Zoekresultaten 1861-1870 van de 3040 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2014:27 Kamer voor het notariaat Amsterdam 539415/NT 13-23 Th

    2.6 De notaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de bevoegdheid van de voorzitter om de zaak aan de kamer voor te leggen ingevolge de vervaltermijn van artikel 99 (oud) Wna is verjaard. Dit verweer faalt. Indien de vervaltermijn van artikel 99 (oud) Wna al van toepassing is op het voorleggen van een zaak aan de kamer door de voorzitter naar aanleiding van een in zijn opdracht uitgevoerd onderzoek, dient als dag waarna de termijn van drie jaren aanvangt, in beginsel te worden aangemerkt de dag waarop de voorzitter of diens plaatsvervanger kennis heeft kunnen nemen van de resultaten van het onderzoek. De voorzitter is immers geen direct betrokkene bij de in zijn opdracht onderzochte feiten en zijn onderzoek is erop gericht vast te doen stellen of van laakbaar handelen van de notaris sprake zou kunnen zijn. Voor zover de notaris heeft willen betogen dat alleen al de mediaberichten over de betrokkenheid van het kantoor van de notaris bij de vastgoedfraudezaak de vervaltermijn heeft doen aanvangen, wordt dat betoog verworpen. Dat zou immers betekenen dat de enkele verdachtmaking in de media de voorzitter al tot actie zou moeten bewegen, terwijl die verdachtmaking in dit geval bovendien tamelijk expliciet was gericht tegen [X]. Voor de vervaltermijn in deze zaak is voorts niet relevant dat de plaatsvervangend voorzitter van de KvT de notaris op 12 januari 2009 heeft gehoord in het kader van het onderzoek naar [X]. Niet kan worden gesteld dat de plaatsvervangend voorzitter op basis van dat verhoor kennis had van verwijtbaar handelen of nalaten van de notaris. Immers, waar de notaris voor wat betreft de in het onderzoek naar [X] betrokken zaken in hoofdzaak wordt verweten dat hij heeft nagelaten in te grijpen, moet voor het aanvangen van de vervaltermijn wel aan de (plaatsvervangend) voorzitter van dat nalaten zijn gebleken (vgl. ECLI:NLGHAMS:2013:4114). Daarom is in dit verband niet alleen relevant dat de (plaatsvervangend) voorzitter wist dat de notaris van bepaalde zaken op de hoogte was, maar ook dat de (plaatsvervangend) voorzitter voldoende concrete aanwijzingen had dat die zaken voor de notaris mogelijk aanleiding hadden moeten zijn om in te grijpen. Daarvan is in dit geval pas sprake geweest toen het BFT bij brief van 13 juli 2011 naar aanleiding van zijn bevindingen in het onderzoek naar [X] de voorzitter van de KvT verzocht een onderzoek naar de notaris te gelasten. De voorzitter heeft de zaak daarom ruim binnen de vervaltermijn ter behandeling aan de kamer voorgelegd. 3.4 De kamer oordeelt het volgende. Vooropgesteld wordt dat het tuchtrecht geen kwalitatieve aansprakelijkheid kent. Een notaris kan in beginsel slechts worden aangesproken op zijn eigen gedrag. Uit het BFT-rapport blijkt niet dat de notaris zelf handelingen heeft verricht met betrekking tot de depots. Dit betekent in de voorliggende zaak dat de notaris alleen dan mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt als hij (-tenminste-) wetenschap had van de reeks van depotstortingen en betalingen uit het depot of anderszins aanwijzingen had dat zijn kantoorgenoot ter zake mogelijk tuchtrechtelijk verwijtbaar handelde. Immers, alleen in dat geval wordt toegekomen aan de vraag of de notaris had moeten ingrijpen. Vast staat dat de notaris wist van de eerste depotstorting op 17 juli 2000 en dat deze op enige wijze verband hield met Bouwfonds. De notaris heeft evenwel voldoende onderbouwd aangevoerd dat dit op zich op zijn kantoor geen vreemde gang van zaken was. Anders dan het BFT in zijn rapport heeft aangegeven bieden de in het rapport genoemde feiten en omstandigheden geen concrete aanwijzing dat de notaris ook zodanig op de hoogte was van de overige depotstortingen of van de gang van zaken met betrekking tot het depot dat hem in dit dossier mogelijk handelen of nalaten in de zin van artikel 98 lid 1 (oud) Wna kan worden verweten. Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat het klachtonderdeel betreffende de Bouwfondsperiode ongegrond zal worden verklaard.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2014:30 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2013/91

    Ingevolge artikel 22 Wna rust op de notaris een geheimhoudingsplicht voor zover niet bij of krachtens de wet anders is bepaald. Dit betekent dat bij of krachtens de wet uitzonderingen kunnen worden gemaakt op de werking en de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht. Eén van deze uitzonderingen is neergelegd in artikel 94 lid 2 Wna. Ingevolge laatstgemeld artikel is de notaris ten behoeve van de uitoefening van de tuchtrechtspraak door de kamers voor het notariaat en het gerechtshof Amsterdam niet gehouden tot geheimhouding ten opzichte van de kamers en het gerechtshof.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2014:20 Kamer voor het notariaat Amsterdam 556888/NT 13-86 J

    5.2 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, te weten partijdigheid ten voordele van de ex-vennoot van klager, overweegt de kamer als volgt. Ter zitting van 6 maart 2014 heeft de gemachtigde van klager verklaard dat de klacht van partijdigheid zodanig moet worden geïnterpreteerd dat de notaris onvoldoende deskundigheid had met betrekking tot het ontwerpen van de webshop door klager. De notaris heeft, nadat het geschil tussen klager en [naam] met betrekking tot de verdelingsakte aan hem was voorgelegd en beide partijen hun standpunt hadden beargumenteerd, na bestudering van de hem ter beschikking gestelde stukken uitspraak gedaan. Vervolgens heeft klager met de notaris op zijn kantoor een gesprek gevoerd waarin de notaris zijn uitspraak heeft toegelicht en heeft de notaris [klager] geadviseerd over een andere opzet voor de nieuwe website van klager. De inhoud van genoemde akte noch overige gedragingen van verweerder leiden tot de conclusie dat de notaris partijdig is opgetreden. Vast staat dat het door de notaris als arbiter te beslechten geschil de vraag betrof of de nieuwe website van klager beantwoordde aan de tussen partijen gemaakte afspraken zoals hierboven weergegeven onder 2.b. Dit oordeel vergt geen bijzondere deskundigheid op het gebied van het bouwen van een webwinkel, omdat het hier alleen gaat om de beoordeling van het resultaat. De notaris behoefde in zijn hoedanigheid als arbiter daarom ook geen deskundige op het gebied van websitebouw in te schakelen, zoals klager stelt. Uit zijn weigering dat te doen kan daarom ook niet worden afgeleid dat hij partijdig was. Dit klachtonderdeel zal daarom ongegrond worden verklaard.

  • 5.4 De tweede vraag die thans beantwoord dient te worden, is of in het onderhavig geval verweerders verwijtbaar hebben gehandeld door kennelijk alleen af te gaan op de hen ter beschikking gestelde stukken of dat zij bij klager in persoon hadden moeten verifiëren of klager zou instemmen met de statutenwijziging, nu klager stelt pas op 21 juni 2012 er achter te zijn gekomen dat een statutenwijziging had plaatsgevonden. De kamer overweegt als volgt. Ingevolge artikel 43 Wna krijgen de partijen en de bij het verlijden van de akte eventueel verschijnende andere personen tijdig tevoren de gelegenheid om van de inhoud van de akte kennis te nemen. Alvorens tot het verlijden van de akte over te gaan, doet de notaris aan de verschijnende personen mededeling van de zakelijke inhoud daarvan en geeft daarop een toelichting. Zo nodig wijst hij daarbij tevens op de gevolgen die voor partijen of één of meer hunner uit de inhoud van de akte voortvloeien. Vast staat dat verweerders hebben geconstateerd dat klager zelf aanwezig is geweest op de vergadering van aandeelhouders van [B.V. B] van 13 april 2012 en dat hij heeft ingestemd met het besluit tot statutenwijziging, blijkens het hen overgelegde besluit van de algemene vergadering van [B.V. B] van 13 april 2012. Vast staat voorts da t de conceptakte op het kantoor van [B.V. B] heeft gelegen, voorafgaand aan de besluitvorming in de algemene vergadering. Weliswaar is denkbaar dat klager met betrekking tot het ondernemingsplan en daarmee met betrekking tot het op de vergadering van prioriteitsaandeelhouders te nemen besluit tot afschaffing van de prioriteitsaandelen door zijn medeaandeelhouders (al dan niet opzettelijk) onjuist is geïnformeerd. Ook is denkbaar dat hij zich daardoor niet gerealiseerd heeft dat deze voorgenomen statutenwijziging afschaffing van de prioriteitsaandelen inhield. Er zijn echter geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit verweerders hadden moeten afleiden dat klager niet op de hoogte was van de inhoud van de statutenwijziging. Gelet op de stukken welke verweerders ter beschikking waren gesteld ten behoeve van het verlijden van de akte – als genoemd in de brief van mr Eikelboom d.d. 11 januari 2012 – en gelet op de overige stukken welke aan verweerders ter hand waren gesteld, concludeert de kamer dat verweerders er vanuit mochten gaan dat klager instemde met de statutenwijziging en dat zij dus niet behoefden te controleren of klager zelf misschien niet zou instemmen met de statutenwijziging nu zij daarover geen signalen van klager hadden gekregen. Verweerders mochten derhalve op goede gronden menen hun medewerking aan de akte van statutenwijziging te moeten verlenen. De klacht wordt door de kamer derhalve ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2014:22 Kamer voor het notariaat Amsterdam 548114/NT 13-55 O van

    5.3 Ten aanzien van het tweede en vierde klachtonderdeel betreffende de kosten die de notaris als ‘honorarium meerwerk/extra werkzaamheden’ aan klager in rekening heeft gebracht, oordeelt de kamer als volgt. Op verzoek van de koper heeft de notaris de koopovereenkomst van 26 juli 2013 opgemaakt en de akte van levering op 15 augustus 2013 gepasseerd. Op 5 augustus 2013 heeft de notaris de concept nota van afrekening aan klager toegestuurd waarop als ‘honorarium meerwerk/extra werkzaamheden’ staat vermeld: “- telefonische bespreking d.d. 24-07-13 met [naam gemachtigde] (van Bedrijfsmakelaars) naar aanleiding van zijn e-mail waaronder uitleg consumentenkoop (45 min.); - e-mail d.d. 01-08-13 naar [klager] uitleg verrekening zakelijke lasten (15 min.) in totaal 1 uur o.b.v. een uurtarief ad € 237,50”, (excl. btw.) Desgevraagd door de voorzitter van de kamer tijdens de mondelinge behandeling op 27 maart 2014 bevestigde de notaris dat deze kosten advieswerkzaamheden betroffen, die naar de mening van de notaris niet als onbezoldigd dienden te worden beschouwd en, nu het de verkoper is die om advies had verzocht niet bij de koper in rekening konden worden gebracht. Daarbij verwees de notaris naar de door zijn kantoor gehanteerde algemene voorwaarden die op de website van het notariskantoor zijn vermeld. Ingevolge artikel 43 Wna krijgen de partijen bij de akte en de bij het verlijden van de akte eventueel verschijnende andere personen tijdig tevoren de gelegenheid om van de inhoud kennis te nemen. Alvorens tot het verlijden van een akte over te gaan, doet de notaris aan de verschijnende personen mededeling van de zakelijke inhoud daarvan en geeft daarop een toelichting. Zo nodig wijst hij daarbij tevens op de gevolgen die voor partijen of één of meer hunner uit de inhoud van de akte voortvloeien. Daartoe behoort naar het oordeel van de kamer ook het al dan niet telefonisch bespreken van vragen en of opmerkingen van een van partijen naar aanleiding van de hen toegezonden (concept)akten of (concept)volmachten. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat genoemde advieswerkzaamheden niet in de algemene voorwaarden van het notariskantoor door de notaris zijn benoemd als ‘meerwerk’ of als ‘extra werkzaamheden’. Ook overigens heeft de notaris klager en of zijn gemachtigde niet van tevoren geïnformeerd over deze als meerwerk of als extra werkzaamheden in rekening te brengen kosten. Hij heeft immers pas in de e-mail van 1 augustus 2013 voor het eerst gesproken over aan verkoper in rekening te brengen kosten. Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden concludeert de kamer dat het de notaris dan ook geenszins past deze kosten in rekening te brengen aan klager. Mitsdien is de notaris onvoldoende zorgvuldig geweest jegens klager en oordeelt de kamer deze beide klachtonderdelen gegrond. 5.4 Met betrekking tot het derde, vijfde en zesde klachtonderdeel overweegt de kamer als volgt. Klager heeft op 31 juli 2013 aan de notarisklerk gevraagd of de automatische incasso van de OZB, riool- en waterschapsbelasting automatisch zou worden stopgezet. Daarop heeft de notaris per e-mailbericht van 1 augustus 2013 geantwoord dat dit niet het geval was en dat klager tot en met het einde van het jaar deze lasten diende te voldoen. Ook in dit schrijven, evenals in het telefoongesprek van 15 augustus 2013, heeft de notaris gedreigd met het in rekening brengen van extra werkzaamheden indien klager zou volharden in zijn stelling c.q verzoek om genoemde zakelijke lasten per de datum van levering van het appartement voor klager te beëindigen. In het e-mailbericht van de notaris van 15 augustus 2013 (10.04 uur), heeft de notaris klager gedreigd met het in rekening brengen van extra werkzaamheden indien klager niet binnen 10 minuten zijn volledige akkoord en zonder voorbehoud zou geven om de akte van levering te laten passeren. Vervolgens heeft de notaris om 10.16 uur nogmaals klager uitdrukkelijk gevraagd zijn akkoord te geven. Aannemelijk is dat klager zich hierdoor zodanig onder druk gezet heeft gevoeld, dat hij bij e-mailbericht van diezelfde dag om 10.18 uur de notaris de gevraagde toestemming heeft gegeven. Een dergelijke handelwijze past een notaris in het geheel niet. De bewoordingen van de notaris in zijn berichten van 1 augustus 2013, 15 augustus 2013, 10.04 en 10.16 uur, zijn zodanig dat de kamer tot de conclusie komt dat van een onheuse bejegening jegens klager sprake is. De kamer acht ook deze klachtonderdelen gegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2014:23 Kamer voor het notariaat Amsterdam 549535/NT 13-58

    5.2 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, te weten het verwijt dat de notaris de afwikkeling van de nalatenschap onvoldoende voortvarend heeft behandeld, overweegt de kamer het volgende. Op 26 mei 2011 heeft [naam notaris] de executeur geschreven met daarin een verzoek om informatie inzake de WOZ-waarde van het woonhuis en een voorstel tot het houden van een bespreking ten kantore van de notaris. Daarop heeft de notaris binnen een week geantwoord. Vervolgens heeft [naam notaris] bij brief van 21 juni 2011 de notaris verzocht antwoord te geven op een aantal vragen omtrent de nalatenschap van erflaatster. Deze brief heeft de notaris beantwoord op 13 oktober 2011. Vervolgens heeft de notaris in de periode tussen 23 april 2012 en 26 juli 2013 elf brieven dan wel e-mailberichten verzonden aan (de adviseurs van) klaagster. Voor wat betreft genoemde periode constateert de kamer derhalve dat de notaris stelselmatig heeft gereageerd op de vragen van klaagster en haar adviseurs, zij het soms met grote tussenpozen, hetgeen niet de schoonheidsprijs verdient. Echter gezien het feit dat de rechtstreeks betrokkenen het reeds lange tijd onderling oneens zijn ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap, hetgeen ook een vertragend effect heeft op de afwikkeling van de nalatenschap, valt dit niet alleen aan de notaris te wijten. Mitsdien acht de kamer dit klachtonderdeel ongegrond. 5.3 Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel, te weten mogelijke partijdigheid van de notaris jegens de executeur, oordeelt de kamer als volgt. Een notaris die tot boedelnotaris in een nalatenschap is benoemd, dient bij de afwikkeling van deze nalatenschap in het geval van een mogelijke aanspraak van een legitimaris op deze nalatenschap voldoende inlichtingen aan deze te geven voor zover deze gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de notaris zelf en haar medewerkster regelmatig hebben gecorrespondeerd met de verschillende adviseurs van klaagster, een voorstel hebben gedaan voor het vaststellen van de legitimaire massa en klaagster en de overige legitimarissen meerdere malen hebben uitgenodigd voor een gesprek op het notariskantoor. Ter zitting van 27 maart 2014 heeft de notaris dit aanbod nogmaals herhaald. De kamer oordeelt dat op grond van de stukken uit het dossier in onderhavig geding niet blijkt dat de notaris niet alle bescheiden welke zij tot haar beschikking had, heeft verstrekt. Ook uit de brieven welke door of namens de notaris aan klaagster en de overige legitimarissen zijn gestuurd kan de kamer geen standpunt van de notaris afleiden. Uit de onder 1.f. aangehaalde brief blijkt dat de notaris over de schenkingen geen standpunt heeft ingenomen. Uit de onder 1.m. aangehaalde brief van de notaris blijkt dat zij om informatie verzoekt aangaande de door de legitimarissen gestelde bewoning aan [adres] door de executeur. Dit geeft geen blijk van een partijdige houding. Ook uit de latere correspondentie of overige gedragingen blijkt dat de notaris zelf geen standpunt heeft ingenomen in de discussie tussen de erfgenaam en de legitimarissen over de vraag wie nu in welke periode woonachtig in het woonhuis van erflaatster is geweest en of dan deze bewoning als gift dient te worden beschouwd. Ook op dit punt blijkt niet van een partijdige houding. Dit klachtonderdeel acht de kamer derhalve eveneens ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2014:22 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-17

    Klager heeft aangegeven dat er de week erna gepasseerd moest worden, maar kreeg van een medewerker van de notaris de mededeling dat volgende week niet haalbaar was in verband met het opvragen van de aflosnota en het feit dat de notaris met voorjaarsvakantie ging. Er zou op zijn vroegst op [datum] gepasseerd kunnen worden. Toen heeft klager in overleg met de koper de opdracht aan de notaris ingetrokken en de opdracht aan een notaris in [vestigingsplaats] gegeven. Klager ontving nog diezelfde dag de betreffende aflosnota. Kennelijk omdat de notaris nu een zaak was misgelopen, heeft hij vervolgens contact opgenomen met de bankmedewerker. De notaris heeft die bankmedewerker de huid vol gescholden en het gesprek beëindigd met de woorden “vuile kankerlijer”. Ook heeft klager uiteindelijk de rekening van € 871,00 van de notaris moeten betalen.

  • ECLI:NL:TNORDHA:2014:23 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-10

    Klaagster verwijt de notarissen dat zij bij het in behandeling nemen van de opdracht tot het opstellen van een verklaring van erfrecht onzorgvuldig en in strijd met artikel 17 van de Wet op het notarisambt (Wna) hebben gehandeld. Zij zijn expliciete toezeggingen niet nagekomen. Het in behandeling nemen van onderhavige opdracht tot het opstellen van de verklaring van erfrecht is in strijd met de integriteit van de notarissen. Verder heeft de notaris onbehoorlijk gehandeld door een tarief in rekening te (willen) brengen voor een gesprek met klaagster over de klachtwaardigheid van het optreden van de notarissen.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2014:14 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/14

    Uitbetaling gelden op grond van depotovereenkomst. Het had op de weg van de notaris gelegen daarbij een actievere rol te spelen en openheid van zaken te geven; gebrekkige communicatie. Klacht gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2014:15 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/3

    De zorgplicht, en de daaruit voortvloeiende onderzoeksplicht met betrekking tot de vertegenwoordigingsbevoegdheid, reikt in het algemeen niet zover dat de notaris onderzoek dient te doen naar interne bevoegdheidsbeperkingen binnen een vennootschap. Bijkomende omstandigheden kunnen echter meebrengen dat in het concrete geval op de notaris wel de plicht rust hiernaar onderzoek te verrichten. In het onderhavige geval kan het de notaris in redelijkheid niet worden verweten dat hij niet om overlegging van de goedkeuringsbesluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders heeft gevraagd