sprake van een uitgebreide lumbale en thoracale scoliose. Hij werd hiervoor (conservatief) behandeld in F. In het kader van een second opinion werd klager in januari 2017 gezien in G. Daar bleek dat de Cobbse hoeken in de verslaglegging van het F onjuist waren weergegeven. Kort gezegd was de afwijking groter dan waar F vanuit ging. In een brief van15 mei 2017 berichtte de behandelend chirurg van G aan de huisarts van klager dat klager zou worden opgeroepen voor een operatie. Hiervoor was een indicatie aanwezig vanwege de forse Cobbse hoek, waarbij ook verdere progressie werd verwacht. Twee operatieve ingrepen ter correctie en vastzetting van de rug vonden plaats in het najaar van 2018.
De beoordelingen in het kader van de Ziektewet
3.2 Op 10 januari 2014 meldde klager zich ziek vanuit zijn werk als leerling-verpleegkundige
voor 24 uur per week. Het tijdelijk dienstverband werd niet verlengd.
Op 19 december 2014 werd klager in het kader van de zogenaamde eerstejaars ziektewet
beoordeling gezien door een verzekeringsarts. In de rapportage van 19 december 2014
beschreef deze verzekeringsarts dat sprake was van een aanzienlijke structurele scoliose
en dat klager met deze afwijkingen blijvend was aangewezen op rugsparende arbeid.
Klager werd ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid als leerling-verpleegkundige.
De verzekeringsarts stelde een lijst op van de benutbare mogelijkheden van klager
(ook wel Functionele Mogelijkheden Lijst, hierna: FML). In de FML werden beperkingen
vastgelegd voor onder meer buigen, tillen, lopen, zitten en staan. Ook werd aangegeven
dat klager aangewezen was op werk waarbij statische houdingen afgewisseld dienden
te worden met vertreden. Na arbeidsdeskundig onderzoek werd geconcludeerd dat klager
op basis van de FML in staat was diverse functies te verrichten. De ziektewetuitkering
van klager werd met ingang van 10 februari 2015 beëindigd.
3.3 Klager meldde zich op 8 maart 2016 opnieuw ziek. Na beoordeling door een
verzekeringsarts werd klager per 25 juli 2016 belastbaar geacht voor het uitoefenen
van de bij de eerdere beoordeling geduide functies. Na een door klager tegen deze
beslissing gemaakt bezwaar, raakte verweerster als verzekeringsarts in bezwaar betrokken
bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van klager. In haar medische rapportage
van
10 november 2016 concludeerde verweerster dat de primaire verzekeringsarts de beoordeling
voldoende had onderbouwd en dat er geen nieuwe medische feiten waren aangevoerd die
leidden tot een ander oordeel. Zij achtte klager geschikt ten minste één van de eerder
geduide functies (telefonist, receptionist) te verrichten. Het bezwaar werd bij besluit
van 11 november 2016 ongegrond verklaard.
3.4 Op 19 september 2016 volgde een nieuwe ziekmelding door klager. Na het opvragen
en ontvangen van medische informatie werd de Ziektewetuitkering vanaf 24 oktober 2016
beëindigd. Verweerster raakte na een bezwaar van klager tegen dit besluit opnieuw
bij de beoordeling betrokken. Verweerster zag klager op 10 januari 2017. Ten tijde
van het spreekuurcontact was bekend dat klager voor een second opinion was verwezen
naar G. Een datum waarop deze second opinion zou plaatsvinden was nog niet bekend.
Verweerster concludeerde in haar rapportage van 12 januari 2017 dat er geen nieuwe
medische feiten naar voren waren gebracht die een ander beeld van de beperkingen gaven.
Klager werd door verweerster geschikt geacht voor tenminste de functie van telefonist,
receptionist. Het bezwaar van klager werd hierna bij besluit van 8 november 2016 ongegrond
verklaard. Naar aanleiding van het door klager hiertegen ingestelde beroep bracht
verweerster op 21 maart 2017 een rapportage in beroep uit. Hierin ging zij nader in
op nieuwe medische informatie, onder meer van G. Verweerster concludeerde dat uit
de ontvangen medische informatie van G geen nieuwe medische feiten bleken die van
invloed waren op de belastbaarheid van klager. Het door klager ingestelde beroep werd
bij uitspraak van de Rechtbank I van
12 mei 2017 ongegrond verklaard.
3.5 Bij brief van 16 mei 2017 aan het UWV verzocht klager om herziening van alle beslissingen die door het UWV waren genomen na 10 januari 2014. Klager baseerde dit verzoek op nieuwe informatie naar aanleiding van de second opinion in G. Het verzoek om herziening werd afgewezen bij besluit van 9 juni 2017. Klager maakte tegen deze beslissing bezwaar. Na rapportage van verweerster van 17 oktober 2017 werd het bezwaar ongegrond verklaard. Het door klager tegen dit besluit ingestelde beroep werd door de Rechtbank I op 10 juni 2021 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep werd door klager ingetrokken.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4. Klager verwijt verweerster dat zij in 2017:
- geen nieuwe informatie heeft aangevraagd bij de behandelend specialisten in G, ondanks duidelijke aanwijzingen dat er fouten waren in de diagnose;
- bleef vertrouwen op foutieve informatie afkomstig van F, zonder deze te verifiëren met actuele medische rapportages van specialisten;
- een foutieve medische beoordeling liet bestaan, met ernstige gevolgen voor de mentale gezondheid van klager en het financiële gevolg van het niet toekennen van een uitkering.
Klager meent dat sprake is van een structurele onderschatting van zijn klachten door
UWV-artsen en dat zij een medische beoordeling hebben gegeven die afwijkt van de feiten
zoals vastgesteld door orthopedische en neurologische specialisten.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor een verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Daarnaast zijn er eisen die aan een rapportage worden gesteld:
-
- het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
- het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
- in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
- het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
- de rapporteur blijft bij het rapporteren binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerster uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of verweerster in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen.
5.3 Het college stelt vast dat klager zich niet kan vinden in de rapportages en de daarin vervatte conclusies over de belastbaarheid van klager. Klager meent – kort gezegd – dat uit de informatie van G volgt dat eerder ten onrechte werd uitgegaan van minder grote afwijkingen. Toen bekend werd dat de afwijkingen veel groter waren had de belastbaarheid van klager volgens hem dienovereenkomstig (per data in geding) moeten worden bijgesteld.
5.4 Verweerster heeft meerdere keren gerapporteerd. Uit het aanvullend klaagschrift blijkt dat de klacht gaat over het handelen van verweerster in 2017. Dit volgt ook uit de specifieke klachtonderdelen die gaan over het – volgens klager – onvoldoende rekening houden met informatie van G na de second opinion in 2017. Dat betekent dat de klacht in de eerste plaats gaat over de rapportages van 12 januari 2017 en 21 maart 2017. Beide rapportages gaan over de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 24 oktober 2016. De klacht gaat daarnaast over de rapportage van verweerster van 17 oktober 2017. Deze rapportage werd uitgebracht na het door klager ingediende bezwaar na afwijzing van zijn verzoek om herziening van alle besluiten na 10 januari 2014.
5.5 Het college zal hieronder eerst de klachtonderdelen in relatie tot de rapportages van 12 januari 2017 en 21 maart 2017 bespreken en daarna de klachtonderdelen in relatie tot de rapportage van 17 oktober 2017.
Rapportages 12 januari 2017 en 21 maart 2017
5.6 Uit de rapportage van 12 januari 2017 blijkt dat verweerster klager met zijn partner en gemachtigde heeft gesproken op 10 januari 2017. Ook heeft verweerster dossierstudie verricht en alle op dat moment beschikbare (medische) informatie betrokken. Zij heeft in het rapport beschreven waarom zij meende dat er geen nieuwe informatie was die zou moeten leiden tot een ander oordeel over de belastbaarheid van klager per 24 oktober 2016.
Rapportages 12 januari 2017 en 21 maart 2017
5.6
Uit de rapportage van 12 januari 2017 blijkt dat verweerster klager met zijn partner
en gemachtigde heeft gesproken op 10 januari 2017. Ook heeft verweerster dossierstudie
verricht en alle op dat moment beschikbare (medische) informatie betrokken. Zij heeft
in het rapport beschreven waarom zij meende dat er geen nieuwe informatie was die
zou moeten leiden tot een ander oordeel over de belastbaarheid van klager per 24 oktober
2016.
5.7 De rapportage van 21 maart 2017 is een korte rapportage naar aanleiding van door klager in beroep naar voren gebrachte nieuwe informatie, waaronder een brief van 1 februari 2017 van G. In deze brief worden Cobbse hoeken beschreven die fors groter zijn dan eerder door F beschreven. De conclusie in de brief is dat sprake is van uitgebreide lumbale en thoracale scoliose. Als beleid wordt genoemd dat een MRI wervelkolom zal plaatsvinden en dat klager daarna retour zal worden gezien. Verweerster heeft in haar rapportage uiteengezet dat de conclusie voor klager van belang is omdat hij meer duidelijkheid rondom klachten en behandeling heeft kunnen krijgen, maar dat in de informatie nog geen andere conclusie is gesteld dan dat er sprake is van een uitgebreide lumbale en thoracale scoliose. Die conclusie gaf geen nieuwe medische feiten die van invloed zijn op de belastbaarheid op 24 oktober 2016, aldus verweerster.
5.8 Het college is van oordeel dat er op het moment van het opstellen van de rapportages
van 12 januari 2017 en 21 maart 2017 geen aanleiding was voor het opvragen van informatie
bij G. Ten tijde van de rapportage van 12 januari 2017 was wel bekend dat een second
opinion zou plaatsvinden, maar nog niet wanneer dit zou gebeuren. Het opvragen van
informatie bij G was op dat moment dan ook niet aan de orde. Ook op 21 maart 2017
was er geen aanleiding nadere informatie op te vragen. De brief van 1 februari 2017
van G beschreef de conclusies tot dan toe en dat nog nader onderzoek zou plaatsvinden.
Gezien de stand van de procedure (de zaak lag op dat moment ter beoordeling
voor aan de rechtbank) mocht verweerster ervan uitgaan dat klager nieuwe informatie
die
van belang was voor de beoordeling in zou brengen in die procedure. Dit betekent
dat klachtonderdeel a) waar het de rapportages van 12 januari 2017 en 21 maart 2017
betreft niet slaagt.
5.9 Het verwijt dat verweerster in deze rapportages ten onrechte bleef vertrouwen op informatie van F (klachtonderdeel b) slaagt evenmin. Bij de beoordeling van de mogelijkheden om arbeid te verrichten is verweerster uitgegaan van eerder door haar verricht lichamelijk onderzoek van klager, anamnese, gegevens uit rapportages van eerder betrokken verzekeringsartsen én informatie van de destijds behandelend specialisten. Al in een rapportage (van de destijds betrokken verzekeringsarts) van 19 december 2014 is beschreven dat sprake is van een aanzienlijke structurele scoliose en dat klager met deze afwijkingen blijvend is aangewezen op rugsparende arbeid. Zowel de informatie vanuit F als de informatie 1 februari 2017 van G bevestigt de aanwezigheid van een uitgebreide scoliose. De conclusie van verweerster dat de informatie vanuit G niet tot een ander oordeel leidde over de belastbaarheid van klager op24 oktober 2016 is niet onzorgvuldig. Bij de beoordeling was immers al uitgegaan van het bestaan van een aanzienlijke scoliose, wat ook paste bij de bevindingen van G.
5.10 Uit het voorgaande volgt dat van het laten voortbestaan van een foutieve medische beoordeling met de rapportages van 12 januari 2017 en 21 maart 2017 geen sprake was. Dat betekent dat ten aanzien van de rapportages van 12 januari 2017 en 21 maart 2017 ook klachtonderdeel c) niet slaagt.
Rapportage 17 oktober 2017
5.11 De rapportage van verweerster van 17 oktober 2017 is opgesteld naar aanleiding
van een verzoek om herziening van de eerder door het UWV genomen besluiten. Het gaat
om de besluiten de Ziektewetuitkering van klager te beëindigen per 10 februari 2015
(besluit 1), 25 juli 2016 (besluit 2) en 24 oktober 2016 (besluit 3).
5.12 Uit de rapportage van 17 oktober 2017 blijkt dat verweerster klager met zijn
partner en gemachtigde heeft gezien op het medisch spreekuur van 19 september 2017.
Ook heeft zij het dossier bestudeerd en informatie van G van 1 februari 2017, 10 april
2017 en 15 mei 2017 bij haar beoordeling betrokken. In de rapportage beschrijft verweerster
voorts dat klager vertelde dat G op schrift wilde stellen dat F de beeldvorming verkeerd
had beoordeeld en dat hij dat van belang vond voor de vaststelling van de belastbaarheid.
Verweerster sprak af dat klager informatie zou toesturen van G en de letselschadeadvocaat.
Deze informatie is niet ontvangen, waarna verweerster het rapport heeft afgerond.
Verweerster concludeert in haar rapportage dat de nieuw aangeleverde informatie geen
andere kijk geeft op de belastbaarheid van klager per 10 februari 2015, 25 juli 2016
en 24 oktober 2016. In haar rapportage schrijft zij daarover:
“In de reeds ingebrachte medische informatie is te lezen dat er sprake is van een
forse lumbale scoliose en een forse thoracale scoliose. Deze diagnose is niet anders
dan de reeds bekende bij de eerdere beoordelingen. G ziet op basis van verder te verwachten
progressie wel een indicatie tot operatie.
Bij de eerdere beoordelingen is de belastbaarheid vastgelegd op grond van de gestelde
diagnose en de daaruit volgende mogelijkheden en beperkingen, welke werden gecompleteerd
met de activiteiten passende bij de diagnose.
Het is voor de beoordeling van de belastbaarheid van cliënt op de data in geding
niet van belang wat de precieze hoeken en graden van de scoliose zijn. Deze informatie
is vooral van belang voor de behandelmogelijkheden en de prognose.
Het geheel overziend zijn er geen nieuwe medische gegevens aangeleverd die een andere
kijk op de belastbaarheid op datum in geding geven.”
5.13 Het college is van oordeel dat verweerster bij haar beoordeling uit kon gaan van de beschikbare medische informatie. Voor het opvragen van nadere informatie bij G was geen aanleiding. De situatie van klager inclusief de beschrijving van de door G aanwezig geachte operatie-indicatie was bekend en er waren geen aanwijzingen dat er na de brief van G van 15 mei 2017 nog nieuwe zaken naar voren waren gekomen die aanleiding zouden zijn voor een ander oordeel over de belastbaarheid van klager per 10 februari 2015, 25 juli 2016 en 24 oktober 2016. Daar komt bij dat het gezien de aard van de procedure (een verzoek om herziening van eerdere besluiten) op de weg van klager lag nieuw gebleken feiten naar voren te brengen die zouden moeten leiden tot de herziening van de eerder genomen besluiten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat klachtonderdeel a) ook voor wat betreft de rapportage van 17 oktober 2017 ongegrond is.
5.14 Ook klachtonderdeel b) is ongegrond. Bij de beoordeling of er (medische) gronden waren om terug te komen op de eerder genomen besluiten heeft verweerster de hiervoor onder 5.12 beschreven gegevens en informatie meegewogen. Verweerster heeft vervolgens inzichtelijk en consistent uiteengezet dat bij de eerdere medische beoordelingen al werd uitgegaan van een forse lumbale en thoracale scoliose en dat het voor de belastbaarheid van klager op de data in geding niet van belang is wat de precieze hoeken en graden van de scoliose zijn. Deze conclusie is niet onzorgvuldig. De eerder vastgestelde belastbaarheid per 10 februari 2015, 25 juli 2016 en 24 oktober 2016 was niet onverenigbaar met de latere constatering dat de destijds aanwezige Cobbse hoeken groter waren dan uit de informatie van F naar voren kwam. De conclusie van verweerster kwam dus niet voort uit het ten onrechte vasthouden aan (deels) onjuiste informatie van F en het in twijfel trekken van de latere constateringen door G. De conclusie kwam voort uit de terechte overweging van verweerster dat bij de beoordeling van de belastbaarheid al uit was gegaan van een forse scoliose en dat daarbij de exacte grootte van de Cobbse hoeken op zichzelf niet van doorslaggevende betekenis zijn voor de belastbaarheid.
5.15 Uit het voorgaande volgt ook dat van het laten voortbestaan van een foutieve medische beoordeling met de rapportage van 17 oktober 2017 geen sprake was. Dat betekent dat klachtonderdeel c) evenmin slaagt waar het de rapportage van 17 oktober 2017 betreft.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 28 oktober 2025 door M.J.C. Dijkstra, voorzitter,
H.A.M. Veneman en M.L.A. Kleinjan-Lüschen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M. Keukenmeester, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.