ECLI:NL:TGZRAMS:2025:261 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8035

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:261
Datum uitspraak: 31-10-2025
Datum publicatie: 31-10-2025
Zaaknummer(s): A2025/8035
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een arts destijds werkzaam als basisarts op een geriatrische revalidatieafdeling van een verpleeghuis. Klaagster is de dochter van een patiënt die daar was opgenomen, de arts was de hoofdbehandelaar (de supervisor van de arts is de verwerende partij inzake A2025/8036). De zaak gaat over de vraag of de arts op de juiste wijze is omgegaan met de doods-/euthanasiewens van de patiënt en of zij aanwezig had moeten zijn bij het vertrek van de patiënt uit het verpleeghuis om persoonlijk afscheid van hem te nemen, de dag voordat hij naar huis zou gaan om daar euthanasie verleend te krijgen door een andere arts. Alle onderdelen van de klacht zijn ongegrond.

A2025/8035
Beslissing van 31 oktober 2025


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 31 oktober 2025 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: C,

tegen

D,
arts, ANIOS ouderengeneeskunde,
destijds werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigden: mr. L. Bartelsman en mr. L.L. Poyé, werkzaam in Amsterdam.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Ten tijde van de klacht was de arts werkzaam als basisarts op een geriatrische revalidatieafdeling van verpleeghuis F, onderdeel van zorginstelling G (hierna: G). Klaagster is de dochter van de 87-jarige patiënt die hier was opgenomen (hierna: de patiënt). Naast de dochter van de patiënt waren ook de zoon en echtgenote nauw betrokken (hierna: de familie). De patiënt was opgenomen ter revalidatie, met als doel terugkeer naar huis. De arts was zijn hoofdbehandelaar. De supervisor van de arts is in zaak A2025/8036 betrokken als verwerende partij.

1.2 De zaak gaat over de vraag of de arts op de juiste wijze is omgegaan met de doods-/euthanasiewens van de patiënt en of zij aanwezig had moeten zijn bij het vertrek van de patiënt uit G om persoonlijk afscheid van hem te nemen, de dag voordat hij naar huis zou gaan om daar euthanasie verleend te krijgen door een andere arts.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen (waaronder een USB-stick), ontvangen op 15 januari 2025;
- het verweerschrift met de bijlage.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 19 september 2025. De partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. Wat is er gebeurd?
3.1 Van 1 februari tot en met 5 juni 2024 is de patiënt (87 jaar oud) opgenomen geweest op een geriatrische revalidatieafdeling van G (afdeling revalidatie H). Deze opname was bedoeld ter revalidatie, met als uiteindelijke doel: terugkeer naar huis. De arts was, in haar hoedanigheid van ANIOS Ouderengeneeskunde, zijn hoofdbehandelaar.

3.2 Voorafgaand aan zijn opname in G was patiënt bekend met de diagnose dementie. Daarnaast heeft hij diverse acute medische problemen gehad, zoals een bloeding binnen de schedel (subduraal hematoom) en meerdere delirante episodes, onder meer na een urineweginfectie, waarvoor hij opgenomen is geweest in het ziekenhuis en in een ander verpleeghuis. Bij opname van de patiënt in G op 1 februari 2024 wordt in het medisch dossier van de patiënt bij de intake het volgende genoteerd:


Revalidatie na acuut op chronisch subduraal hematoom, met daarbij tonisch-clonische insulten en tevens delier op basis van onderliggende UWI.
Analyse
WENS/DOEL
Dhr is gemotiveerd om te revalideren en zou het liefst naar huis willlen.
ANAMNESE
Kan zich niets herinneren van de hele aanloop naar de opname. Geeft ook aan nu nergens last van te hebben. Nergens pijn. Wel weinig kracht in de benen. Gevraagd naar doelen van de revalidatie stelt dhr dat hij thuis zichzelf wil kunnen redden, en dat hij op de scootmobiel zou willen rijden
.”
(alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven)

3.3 Op 24 februari 2024 heeft een van de verpleegkundigen van G van de familie van de patiënt vernomen dat de patiënt een doodswens heeft. Hierover is in het medisch dossier opgenomen:

Doodswens
[naam zorgmedewerker] (Contactverzorgende)
za 24-02-2024, 20:10
Dhr. heeft aan zijn familie kenbaar gemaakt dat dhr. in zijn huidige situatie niet meer verder wil leven. Dhr. zijn familie respecteert dhr. zijn wens en gaat hiermee aan de gang.


3.4 Op 26 februari 2024 is de patiënt op zijn hoofd gevallen, waarna hij een wisselend bewustzijn heeft. De arts is daarop met spoed bij de patiënt langs gegaan om hem te beoordelen. Zij heeft enkele uren daarna opnieuw een beoordeling verricht, na observatie door de verzorgenden van het gedrag van patiënt na de val. In een daaropvolgend overleg tussen de familie van de patiënt en de arts worden de geldende behandelbeperkingen besproken. Ook brengt de familie onder de aandacht van de arts dat er sprake is van een euthanasiewens van de patiënt. In het medisch dossier staat daarover onder meer het volgende vermeld:


“[Naam arts] (arts)
ma 26-02-2024, 15:02
(…)
Conclusie
Volgens familie: wens tot euthanasie van dhr
Beleid
Euthanasiewens kunnen we bespreken bij het volgende voortgangsgesprek


3.5 De familie heeft in dit gesprek naar voren gebracht dat de patiënt in het voorafgaande weekend meerdere malen had aangegeven ‘er klaar mee te zijn'. De arts heeft daarop te kennen gegeven dat het onderzoeken van een euthanasiewens bij de patiënt in zijn huidige situatie niet zo gemakkelijk ligt, met het oog op het ontstane delier en de reeds langere tijd spelende verwardheidsklachten voortkomend uit de dementie. Gezien de recente ontwikkelingen (acute beoordeling bij de val) en het wisselende bewustzijn van patiënt acht de arts dit geen geschikt moment om zijn euthanasieverzoek te bespreken. De arts heeft daarop voorgesteld de euthanasiewens te bespreken tijdens het tweede voortgangsgesprek, dat gepland stond voor 13 maart 2024.

3.6 Voorafgaand aan het tweede voortgangsgesprek heeft de arts tweemaal contact gehad met de huisarts van de patiënt over zijn euthanasiewens. Op 28 februari 2024 heeft de huisarts aan de arts gevraagd of zij bekend is met de euthanasiewens van de patiënt. De huisarts heeft haar toen verteld dat hij van de familie een filmpje had ontvangen (met als daarbij vermelde datum 25 februari 2024) waarin de patiënt spreekt over zijn doodswens. De arts heeft daarop aan de huisarts bevestigd dat zij op de hoogte is van de doodswens, dat zij dit tijdens het voortgangsgesprek op 13 maart 2024 met de familie zal bespreken en heeft hem gevraagd of de patiënt een wilsverklaring met betrekking tot euthanasie had. De huisarts zou dat opzoeken.


3.7 Op 13 maart 2024 heeft de arts voor het voortgangsgesprek nogmaals kort overleg gevoerd met de huisarts over de euthanasiewens van de patiënt en het voorgestane behandelbeleid. De huisarts heeft de arts toen verteld dat hij de euthanasiewens had besproken, dat hij de voorwaarden voor euthanasie met de familie had doorgenomen en dat euthanasie wat hem betreft op dat moment niet aan de orde was. Klaagster heeft ter zitting laten weten dat de euthanasiewens van haar vader op dat moment ook nog niet acuut was.

3.8 In het gesprek op 13 maart 2024 hebben de arts en de supervisor van de arts aan de familie gezegd dat er nauwelijks vooruitgang in de revalidatie werd gezien en dat er daarom een indicatie was ontstaan voor opname in een verpleeghuis. De familie heeft daarop verzocht de patiënt naar een hospice te laten gaan in plaats van naar een verpleeghuis, vanwege zijn euthanasiewens. Daarop heeft de arts hen gezegd dat euthanasie ingewikkeld ligt, met name vanwege de vereiste wilsbekwaamheid ten aanzien van het euthanasieverzoek en heeft zij de familie geopperd contact te zoeken met I (voorheen: J). Over dit gesprek is in het medisch dossier van de patiënt onder meer het volgende opgenomen:

[Naam arts] arts
Wo 13-03-2024 10:28
Analyse
Aanwezig: Echtgenote, dochter en zoon, K, [naam supervisor arts], ikzelf arts
Afwezig: [naam patiënt] zelf
Meteen bij het gesprek aangegeven door arts: nauwelijks voortgang in revalidatie, daarom voorstel tot aanvraag indicatie voor verpleeghuis.
Indicatie 5 ivm dementie
Reactie daarop vanuit familie: dhr heeft meerdere keren een doodswens aangegeven, wilt euthanasie, hebben hierover ook contact gehad met de huisarts. De huisarts zou hebben aangegeven dat er delier in het dossier staat en dat euthanasie dan is uitgesloten.
Familie zou graag willen dat dhr naar een hospice gaat ipv naar een verpleeghuis.
Door [naam supervisor arts] uitgebreid uitgelegd wat een hospice en euthanasie inhoudt en aan welke voorwaarden voldaan moeten worden. We moeten dit stap voor stap volgen
- Hij is hier ter revalidatie: revalideren lukt nu niet, volgende stap is verpleeghuis want naar huis kan niet
- Hospice levensverwachting < 3 maanden; hier voldoet hij niet aan –
- Euthanasie is ingewikkeld, moet voldoen aan de zorgvuldigheidseisen; dit omvat oa vrijwillig, euthanasie kunnen uitleggen, persisterende wens, onafhankelijke arts erbij, het lijden moet ondraaglijk en uitzichtloos zijn, geen cognitieve stoornissen of stemmingsstoornissen
Familie vraagt zich af of hij niet kan stoppen met medicatie en eten/drinken, dit had de huisarts aangegeven. Sommige hospices werken hieraan mee hebben zij gehoord
-> Besproken dat dit erg ingewikkeld ligt en dat daar dan duidelijke afspraken over moeten zijn. Wellicht kan in verpleeghuis verder gekeken worden naar doodswens/euthanasie. J benoemt, indien arts in verpleeghuis niet in kan staan voor euthanasie

Familie benoemt dat dhr een wilsverklaring heeft uit 2021; is dit geldig?
-> besproken dat dit geen vrijbrief is voor euthanasie maar dat het veel ingewikkelder ligt.
Plan voor nu: Eerst indicatie aanvraag doen, dan verpleeghuis plek aanmelding”


3.9 In het gesprek is voorts gesuggereerd dat wellicht in het verpleeghuis het euthanasieverzoek verder zou kunnen worden onderzocht, naast de mogelijkheid tot inschakeling van het I. Het gesprek is afgesloten met het volgende behandelplan: eerst zou een indicatieaanvraag worden gedaan en vervolgens zou aanmelding volgen voor een plek in een verpleeghuis. Ten slotte zijn de behandelbeperkingen besproken en is de medicatie van de patiënt gesaneerd, met het oog op zijn doodswens.

3.10 Op 26 april 2024 heeft de arts van een verpleegkundige vernomen dat de patiënt die dag was bezocht door een arts van het I. Het euthanasietraject bij het I was in gang gezet. Aangezien de patiënt mentaal en emotioneel erg bezig was met zijn euthanasieverzoek en zijn naderende levenseinde heeft de arts hem doorverwezen naar een geestelijk verzorger van G, die meerdere gesprekken met de patiënt hierover heeft gevoerd.

3.11 Op 1 mei 2024 heeft de arts van het I telefonisch contact opgenomen met de arts met het verzoek of een specialist oudergeneeskunde binnen G die niet betrokken was bij de behandeling van de patiënt, bereid zou zijn als tweede (onafhankelijke) arts te beoordelen of de patiënt wilsbekwaam was ten aanzien van zijn euthanasieverzoek en of sprake was van uitzichtloos lijden. Deze beoordeling dient te geschieden in de vorm van een verslag (een second opinion). Dit is een eis die geldt indien twijfel bestaat over de wilsbekwaamheid van de patiënt ten aanzien van het euthanasieverzoek (EuthanasieCode 2022, p. 50).

3.12 De arts heeft dit verzoek op 6 mei 2024 besproken in het artsenoverleg. Aldaar is besloten om, vanwege de vereiste onafhankelijkheid, deze beoordeling niet te laten doen door een van de specialisten ouderengeneeskunde van G, maar voor deze beoordeling te verwijzen naar L. De arts heeft deze conclusie op dezelfde dag teruggekoppeld aan de arts van I.

3.13 Op 27 mei 2024 heeft de arts telefonisch contact gezocht met klaagster over de datum van de geplande euthanasie van de patiënt. Eerder was 26 mei 2024 als beoogde datum genoemd. De arts vernam toen van klaagster dat op 26 mei 2024 de SCEN-arts was langs geweest en dat de euthanasie nu gepland stond voor 6 juni 2024. Afgesproken is dat de patiënt op 5 juni 2024 naar huis zou gaan, zodat de euthanasie de daaropvolgende dag thuis zou kunnen plaatsvinden.

3.14 Op 5 juni 2024 rond 11:00 uur is de patiënt door zijn familie opgehaald uit G. Vlak daaraan voorafgaand is de arts bij de patiënt langsgegaan om afscheid van hem te nemen. De familie van de patiënt was hierbij niet aanwezig. In het dossier is hierover opgenomen:


[Naam arts] arts
wo 05-06-2024, 10:31
Analyse (…)
Langsgegaan om afscheid te nemen
- Dhr zit in de rolstoel; op de gang gesproken
- Ik geef aan dhr gedag te zeggen (…)
- Het beste gewenst
Conclusie
Afscheid

3.15 Op 6 juni 2024 is de patiënt thuis overleden door middel van euthanasie, verleend door een arts van I.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster verwijt de arts dat zij:
a) ondanks herhaalde mondelinge en schriftelijke verzoeken van patiënt nooit een gesprek heeft gevoerd over zijn euthanasiewens, ook niet nadat bekend was dat hij was aangemeld bij I;
b) bij het vertrek van patiënt uit G op 5 juni 2024 om de volgende dag euthanasie verleend te krijgen door een andere arts, niet aanwezig is geweest om afscheid van hem te nemen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel a) Geen gesprek hebben gevoerd over de euthanasiewens, ondanks verzoeken hiertoe

5.2 De familie van de patiënt en de arts hebben een ander beeld van hoe vaak en hoe indringend de patiënt zijn euthanasiewens jegens de arts zou hebben geuit. De arts heeft gesteld dat de euthanasiewens pas vanaf 12 april 2024 door de patiënt zelf naar voren is gebracht en daarvoor alleen door de familie. In het dossier wordt op 29 februari, 12 april, 14 april en 21 april 2024 gerapporteerd dat de patiënt zelf een euthanasiewens heeft geuit, maar dit heeft hij steeds alleen aan verpleegkundigen gedaan, niet aan de arts.

5.3 Vaststaat dat bij de intake van de patiënt op de geriatrische revalidatieafdeling van G op 1 februari 2024 de optie van euthanasie niet is besproken. De euthanasiewens was op dat moment bij de patiënt nog niet acuut. Wel had hij, vermoedelijk in 2021, aan zijn huisarts een schriftelijk euthanasieverzoek overhandigd, maar dit schriftelijke euthanasieverzoek was niet bekend bij de arts, was niet aanwezig in het medisch dossier van G en is niet besproken bij de intake.

5.4 Het college acht het aannemelijk geworden dat de wens tot euthanasie bij de patiënt pas acuut werd na de val op zijn hoofd op 24 februari 2024. De familie van de patiënt heeft vanaf dat moment aangedrongen bij de arts op het verrichten van een nader onderzoek naar de euthanasiewens, maar de arts vond dit geen geschikt moment, gezien de toenmalige medische situatie van de patiënt: hij was delirant (naast de bestaande verwardheid door dementie). De arts heeft toen aangekondigd het euthanasieverzoek te bespreken op het tweede voortgangsgesprek dat gepland stond voor 13 maart 2024.

5.5 In dat gesprek heeft de arts de familie laten weten dat zij niet bereid is het euthanasieverzoek van de patiënt te beoordelen, omdat zij geen euthanasieverzoek wil onderzoeken van een patiënt die lijdt aan dementie. De arts heeft geopperd dat het euthanasieverzoek van de patiënt mogelijk beoordeeld zou kunnen worden door een arts van het verpleeghuis waar de patiënt naar verwachting op korte termijn naar toe zou verhuizen of door een arts van I.

5.6 Op de arts rust geen verplichting een euthanasieverzoek te beoordelen. Volgens de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding heeft de patiënt geen recht op euthanasie en heeft de arts geen plicht tot het verlenen van euthanasie. Wel moet de arts tijdig aan de patiënt kenbaar maken als hij om principiële redenen niet bereid is het euthanasieverzoek te onderzoeken. Ook geldt het in dat geval als een professionele verantwoordelijkheid de patiënt te verwijzen naar een andere arts die mogelijk bereid is het euthanasieverzoek te onderzoeken. Hieraan heeft de arts voldaan.

5.7 Daar komt nog het volgende bij. De afdeling waar de patiënt was opgenomen en waar de arts werkzaam was, betreft een geriatrische revalidatieafdeling. Dit is een afdeling waar een patiënt kortdurend verblijft, in de regel hooguit 6 weken. Daarna vertrekt de patiënt naar huis of naar een ‘passende vervolgoplossing’, zoals opname in een verpleeghuis.

5.8 Het tijdsverloop in deze zaak geeft het volgende beeld. Op 1 februari 2024 is de patiënt opgenomen op G. Op 24 februari 2024 is de euthanasiewens van de patiënt acuut geworden, maar had de patiënt een wisselend bewustzijn. Op 13 maart 2024 heeft de arts duidelijk gemaakt dat zij het euthanasieverzoek niet nader wilde gaan onderzoeken en heeft zij de patiënt voor wat betreft zijn euthanasieverzoek doorwezen naar de specialist ouderengeneeskunde van het verpleeghuis waar de patiënt mogelijk naar toe zou verhuizen en/of naar het I. Het college acht de handelwijze van de arts niet in strijd met de medisch-professionele standaard.

5.9 Klaagster heeft aangevoerd dat de arts gesprekken had moeten voeren met de patiënt over zijn euthanasieverzoek, ook toen het onderzoek naar het euthanasieverzoek inmiddels was opgepakt door een arts van het I. Het college acht dit niet juist. Uitsluitend de arts die is overgegaan tot een beoordeling van het euthanasieverzoek is gehouden dit onderzoek vorm te geven, onder meer door hierover gesprekken te voeren met de patiënt. Het ligt in dat geval niet op de weg van andere artsen die de patiënt behandelen om met hem te spreken over zijn euthanasieverzoek, althans: zij zijn hier in ieder geval niet toe gehouden. Bovendien heeft de arts de patiënt wel verwezen naar een geestelijk verzorger om met deze te spreken over zijn naderende euthanasie.

5.10 Klachtonderdeel a is ongegrond.

Klachtonderdeel b) Niet aanwezig geweest bij het vertrek van de patiënt uit G om afscheid van hem te nemen
5.11 Uit het medisch dossier en uit hetgeen hierover is besproken ter zitting blijkt dat de arts op 5 juni 2024 afscheid heeft genomen van de patiënt, op de gang, kort voor hij naar huis zou gaan om daar de volgende dag euthanasie verleend te krijgen. De familie van de patiënt was hierbij niet aanwezig. Dit klachtonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag.

5.12 Klachtonderdeel b is ongegrond.

Slotsom
5.13 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, E. Pans, lid-jurist, J. Schuur, A.G.M. Beckers en A. Wewerinke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2025.