Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 21-30 van de 40 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:135 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.228

    Klager was vanwege neurologische uitvalsverschijnselen van de voeten in 2017-2018 in behandeling bij de afdeling neurologie in het ziekenhuis waar verweerster, gynaecoloog, werkzaam is als lid van de Raad van Bestuur. In 2019 ontdekte klager, na inzage in zijn dossier, dat bij hem de diagnose chronische inflammatoire demyeliniserende polyneuropathie was gesteld. Omdat informatie over deze diagnose niet aan hem was verstrekt heeft klager een klacht ingediend waarna een bemiddelingstraject is opgestart. Nadien heeft klager nog een klacht ingediend waarop een uitspraak van de klachtencommissie is gevolgd. Klagers klacht is deels gegrond verklaard. Naar aanleiding daarvan hebben verweerster en klager diverse brieven gewisseld waarbij verweerster klager steeds vroeg alleen met haar te corresponderen. Klager verwijt verweerster dat: 1. Zij onvoldoende heeft gedaan aan de inbedding van de afdeling neuromusculaire aandoeningen binnen de afdeling neurologie; 2. De verwachtingen van een individuele patiënt ten aanzien van het aanbod door een expertisecentrum niet worden waargemaakt; 3. Zij specialisten ervan heeft weerhouden om het Professioneel Statuut uit te voeren doorat zij penvoerder werd van de correspondentie tussen klager en de specialisten; 4. Zij heeft geïntervenieerd in de werkzaamheden van de klachtenfunctionaris; 5. Zij onvoldoende heeft gedaan aan de regelgeving rondom het elektronisch patiëntendossier. Het Regionaal Tuchtcollege heeft bij voorzittersbeslissing klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klager verworpen.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:67 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 126/2020

    Klacht tegen GZ-psycholoog. Aan klager is een tbs-maatregel opgelegd. In de kliniek waar hij in de periode 2015-2017 heeft verbleven, was beklaagde bij de behandeling van klager betrokken. De klacht heeft betrekking op het handelen van beklaagde gedurende en na klagers verblijf in de kliniek. De diverse klachtonderdelen zijn stuk voor stuk zeer summier en niet altijd even helder onderbouwd. Klager heeft weliswaar allerlei schriftelijke stukken aan het college overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat de verwijten terecht zijn, maar deze stukken betreffen grotendeels door hem zelf geschreven stukken die veelal niet goed te volgen zijn. Deze stukken kunnen dan ook niet dienen als objectiveerbare feitelijke onderbouwing van zijn klacht. Er kan dan ook geen klachtwaardig handelen door beklaagde worden vastgesteld. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:136 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.269

    Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster is langdurig uitgevallen voor haar werk wegens ziekte. Zij is voor haar ziekteverzuim begeleid door twee bedrijfsartsen. Een bedrijfsarts voor het normale contractdeel die klaagster voor 100% arbeidsongeschikt verklaarde. En de beklaagde bedrijfsarts voor het uitgebreide contractdeel van acht uur voor de duur van een jaar. De bedrijfsarts heeft klaagster op enig moment weer arbeidsgeschikt verklaard. Klaagster verwijt de bedrijfsarts onbehoorlijke bejegening en onprofessioneel handelen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht gegrond, legt aan de bedrijfsarts de maatregel van berisping opgelegd. Ook bepaalt het Regionaal Tuchtcollege dat - in het belang van de individuele gezondheidszorg - de maatregel in het BIG-register wordt aangetekend en dat er wordt gezorgd voor openbare kennisgeving. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de bestreden beslissing doch uitsluitend voor zover daarin aan de arts de maatregel van berisping is opgelegd en legt aan de bedrijfsarts op de maatregel van doorhaling van de inschrijving van de bedrijfsarts in het BIG-register.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 162/2020

    Klacht tegen verzekeringsarts. Klaagster heeft een verkeersongeval gehad, waarbij zij als bestuurster van een stilstaande auto van achteren is aangereden. Beklaagde heeft klaagster onderzocht in het kader van een letselschadeprocedure, in aanvulling op onderzoek door een andere verzekeringsarts. Zijn bevindingen heeft hij neergelegd in een adviesrapport. Klaagster verwijt beklaagde dat hij niet het volledige medische dossier bij zijn beoordeling heeft betrokken en/of tot zijn beschikking heeft gehad. Naar het oordeel van het tuchtcollege voldoet het adviesrapport aan de eisen die daaraan in de rechtspraak worden gesteld. Het college ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van beklaagde dat hij het gehele dossier heeft bestudeerd, ondanks dat hij niet alle bestudeerde stukken expliciet in zijn rapport heeft benoemd. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:137 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.244

    Het Regionaal Tuchtcollege heeft een klacht tegen een chirurg ongegrond verklaard. Klager heeft hiertegen beroep ingesteld. Nadien is hij overleden. Het Centraal Tuchtcollege heeft de gemachtigde van klager gevraagd of de nabestaanden het beroep willen voortzetten, maar hierop geen reactie ontvangen. Dit college gaat er daarom van uit dat er geen nabestaande is die de behandeling van het beroep wil voortzetten. Het Centraal Tuchtcollege acht voorts geen redenen ontleend aan het algemeen belang aanwezig op grond waarvan de behandeling van het beroep dient te worden voortgezet (art. 65d, lid 5 en art. 73, lid 11, van de Wet BIG). De behandeling van het beroep wordt gestaakt.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:69 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/2608

    Voorzittersbeslissing. Patiënt klaagt over huisarts, onder andere omdat zij (en haar collega’s in de praktijk) hem in een nieuwsbrief onjuist heeft geïnformeerd over het coronavaccin. Het middel is volgens klager onvoldoende getest. Zij heeft niet verteld dat het om een proef gaat. Volgens klager is wetenschappelijk bewezen dat er alternatieve middelen zijn. Klager meent dat de huisarts hem niet heeft gewezen op de bijwerkingen en niet met hem in gesprek wilde. De voorzitter van het tuchtcollege doet de zaak zonder nadere behandeling af. Uit de klacht zelf blijkt namelijk al dat de huisarts volledig binnen het Nederlandse coronabeleid heeft gehandeld, zoals dat onder andere door de KNMG is geformuleerd. Dat niet iedereen het daarmee eens is, doet daaraan niet af. De huisarts heeft klager bovendien per mail antwoord gegeven op zijn vragen en hem uitgenodigd voor een gesprek. Klager heeft zelf dat gesprek afgehouden. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2021:46 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 20106

     

  • ECLI:NL:TGZREIN:2021:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 20108

     

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2428-2021-008

    Gegronde klacht tegen een psychiater. De door de psychiater opgestelde rapportage in het kader van een procedure tussen klaagster en Jeugdbescherming voldoet aan geen enkel criterium zoals is vastgesteld in vaste jurisprudentie. De feiten en bronnen kloppen niet. Het verrichte onderzoek biedt een onvoldoende grondslag om de conclusie te kunnen trekken dat klaagster niet over voldoende pedagogische vaardigheden zou beschikken. Niet alle vragen zijn beantwoord. Ook is niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen. Zij is voorts niet binnen de grenzen van haar deskundigheid gebleven door te concluderen dat bij klaagster sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Klacht gegrond, berisping.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:89 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2026-2020-150b

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Niet is gebleken dat de arts klaagster geestelijk heeft mishandeld. Ook geen blijk van smaad en laster. Klaagster heeft ook geen verdere onderbouwing van de gestelde intimiderende bejegening gegeven. Aanwijzingen hiervoor ontbreken. Klacht is in het geheel onvoldoende onderbouwd. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.