Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 1-10 van de 230 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:171 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3754

    Ongegronde klacht tegen een internist-nefroloog. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Zij verwijten de internist onder andere dat zij de zoon van klaagster een noodzakelijke nierdialyse heeft onthouden en dat zij moeder en zoon onjuist heeft geïnformeerd over haar zorgen over de forse bloeddrukdaling. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat er in het dossier geen informatie te vinden is die erop wijst dat er een indicatie bestond voor (spoed)dialyse de dag nadat de internist de zoon van klaagster had gezien. Verder leidt het college uit een aantekening van de internist in het dossier af dat de internist de zoon van klaagster langer in het ziekenhuis had willen houden, omdat zij meer zekerheid wilde over de oorzaak van de lage bloeddruk. Daarbij heeft de internist aandacht geschonken aan het afbouwen van prednison. Ook volgt uit die aantekening voldoende dat de internist geprobeerd heeft dit aan klaagster en haar zoon duidelijk te maken. Kennelijk is dit niet gelukt. Het college kan achteraf niet vaststellen dat dit (uitsluitend) aan de internist heeft gelegen. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:172 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3891

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een arts niet in opleiding tot specialist. De arts was betrokken bij de behandeling van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Klagers verwijten de arts dat hij de urgentie van de situatie van de zoon niet goed heeft ingeschat en geen ambulance heeft gestuurd, en dat hij de gemeentelijke lijkschouwer onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat de informatie in het dossier de arts, in combinatie met de klachten die de triagiste tegenover hem noemde, aanleiding had moeten geven de situatie van de zoon ernstiger in te schatten dan hij heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is gegrond. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond. Het college legt geen maatregel op omdat sprake is van een lichte mate van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Het college merkt nog op dat het in gevallen als deze aanbeveling zou verdienen om een gezamenlijke evaluatie van de gebeurtenissen in de hele keten uit te voeren. Daarnaast is het van belang dat aandacht wordt besteed aan de vraag hoe opleidingstechnisch geïnvesteerd wordt in jonge artsen die niet in opleiding zijn tot specialist, en hoe hun supervisie is geregeld. Publicatie.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:173 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3889

    Gegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster is de moeder van een 19-jarige zoon, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. De huisarts had nachtdienst op de HAP waar klaagster naartoe belde. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. De klacht luidt in het kort dat de huisarts zich onvoldoende heeft geïnformeerd over de toestand van de zoon, waardoor hij de situatie niet juist heeft beoordeeld. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat de huisarts ten minste bij de triagiste had moeten doorvragen naar de aard en ernst van de benauwdheid van de zoon. Het college is zich ervan bewust dat in deze situatie sprake is van een keten van samenwerking en verantwoordelijkheden, waarin de triagiste, de huisarts en de dienstdoende arts in het ziekenhuis allen een eigen rol vervullen. De beoordeling van de ene zorgverlener binnen de keten beïnvloedt echter de besluitvorming van de andere ketenzorgverlener(s). Ieder moet in zijn eigen positie in beginsel op de ander(en) kunnen vertrouwen, maar dit ontslaat – in dit geval – de huisarts niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zich goed te (laten) informeren. Het college legt geen maatregel op omdat sprake is van een lichte mate van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:194 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1286

    Klacht tegen psychiater/psychotherapeut. Klager en verweerster waren destijds collega’s bij een stichting die geestelijke gezondheidszorg verleent. Verweerster heeft na dossieronderzoek in het kader van de klokkenluidersregeling een melding gedaan bij de stichting over de dossiervoering en het declaratiegedrag van klager. Klager verwijt verweerster in deze tuchtzaak dat zij onbevoegd medische dossiers heeft ingezien van cliënten met wie zij geen behandelrelatie had, dat zij geen toestemming heeft gevraagd aan klager – de behandelverantwoordelijke – om de dossiers in te zien en dat zij heeft geweigerd in gesprek te gaan met klager over de melding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft bij een voorzittersbeslissing de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:207 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-751/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de deken deels kennelijk niet-ontvankelijk, voor zover de klacht ziet op het feit dat verweerder ervoor heeft gekozen geen dekenklacht in te dienen. Daarbij heeft klager geen rechtstreeks belang. Voor het overige kennelijk ongegrond, want niet gebleken dat verweerder zijn taken zodanig heeft verwaarloosd of zich zodanig heeft misdragen dat sprake is van gedragingen die een behoorlijk advocaat niet betamen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:174 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3890

    Ongegronde klacht tegen een internist. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Volgens klagers heeft de internist ondanks de allergie van de zoon voor dit middel barnidipine voorgeschreven en, geen rekening houdend met het angio-oedeem van de zoon, besloten tot afbouw van de prednison. Daarnaast heeft er geen warme overdracht plaatsgevonden toen de internist met vakantie ging. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college is van oordeel dat de internist juist heeft gehandeld door barnidipine voor te schrijven. Er is onvoldoende gebleken dat bij de zoon sprake zou zijn van een allergie voor deze stof. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Wat betreft het stopzetten van de prednison oordeelt het college dat de internist op grond van het medisch dossier en de huidige situatie van de zoon terecht heeft besloten om de prednison af te bouwen. De prednison, die oorspronkelijk was voorgeschreven voor het nefrotisch syndroom, droeg niet meer bij aan de medische situatie en behandeling van de zoon. Een verband tussen het recente begin van de afbouw van de prednison en het angio-oedeem met overlijden tot gevolg is niet komen vast te staan. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3888

    Ongegronde klacht tegen een internist-nefroloog. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Klagers verwijten de internist dat hij zoon en zijn moeder onvoldoende heeft geïnformeerd en geen toestemming van zoon heeft verkregen om de dialyselijn te plaatsen. Daarmee zou het zelfbeschikkingsrecht van de zoon geschonden zijn. Verder wordt de internist verweten dat hij bij het plaatsen van de dialyselijn het verkeerde materiaal heeft gebruikt en dat hij daarna onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende zorgplicht en regiefunctie. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat hoewel uit gespreksopnames die tijdens het inbrengen van de lijn zijn gemaakt het duidelijk is  dat de zoon bang was voor het inbrengen van de dialyselijn, niet de conclusie kan worden getrokken dat er geen toestemming was en/of dat de gegeven toestemming voor het plaatsen van de dialyselijn later is ingetrokken. Hoewel de procedure voor de zoon emotioneel verliep, kan het college niet vaststellen dat zijn zelfbeschikkingsrecht is geschonden. Ongegrond. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:300 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-031/AL/MN

    Klaagster klaagt over de dienstverlening door verweerster. Er was gebrek aan helderheid over de te volgen procedure. Klaagster werd zonder enig overleg geschrapt uit een procedure. Ook reageerde verweerster niet op telefoontjes en e-mails en gaf uiteindelijk aan niet voor klaagster te willen optreden. Naar het oordeel van de raad zijn de klachten deels niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn deels ongegrond omdat verweerster aantoonde voldoende gereageerd te hebben.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:301 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-724/AL/NN

    Klaagster verwijt verweerder tekort geschoten te zijn in zijn dienstverlening. Verweerder liet de behandeling van klaagster zaak zonder overleg over aan een kantoorgenoot. Het feit dat klaagster pas twee jaar later bezwaar heeft gemaakt tegen de inschakeling van een kantoorgenoot en verweerder daar direct op gereageerd heeft door de zaak weer over te nemen, brengt naar het oordeel van de raad met zich mee dat verweerder niet onprofessioneel heeft gehandeld en dat hem op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Klaagster verwijt dat verweerder voorts de afspraak om een schikkingsvoorstel te doen voordat er een uitspraak in een procedure was, niet te zijn nagekomen. Dit heeft verweerder nagelaten ondanks aandringen van klaagster. Dit klachtonderdeel is gegrond. Verweerder zou daarnaast ten onrechte geweigerd hebben urenregistraties aan klaagster te verschaffen. Gelet op de specifieke afspraken die zijn gemaakt met betrekking tot een fixed fee heeft klaagster naar het oordeel van de raad onvoldoende belang bij een urenspecificatie van verweerder. Bijzondere omstandigheden die dat anders zouden maken zijn niet gesteld of gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond. Klaagster verwijt verweerder terecht dat hij door declaraties ter zake zijn honorarium toe te zenden gehandeld heeft in strijd met de zorgvuldigheid die hem zeker in financiële zaken betaamt. Dit staat nog los van het feit dat verweerder op geen enkele wijze blijk heeft gegeven de financiële afspraken betreffende de zaak in eerste aanleg duidelijk voor klaagster te hebben vastgelegd. Dit onderdeel van de klacht is gegrond. Vast staat naar het oordeel van de raad dat verweerder op geen enkel moment met klaagster heeft overlegd over de mogelijkheid om op basis van een toevoeging te procederen. Dat had voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep en bij het maken van de afspraken over de kosten van dit beroep moeten gebeuren. Klaagsters verwijt hierover is gegrond. Verweerder krijgt een berisping.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2022:165 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-458/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Verweerder heeft onzorgvuldig jegens klager gehandeld door geen kantoorklachtenregeling aan klager kenbaar te maken en door de over de wijze van declareren gemaakte afspraak niet na te komen. Deels gegrond. Waarschuwing.