Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 1-10 van de 401 resultaten

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:15 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/02 VB 2020/03

    Kat. Dierenartsen hebben in de gegeven omstandigheden gehandeld conform hetgeen van hen redelijkerwijs mocht worden verwacht. Niet is gebleken dat de dierenartsen in hun handelen of nalaten zodanig veterinair tekort zijn geschoten dat de dierenartsen een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De beroepen zijn ongegrond.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:16 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2019/20 VB 2019/21

    Klaagster kan in haar klacht worden ontvangen, maar het Veterinair Beroepscollege zal de klacht tegen de dierverloskundige alsnog ongegrond verklaren. Met betrekking tot de dierenarts moet samenvattend worden geconcludeerd dat het anesthesieprotocol met betrekking tot de keuze en/of dosering van de diergeneesmiddelen een ondeugdelijk protocol was voor de indicatie waarvoor het gebruikt werd en dat in het protocol onvoldoende aandacht was voor controle van parameters tijdens de operatie. Maatregel van berisping.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:17 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/06

    Het Veterinair Beroepscollege komt tot de slotsom dat de dierenarts ernstig te kort is geschoten zowel bij de operatieve ingreep op 17 mei 2017, als in de nazorg en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het beroep is daarom gegrond. Dit betekent dat de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege zal worden vernietigd en dat de klacht alsnog gegrond zal worden verklaard. Het Veterinair Beroepscollege is van oordeel dat eerdere tuchtrechtelijke maatregelen de dierenarts kennelijk niet hebben gebracht tot een meer zorgvuldig veterinair handelen, zodat, mede vanuit preventief oogpunt, een zwaardere sanctie op zijn plaats is. Het Veterinair Beroepscollege acht het daarom passend en geboden de dierenarts de maatregelen op te leggen van een onvoorwaardelijke geldboete van € 2.500,00 en een voorwaardelijke schorsing voor een periode van een jaar met een proeftijd van twee jaar.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:13 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/01

    Paard. Niet is gebleken van een diergeneeskundige noodzaak en de daarvoor vereiste onderbouwing voor de door de dierenarts toegepaste zeer hoge doseringen Procapen, waarmee hij niet alleen is afgeweken van de registratiebeschikking maar ook van hetgeen in het Formularium Paard wordt geadviseerd. In zoverre heeft de dierenarts tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en is het beroep gegrond. Geen oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:14 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/08

    Kat. Niet is gebleken dat de dierenarts in zijn voormeld handelen of nalaten zodanig veterinair tekort is geschoten dat de dierenarts een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Beroep ongegrond.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:12 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/13

    Gewijzigde samenstelling van het Veterinair Tuchtcollege na sluiting onderzoek. Uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege is nietig. Het Veterinair Beroepscollege doet, met toepassing van artikel 8:39, tweede lid, van de Wet Dieren, de zaak zelf af. Voor het VBC staat voldoende vast dat de dierverloskundige buiten zijn bevoegdheid op regelmatige basis keizersneden uitvoerde zonder dat daartoe een dwingende veterinaire noodzaak bestond die hem ertoe dwong buiten de eigen bevoegdheid te handelen en dat de dierverloskundige diergeneesmiddelen heeft toegepast en heeft verstrekt terwijl hij daartoe als dierverloskundige niet bevoegd was en bovendien onvoldoende aan verslaglegging hiervan heeft gedaan. Het VBC schorst de dierverloskundige op grond van artikel 8.31, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet dieren onvoorwaardelijk in de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen op het gebied van de verloskunde voor een periode van zes maanden, te rekenen vanaf vrijdag 11 december 2020 te 0.00 uur. Deze schorsing geldt niet voor de werkzaamheden van de dierverloskundige als castreur en klauwbehandelaar en evenmin voor zijn handelsactiviteiten en   legt de dierverloskundige op grond van artikel 8.31, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met het vijfde en zesde lid, van de Wet dieren een voorwaardelijke geldboete op van € 5.000,00 met een proeftijd van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van deze uitspraak.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:11 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/04

    Aangezien het beroepschrift niet voldoet aan de daaraan in artikel 8.35, derde lid, van de Wet dieren gestelde eisen en appellant geen gebruik heeft gemaakt van de hem bij herhaling geboden gelegenheid om dit verzuim te herstellen, zal het Veterinair Beroepscollege appellant niet-ontvankelijk verklaren.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:10 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/05

    Het Veterinair Beroepscollege is evenals de klachtambtenaar en het Veterinair Tuchtcollege van oordeel dat de dierenarts door het herhaaldelijk toepassen van te lage doseringen van het vaccin Clone-30 – niet 1:2, maar 1:5 of 6, of nog lager –  bij de preventieve vaccinaties op de pluimveebedrijven heeft gehandeld in strijd met de bijsluiter en de registratiebeschikking. Het Veterinair Beroepscollege is evenals het Veterinair Tuchtcollege van oordeel dat de dierenarts daarmee in strijd heeft gehandeld met het verbod in artikel 2.8, eerste lid, onder c, van de Wet dieren, om diergeneesmiddelen toe te passen in strijd met de voorschriften en beperkingen als bedoeld in artikel 2:19, derde lid, onder a, van de Wet dieren, die zijn verbonden aan de vergunning die ten behoeve van dat diergeneesmiddel is verstrekt. Het Veterinair Beroepscollege verwerpt het beroep en bepaalt dat de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing door het Veterinair Tuchtcollege ingaat op vrijdag 13 november 2020 te 00.00 uur.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:9 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/09 VB 2020/10 VB 2020/11 VB 2020/12

    In deze uitspraak oordeelt het Veterinair Beroepscollege, anders dan het Veterinair Tuchtcollege, dat de Stichting Animal Rights ontvankelijk is in haar klachten tegen vier dierenartsen die gezondheidscontroles uitvoerden voor de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) bij  varkens in verband met hun vervoer naar een slachthuis, en die daartoe een gezondheidscertificaat hebben afgegeven. Uit de wetsgeschiedenis  blijkt dat artikel 8:15, tweede lid, aanhef en onder a van de Wet dieren waarin is bepaald wie een klacht kan indienen, ruim kan worden uitgelegd: “degene die als gevolg van dat handelen rechtstreeks in zijn belang is getroffen’ kan niet alleen de (voormalig) houder of eigenaar van een dier zijn, maar onder omstandigheden ook een rechtspersoon. Ten aanzien van de invulling van het belanghebbendenbegrip zoekt het Veterinair beroepscollege aansluiting bij het vergelijkbare begrip in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht . De stichting kan gelet op haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden in haar klachten tegen de dierenartsen worden ontvangen. Het Veterinair Beroepscollege is verder van oordeel dat het veterinaire tuchtrecht ook op de betreffende werkzaamheden van de dierenartsen van toepassing is en dat daarmee voldaan is aan het ontvankelijkheidsvereiste van artikel 8:15, eerste lid, dat de klacht is gericht “tegen een dierenarts of een andere persoon die is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, wegens het in strijd handelen met artikel 4.2”. Het door de stichting ingestelde beroep is gegrond. Het VTC heeft het onderzoek in deze zaak heropend en zal na een schriftelijke uitwisseling van standpunten op een nader te bepalen zitting overgaan tot de inhoudelijke behandeling van de klachten.

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:8 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2019/02

    Met het Veterinair Tuchtcollege is het College van oordeel dat, gelet op de klachten waarmee de hond werd aangeboden in combinatie met de door de dierenarts beschreven bevindingen, het veterinair handelen van de dierenarts nog binnen de grenzen van de redelijke bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Verwerpt het beroep.