Zoekresultaten 141-150 van de 2521 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:97 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-125/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over liegen in de tuchtprocedure kennelijk ongegrond. Klacht voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk vanwege ne bis in idem.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:91 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-626/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:98 Raad van Discipline 's-Gravenhage zaak 25-881/DH/RO

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. Het stond verweerder vrij om geen procedure te starten omdat hij vond dat het causaal verband onvoldoende bewezen kon worden. Ook is het begrijpelijk dat verweerder geen procedure wilde starten over onderwerpen waarover al finale kwijting was verleend. Verweerder was niet gehouden om werkzaamheden te verrichten voordat de eigen bijdrage was betaald. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:92 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-144/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over een piketadvocaat. Hoewel fysieke aanwezigheid van de advocaat bij een verhoor sterk de voorkeur verdient, is telefonische bijstand niet klachtwaardig. De rol van de advocaat tijdens een verhoor is om ervoor te zorgen dat de rechten van de verdachte zijn gewaarborgd, dat hij niet onder oneigenlijke druk wordt gezet en dat het verhoor ordentelijk verloopt. Als dat zo is, is ingrijpen van de advocaat niet nodig. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:137 Hof van Discipline 's Gravenhage 250426

    Klacht over de advocaat van de wederpartij. Geen strijd met ne-bis-in-idembeginsel omdat de klacht van klaagster niet gelijk is aan een eerdere klacht waarop onherroepelijk is beslist. De onderhavige klacht heeft betrekking op een ander document dat door verweerster in een andere procedure tussen klaagster en de cliënte van verweerster in het geding is gebracht. Het indienen van de klacht is evenmin in strijd met de beginselen van behoorlijk tuchtprocesrecht. Klaagster is ontvankelijk; de klacht wordt ook in beroep door het hof ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:131 Hof van Discipline 's Gravenhage 250343

    Bekrachtiging beslissing raad. Klacht over de dienstverlening door verweerder en de wijze waarop verweerder die dienstverlening vormgeeft qua inhoud en qua communicatie. De dienstverlening in de zaak van klaagster was ondermaats en het hof is met de raad van oordeel dat verweerder daarin op verschillende manieren is tekortgeschoten. Mede rekening houdend met de beide andere tuchtzaken tegen verweerder waarin gelijktijdig is beslist, volgt de maatregel van schrapping van het tableau (zie beslissing 250246D).

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:138 Hof van Discipline 's Gravenhage 250467

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd om aan klagers herhaalde verzoek te voldoen. Zij heeft eerder een advocaat aangewezen voor het hoger beroep dat klager wilde instellen tegen een vonnis van de kantonrechter. Dat de aangewezen advocaat na het geven van een procesadvies klager niet heeft willen bijstaan omdat een hoger beroep naar verwachting zou leiden tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, is geen reden voor aanwijzing van een nieuwe advocaat. Van belang is in dit geval dat de aangewezen advocaat de beslissing heeft gebaseerd op een inhoudelijk voldoende onderbouwd procesadvies. Het hof is daarbij niet gebleken van de door klager gestelde “ondermijnende voorwaarden” die volgens klager aan de eerdere aanwijzing zouden zijn verbonden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:132 Hof van Discipline 's Gravenhage 260025

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klaagster ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen. Dat alles heeft klaagster niet gedaan. Het hof kan uit de van klaagster ontvangen gegevens niet veel meer opmaken dan dat klaagster -anders dan de deken- van mening is dat haar verzoek voldoende duidelijk is en voldoende onderbouwd, maar tegelijkertijd wordt ook vastgesteld dat klaagster zelfs het processtuk waar het allemaal om gaat niet ter beschikking wil stellen. Het hof heeft uit alle stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klaagster een kort geding wenst te entameren en is daarom met de deken van oordeel dat klaagster haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd.Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden.Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:133 Hof van Discipline 's Gravenhage 260024

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond.Allereerst overweegt het hof dat het (preliminaire) verweer van de deken dat beklag zich richt tegen mr. Rosier, terwijl het besluit is genomen door waarnemend deken mr. Van der Ende, niet slaagt. Een besluit ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Advw om (g)een advocaat aan te wijzen wordt genomen door de deken, in het onderhavige geval door de (bevoegde) waarnemend deken. Het eventuele beklag richt zich -anders dan een tuchtklacht- tegen de beslissing en niet tegen de persoon van de beslisser. Het beklag ingevolge artikel 13 Advw is dan ook terecht gericht aan degene voor of namens wie de waarnemend deken zijn beslissing heeft genomen.Uit de aanvraag maakt het hof op dat klager bijstand van een advocaat wenst in een bestuursrechtelijke procedure. Omdat in het bestuursrecht bijstand door een advocaat niet verplicht is, kan het beklag van klager tegen de afwijzingsbeslissing van de waarnemend deken niet slagen. Ten aanzien van de uitbreiding van het aanwijzingsverzoek van klager, althans zijn aanvullingen tijdens deze beklagprocedure, stelt het hof vast dat deze uitbreiding te laat is geschied en daarnaast niet is onderbouwd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:134 Hof van Discipline 's Gravenhage 260015

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het hof stelt vast dat klager, ondanks meerdere verzoeken daartoe van de deken, geen (relevante) informatie heeft gegeven waaruit blijkt welke vordering hij wenst in te stellen, wat de grondslag van die beweerdelijke vordering is, bij welke instantie hij een procedure wil starten en wat zijn belang bij een dergelijke procedure is. Verder ontbreken concrete stukken die als aanknopingspunt kunnen dienen voor een juridische procedure. Als gevolg daarvan kan de haalbaarheid van een eventuele procedure niet worden beoordeeld. Evenmin kan worden beoordeeld of het zou gaan om een procedure waarvoor bijstand door een advocaat noodzakelijk of vereist is. Ten aanzien van de verjaring heeft klager wel een bewijs van de verzending van een aangetekende brief overgelegd, maar de brief zelf niet, zodat niet kan worden vastgesteld wat de inhoud van de brief is en of het gestelde vorderingsrecht is gestuit en om die reden nog succesvol kan zijn. Het hof stelt daarbij vast dat klager bij zijn beklag heeft aangevoerd dat hij wil dat een advocaat wordt aangewezen om de verjaring van zijn vorderingen te stuiten. Uit de eigen stellingen van klager volgt echter dat daarin inmiddels zou zijn voorzien, zodat het beklag om die reden ook niet kan slagen. Voor een stuitingshandeling is daarenboven geen advocatenbijstand vereist.