ECLI:NL:TADRSGR:2025:206 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-092/DH/RO 25-093/DH/RO
| ECLI: | ECLI:NL:TADRSGR:2025:206 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-10-2025 |
| Datum publicatie: | 30-10-2025 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzetbeslissing. Geen aanleiding om te twijfelen aan juistheid van de voorzittersbeslissing. Verzet slaagt niet. De voorzitter heeft voor de beoordeling van beide klachten het juiste toetsingskader gebruikt. Ook heeft de voorzitter rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die uit de klachtdossiers blijken. Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 20 oktober 2025
in de zaken 25-092/DH/RO en 25-093/DH/RO
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad
van discipline van 16 april 2025 op de klachten van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 14 juni 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht (25-092/DH/RO) ingediend over
verweerster.
1.2 Op 31 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een tweede klacht (25-093/DH/RO) ingediend
over verweerster.
1.3 Op 12 februari 2025 heeft de raad de klachtdossiers met kenmerken R 2025/017
en R 2025/018 van de deken ontvangen.
1.4 Bij beslissing van 16 april 2025 heeft de voorzitter van de raad (hierna
ook: de voorzitter) de twee klachten van klager kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.5 Op 8 mei 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum digitaal ontvangen.
1.6 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 25 augustus 2025. Klager
was daarbij aanwezig. Verweerder heeft de raad op 25 augustus 2025 bericht niet op
de zitting te kunnen verschijnen.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift. Daarnaast heeft de raad kennisgenomen van de pleitnota van
klager en van hetgeen klager ter zitting overigens nog naar voren heeft gebracht.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat klager het
niet eens is met de beslissing van de voorzitter van 16 april 2025. In dat verband
heeft klager erop gewezen dat in de voorzittersbeslissing onder ‘Feiten’ staat dat
sprake is van één klacht, terwijl de deken twee klachten heeft behandeld en de voorzitter
heeft beslist op twee onderscheiden klachten.
Verder stelt klager dat de voorzitter een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd.
Volgens klager vormt de toetsing of verweerster heeft gehandeld met de zorgvuldigheid
die van een redelijk bekwame en redelijke handelend advocaat in de gegeven omstandigheden
mag worden verwacht een te beperkte uitleg van hetgeen de voorzitter conform artikel
46 Advocatenwet behoort te toetsen. Daarbij merkt klager op dat de voorzitter niet
heeft onderkend dat inbreuken door advocaten op hetgeen is bepaald in artikel 10a
lid 1 aanhef en onder c Advw (deskundigheid) onderworpen zijn aan het tuchtrecht.
Tot slot stelt klager dat beide klachten gegrond moeten worden verklaard, omdat
verweerster zich onvoldoende heeft ingespannen hem telefonisch te bereiken om de zaak
voorafgaand aan de zitting bij de politierechter te bespreken. Ook had verweerster
hem moeten informeren over het feit dat de beslissing van de politierechter pas rechtskracht
krijgt na digitale ondertekening daarvan door de politierechter, zodra zij kennis
droeg van de ondertekende beslissing, aldus klager.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijvingen komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHTOMSCHRIJVINGEN
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klachten verwijst de
raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klachten inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voorzittersbeslissing
van 16 april 2025. Het verzet slaagt dan ook niet. Hoewel in de voorzittersbeslissing
onder de ‘Feiten’ abusievelijk is vermeld dat sprake is van de beoordeling van één
klacht, blijkt uit de verdere inhoud van de beslissing dat de voorzitter beide klachten
van klager over verweerster inhoudelijk heeft beoordeeld. Van een gebrek aan feitelijke
grondslag is dan ook geen sprake.
Verder stelt de raad vast dat de voorzitter het juiste toetsingskader heeft gebruikt
voor de beoordeling van de twee klachten van klager en dat de voorzitter ten aanzien
van beide klachten rekening heeft gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden
zoals die uit de klachtdossiers blijken. De klachten van klager gaan over de kwaliteit
van de dienstverlening van verweerster als voormalig advocaat van klager en de voorzitter
heeft die kwaliteit getoetst aan de normen zoals vastgelegd in artikel 46 Advocatenwet.
Tot deze normen behoren ook de in artikel 10a Advocatenwet genoemde kernwaarden, waaronder
de kernwaarde deskundigheid. Dat de voorzitter dit in zijn beslissing niet letterlijk
in het toetsingskader heeft benoemd, maakt de beslissing van de voorzitter niet onjuist.
Ter zitting heeft klager desgevraagd toegelicht dat verweerster ervoor had moeten
zorgen dat haar brief hem had bereikt, bijvoorbeeld door de brief via aangetekende
post te versturen. Daarbij heeft klager opgemerkt dat hij door het handelen van verweerster
geen schade heeft geleden, maar dat hij het in het algemeen belang belangrijk vindt
dat advocaten zich er actief van vergewissen dat belangrijke berichten de cliënt daadwerkelijk
bereiken. Hoewel de raad begrip heeft voor de toelichting van klager leidt die toelichting
niet tot de conclusie dat de voorzittersbeslissing onjuist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klachten.
De raad zal het verzet daarom in beide klachtzaken ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet in beide klachtzaken ongegrond.
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. M. van Eck,
E.A.L. van Emden, D.G.M. van den Hoogen en A.N. Kampherbeek, leden, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden 20 oktober 2025