ECLI:NL:TNOKZUT:2012:YC0923 Kamer van toezicht Zutphen 9/2011

ECLI: ECLI:NL:TNOKZUT:2012:YC0923
Datum uitspraak: 06-12-2012
Datum publicatie: 03-01-2013
Zaaknummer(s): 9/2011
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Personen- en Familierecht
Beslissingen:
  • Klacht gegrond met waarschuwing
  • Verzet gegrond
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:  De kandidaat-notaris heeft op 16 oktober 2008 het concept van de boedelbeschrijving aan klaagster gezonden en in reactie daarop heeft klaagster op 24 november 2008 een brief gestuurd met het verzoek om een groot aantal stukken ter onderbouwing toe te zenden omdat zij de juistheid van de boedelomschrijving in twijfel trok. Uit deze brief van klaagster bleek dat er aan de kant van klaagster geen vertrouwen was in de opgave van de heer [partner] en dat de relatie tussen hen verstoord was geraakt. Dit had voor de kandidaat-notaris aanleiding moeten zijn om minder aan partijen over te laten en de regie naar haar toe te trekken. Zij had in ieder geval vanaf dat moment het testament als uitgangspunt moeten nemen. Dit betekent dat zij had moeten bevorderen dat de waardering in onderling overleg met de legatarissen tot stand zou komen en zo nodig door tussenkomst van een taxateur. De kandidaat-notaris heeft in haar verweer ook erkend dat zij er beter aan had gedaan om aan te dringen op benoeming van een taxateur.   Klaagster maakt de kandidaat-notaris terecht het verwijt dat zij onvoldoende heeft nagegaan of er daadwerkelijk overeenstemming bestond tussen klaagster en de heer [partner] over de inhoud van de akte van boedelbeschrijving, voordat zij de akte in handen van de notaris stelde om te passeren. Zij had de laatste conceptakte aan beide partijen moeten toezenden en moeten wachten op akkoordbevinding van beide partijen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de gemachtigde van verweerders verklaard dat zich geen schriftelijk akkoord van de advocaat van klaagster in het dossier bevindt en dat de Kamer beschikt over alle stukken in dit verband. Hij heeft hieraan toegevoegd dat de heer [partner] namens zijn advocaat [advocaat partner] telefonisch aan de kandidaat-notaris heeft doorgegeven dat het akkoord was en de akte kon worden verleden. De Kamer acht dit bericht van de heer [partner] onvoldoende om de akte klaar te maken voor passeren door de notaris.     Conclusie dient derhalve te zijn dat klachtonderdeel 2 tegen de kandidaat-notaris gegrond is voor zover het betrekking heeft op de totstandkoming van de boedelbeschrijving en het in handen van de notaris stellen van de akte van boedelbeschrijving en klachtonderdeel 3 tegen de notaris gegrond is voor zover het betrekking heeft op het passeren van de akte van boedelbeschrijving zonder dat vaststond dat partijen met de inhoud van de akte hadden ingestemd. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. De Kamer is van oordeel dat de bij klachtonderdeel 2 geconstateerde onzorgvuldigheden van de kandidaat-notaris dusdanig ernstig zijn dat ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing dient te worden opgelegd. Zij neemt daarbij in aanmerking dat door de passieve opstelling van de kandidaat-notaris het conflict over de waardering van de nalatenschap onnodig lang heeft voortgeduurd en uiteindelijk tot gerechtelijke procedures heeft geleid. Ten aanzien van de bij klachtonderdeel 3 geconstateerde onzorgvuldigheid van de notaris acht de Kamer oplegging van een maatregel te verstrekkend. De Kamer zal volstaan met de constatering dat de klacht op het bovengenoemde onderdeel terecht is opgeworpen.        

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN DE KANDIDAAT-NOTARIS­SEN TE ZUTPHEN

Klachtnummer:

Beslissing inzake de klacht van:

[klaagster],

wonende te [woonplaats],

klaagster,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

                                                                        1. [notaris],

notaris te [plaats], en

2. [notaris2],

notaris te [plaats], en

3. [kandidaat-notaris] te [plaats],

gemachtigde sub 1, 2 en 3: [gemachtigde notaris}, advocaat te [plaats].

1.         Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          de klacht van 31 maart 2011, aangevuld bij brief van 2 mei 2011 met bijlagen;

-          de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht van 7 juli 2011 en de reactie daarop van klaagster bij brief met bijlagen van 31 augustus 2011;

-          de reactie van de notarissen en de kandidaat-notaris van 29 november 2011 met bijlagen;

-          de repliek van klaagster van 20 januari 2012 met bijlagen;

-          de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht van 7 februari 2012;

-          de brief van de notarissen en de kandidaat-notaris van 23 februari 2012;

-          de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht van 3 april 2012;

-          de dupliek van de notarissen en de kandidaat-notaris van 23 april 2012 met bijlage;

-          de brief van klaagster van 31 augustus 2012 met bijlagen;

-          het proces-verbaal van de openbare vergadering van de Kamer van 14 september 2012.

2.         Vaststaande feiten

            De navolgende feiten worden als vaststaand aangenomen:

2.1              [erflaatster], moeder van klaagster (hierna ook te noemen: erflaatster), is op 15 december 2005 gaan samenwonen met [partner]. Erflaatster heeft twee kinderen - klaagster en haar [zus] - uit een eerder huwelijk met [ex partner] dat in 1990 door echtscheiding is ontbonden. [partner] heeft eveneens kinderen uit een eerder huwelijk. Op 20 december 2005 zijn voor notaris [notaris] een samenlevingsovereenkomst en de testamenten van de partners verleden.

2.2              Op 29 februari 2008 is erflaatster overleden. Zij had laatstelijk beschikt over haar nalatenschap bij het testament van 20 december 2005. Bij dit testament heeft zij haar partner [partner] tot haar enige erfgenaam benoemd onder de last van een legaat aan ieder van haar kinderen ter grootte van het erfdeel dat zij zouden hebben gekregen indien zij samen met haar partner de heer [partner] tot erfgenaam waren benoemd, te weten ieder een derde gedeelte van de nalatenschap. Erflaatster heeft bepaald dat de legaten en de verschuldigde rente pas opeisbaar zijn bij het overlijden van de heer [partner] dan wel in de andere in het testament genoemde gevallen.

In het testament is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Ter vaststelling van de grootte van het legaat moet de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap geschieden in onderling overleg. (…) Indien in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waardering geschiedt deze door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter (…). Na mijn overlijden moet mijn levensgezel bij notariële akte een boedelbeschrijving opmaken. In deze akte worden ook de vorderingen van mijn legatarissen op mijn levensgezel, die uit de legaten voortvloeien, vastgesteld.(…)”.

De nalatenschap bestaat voornamelijk uit banksaldi.

2.3              Bij brief van 3 april 2008 heeft kandidaat-notaris [kandidaat-notaris] klaagster geïnformeerd over de inhoud van het testament.

2.4              Op 16 oktober 2008 heeft [kandidaat-notaris] een concept van de boedelbeschrijving per overlijdensdatum aan klaagster toegestuurd. Hierin is de inboedel, voor zover de waarde in de nalatenschap valt, gewaardeerd overeenkomstig de waarde voor de aangifte successierechten, te weten € 750,=.

2.5              Klaagster heeft in reactie op het concept van de boedelbeschrijving in haar brief van 24 november 2008 een groot aantal vragen gesteld over de omvang en de samenstelling van de boedel. De kandidaat-notaris heeft deze brief doorgeleid naar de heer [partner].

2.6              De kandidaat-notaris heeft op 9 februari 2009 de volgende brief aan klaagster gezonden:

“Naar aanleiding van uw vragen aan de heer [partner] heeft de heer [partner] geprobeerd uw vragen te beantwoorden. Hetgeen van zijn kant heeft geleid tot het volgende voorstel aan uw zuster en u:

Ter afwikkeling van uw vragen inzake bijdragen van uw moeder in het huishouden e.d. stel ik u het volgende voorstel voor, zoals opgenomen in de bijlage. Uitgangspunt is het vermogen van uw moeder per 1 januari 2006, bijgeteld wordt de nalatenschap van [erflater 2], afgetrokken worden de schenkingen, het successierecht en het voorschot. Per saldo houdt dit in dat uw moeder dan alleen heeft geleefd van haar inkomsten.

De aldus berekende erfdelen blijven conform de bepalingen van het testament van uw moeder niet opeisbaar tot het overlijden van de heer [partner].”.

2.7              In reactie hierop heeft [rechtsbijstandverlener] bij brieven van 19 februari en 25 maart 2009 namens klaagster aan de kandidaat-notaris laten weten dat klaagster geen genoegen neemt met het antwoord van de heer [partner] en dat zij meent dat hij niet heeft voldaan aan zijn in het testament opgenomen verplichting om een volledige boedelbeschrijving op te maken.

2.8              [advocate], die het dossier had overgenomen van [rechtsbijstandverlener], heeft namens klaagster en haar zuster in haar brief van 16 november 2009 aan [advocaat partner], die inmiddels de heer [partner] vertegenwoordigde, te kennen gegeven dat zij conform het testament een boedelbeschrijving wensen die wordt vastgelegd in een notariële akte voorzien van alle achterliggende stukken, met als peildatum de datum van overlijden van erflaatster en dat zij in geval van bij hen ontstane twijfel zullen verzoeken om de boedelbeschrijving onder ede te laten bevestigen.

2.9              Op 7 januari 2010 heeft de kandidaat-notaris aan klaagster een nieuw concept toegezonden van de akte van boedelbeschrijving, opgesteld aan de hand van het voorstel van de heer [partner] van februari 2009. Tevens werd meegedeeld dat de akte op 26 januari 2010 zou worden gepasseerd en dat eventuele opmerkingen graag voordien werden ontvangen.  

2.10          [advocaat] heeft namens klaagster bij brief van 12 januari 2010 aan de kandidaat-notaris meegedeeld dat klaagster niet kon instemmen met de conceptakte, aangezien zij niet akkoord ging met een andere peildatum dan de sterfdatum van erflaatster, zijnde 29 februari 2008. [advocaat] heeft in verband hiermee verzocht om de akte niet te passeren.

2.11          De kandidaat-notaris heeft in haar brief van 12 januari 2010 aan [advocaat] bevestigd dat de akte niet op 26 januari 2010 gepasseerd zou worden.

2.12          De kandidaat-notaris heeft bij brief van 13 januari 2010 de aangepaste conceptakte van boedelbeschrijving met als peildatum 29 januari 2008 aan de heer [partner] gestuurd met het verzoek om deze met zijn advocaat [advocaat partner] te bespreken en met de vraag of deze conceptakte zo naar klaagster kon worden gezonden. Bij brief van 18 januari 2010 heeft [advocaat partner] deze aangepaste conceptakte van boedelbeschrijving aan [advocaat] doorgezonden met de mededeling dat deze op 26 januari 2010 gepasseerd zou worden.  Bij brief van 20 januari 2010 heeft [advocaat] deze brief van [advocaat partner] doorgestuurd aan klaagster met het verzoek om haar reactie.

2.13          Op 28 januari 2010 heeft [notaris 2] de akte van boedelbeschrijving en vaststelling erfdelen gepasseerd. De in deze akte vermelde peildatum is de overlijdensdatum van moeder.

2.14          Op 16 maart 2010 heeft de heer [partner] op verzoek van klaagster bij de kantonrechter onder ede verklaard dat de boedelbeschrijving juist was. Klaagster wenste de beëdiging als extra bevestiging van de op 28 januari 2010 verleden akte boedelbeschrijving en vaststelling erfdelen.

2.15          [advocaat] heeft in haar brief van 16 april 2010 namens zowel klaagster als haar zuster aan de heer [partner] verzocht om zijn medewerking te verlenen aan overdracht van de legaten, gelijktijdige vestiging van vruchtgebruik en vervolgens zekerheidstelling voor de nakoming van de verplichtingen van de heer [partner] jegens klaagster en haar zuster.

2.16          De heer [partner] heeft zich met de brief tot de kandidaat-notaris gewend. In haar e-mailbericht van 28 april 2010 heeft de kandidaat-notaris aan de heer [partner] bericht dat hij als enig erfgenaam mag interen op de nalatenschap en er geen zekerheid voor de legaten hoeft te worden verleend, omdat het testament alleen vermeldt dat opeising van de legaten (in de gevallen genoemd in het testament) kan worden voorkomen door daarvoor zekerheid te verlenen, hetgeen inhoudt dat in andere gevallen, zoals nu, geen zekerheid hoeft te worden gesteld.

De heer [partner] heeft geweigerd gehoor te geven aan het verzoek van klaagster.

2.17          Door klaagster en haar zuster is vervolgens een civiele procedure aangespannen tegen de heer [partner]. Tijdens een comparitie van partijen op 1 maart 2011 heeft de heer [partner] onder meer ingestemd met toevoeging van de waarde van de gezamenlijke auto van hem en erflaatster aan de boedelbeschrijving en met verhoging van de waarde van de inboedel. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij op het moment dat hij onder ede bij de kantonrechter verklaarde, ervan overtuigd was dat de boedelbeschrijving juist was.

2.18          Na deze comparitie is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van het geschil, neergelegd in een proces-verbaal van 16 maart 2011.

3.         De klacht, de gronden waarop deze berust en het verweer

3.1              De klacht van klaagster bestaat uit een groot aantal klachtonderdelen.

De klachten komen - samengevat - op het volgende neer.

Klachtonderdeel 1: het opstellen en passeren van het testament

Dit klachtonderdeel richt zich tegen [notaris] die het testament heeft gepasseerd. Hem wordt verweten dat hij erflaatster onvoldoende heeft voorgelicht over de verstrekkende juridische en emotionele gevolgen van de in het testament gekozen constructie van een stille onterving. Uit de gekozen constructie blijkt dat de notaris partijdig is geweest door de belangen van de heer [partner] zwaarder te laten wegen dan de belangen van de kinderen van erflaatster.

Klaagster is voorts van mening dat de notaris voor een juridisch ondoorzichtige constructie in het testament heeft gekozen, waardoor later discussie is ontstaan tussen de kinderen en de heer [partner] over het al dan niet bestaan van een interingsbevoegdheid van de erfgenaam en het al dan niet verplicht zijn van de erfgenaam tot zekerheidstelling.

Verder heeft de moeder van klaagster onvoldoende haar vrije wil kunnen bepalen doordat de notaris heeft toegestaan dat de heer [partner] bij alle testamentbesprekingen met de moeder van klaagster aanwezig was.

Klachtonderdeel 2: de boedelafwikkeling

Dit klachtonderdeel richt zich tegen de kandidaat-notaris die zelfstandig de nalatenschap heeft behandeld. Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat zij de heer [partner] en de legatarissen onvoldoende heeft geïnformeerd over hun rechten en plichten jegens elkaar. Zij heeft ten onrechte de heer [partner] er niet op gewezen dat hij zekerheid moest stellen voor de legaten en dat hij niet mocht interen op het vermogen.

De boedelwaardering heeft ten onrechte niet in gezamenlijk overleg met de legatarissen plaatsgevonden en de kandidaat-notaris heeft geen zelfstandig onderzoek verricht naar de juistheid van de door de heer [partner] aangeleverde gegevens, zelfs niet nadat de legatarissen al diverse keren bezwaar hadden gemaakt tegen de conceptboedelbeschrijving.

De kandidaat-notaris heeft ten onrechte aan de heer [partner] geadviseerd om de waarde van de inboedel op € 1500,=  te stellen, heeft de heer [partner] gefaciliteerd bij het weglaten van de gemeenschappelijke auto in de boedelbeschrijving en niet bij de heer [partner] aangedrongen op verrekening krachtens de samenlevingsovereenkomst van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Verder heeft zij de indruk gewekt haar goedkeuring te hebben gegeven aan het voorstel van de heer [partner] om de peildatum inzake de boedelwaardering te verschuiven van de overlijdensdatum naar 1 januari 2006.

Door deze gehele werkwijze heeft de kandidaat-notaris blijk gegeven van partijdigheid. Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat zij haar onheus heeft bejegend.

Tot slot heeft de kandidaat-notaris niet gecontroleerd of de erfgenaam en de legatarissen het eens waren geworden over de boedelbeschrijving voordat zij de notaris heeft verzocht de akte van boedelbeschrijving te passeren.  

Klachtonderdeel 3: het passeren van de akte van boedelbeschrijving en vaststelling erfdelen

Dit klachtonderdeel richt zich tegen [notaris2]. Klaagster is van mening dat [notaris2] de legatarissen had moeten oproepen om aanwezig te zijn bij het passeren van de akte van boedelbeschrijving. Verder meent zij dat de notaris aan zijn Belehrungspflicht jegens de heer [partner] niet heeft voldaan.

Voorts verwijt zij hem dat hij de akte heeft gepasseerd zonder zich ervan te vergewissen of de legatarissen en de erfgenaam het eens waren geworden over de inhoud van de akte. Hij heeft hiermee partijdig gehandeld.

3.2       De verweren van de notarissen en de kandidaat-notaris komen in het navolgende, voor zover nodig, aan de orde.

4.         De beoordeling van de klacht

4.1              Nu verweerders aan hun formele verweer dat het presidium van de Kamer zich ten onrechte mengt in het geschil door een samenvatting van de klacht te formuleren geen juridische gevolgen verbinden, behoeft daarover niet te worden geoordeeld.

4.2              Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verzocht om openlegging van het volledige boedeldossier inzake erflaatster en het dossier inzake de afwikkeling van de nalatenschap.

De Kamer heeft dit verzoek niet ingewilligd, aangezien zij openlegging van deze dossiers niet noodzakelijk acht voor de beoordeling van de klacht.

Klachtonderdeel 1: het opstellen en passeren van het testament van erflaatster

4.3              Alvorens dit klachtonderdeel te beoordelen, merkt de Kamer het volgende op.

Klaagster heeft bezwaren tegen de inhoud van het testament van erflaatster. Voor zover de inhoud van dat testament haar niet welgevallig is, kan daaruit echter niet de conclusie worden getrokken dat de (kandidaat-) notaris op enigerlei wijze zijn taak niet naar behoren heeft vervuld.

4.4              Uit het verweer van de (kandidaat-) notarissen blijkt dat de ervaren kandidaat-notaris zelfstandig het testament heeft opgesteld, waarna [notaris] het testament heeft gepasseerd. De kandidaat-notaris heeft zich ook tegen dit klachtonderdeel verweerd.

4.5              De Kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris geen verwijt kan worden gemaakt. Een (kandidaat-) notaris heeft als taak om een testateur te informeren over de verschillende mogelijkheden en de consequenties daarvan, maar het is vervolgens aan de testateur om de inhoud van het testament te bepalen. De (kandidaat-) notaris dient deze wens te respecteren. Bovendien is het geen ongebruikelijk testament en bevat het ook geen evidente juridische onjuistheden. Het testament betreft geen kale onterving van de kinderen van erflaatster; de geldlegaten zijn even groot als wanneer de kinderen samen met de heer [partner] als erfgenaam waren aangewezen. Uitstel van de opeisbaarheid van een erfdeel, in dit geval een legaat tot overlijden van de partner is tegenwoordig zeer veelvoorkomend en ingegeven door de vaak bij de testateur aanwezige wens om de partner verzorgd achter te laten.

In het testament is expliciet bepaald dat de legaten pas opeisbaar zullen zijn na overlijden van de partner. Aangenomen mag worden dat erflaatster zich derhalve bewust was van hetgeen dit voor haar kinderen betekende. Niet is komen vast te staan dat de kandidaat-notaris erflaatster onvoldoende heeft geïnformeerd over het door haar gekozen testament en wat dit voor haar kinderen zou betekenen.

4.6              Over de juridische implicaties die [advocaat], advocate van klaagster, in haar brief van 16 april 2010 aan de bepalingen in het testament toekent, komt de Kamer geen oordeel toe. Dit behoort tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter.

4.7              De Kamer is van oordeel dat [notaris] evenmin een verwijt kan worden gemaakt ter zake van het passeren van het door de kandidaat-notaris opgestelde testament. Niet is komen vast te staan dat [notaris] erflaatster voorafgaand aan het passeren van het testament onvoldoende heeft beleerd over de inhoud van het testament.

4.8              Ten aanzien van het passeren van het testament in aanwezigheid van de heer [partner] is namens [notaris] ten verwere aangevoerd dat aanwezigheid van partners bij het passeren van hun testamenten volstrekt gebruikelijk is. Voorts is aangevoerd dat het een samenhangende opdracht van beide partners voor een samenlevingsovereenkomst en twee nieuwe testamenten betrof. Er was geen aanleiding om van deze gebruikelijke gang van zaken af te wijken. Bovendien kan een partner op ieder moment het testament herroepen en mag over een dergelijke herroeping geen mededeling aan de partner worden gedaan. De kandidaat-notaris heeft aangevoerd dat zij partners in haar voorbesprekingen hier altijd op pleegt te wijzen.

De Kamer is van oordeel dat op de door verweerders aangevoerde gronden geen sprake is geweest van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de partner bij het passeren van het testament aanwezig te laten zijn.

4.9              Naar het oordeel van de Kamer is onvoldoende gesteld en gebleken dat de kandidaat-notaris en de notaris zich partijdig hebben opgesteld.

4.10          Dit klachtonderdeel dient derhalve ten aanzien van zowel de kandidaat-notaris (voor zover tegen haar gericht) als [notaris] ongegrond te worden verklaard.

Klachtonderdeel 2: de boedelafwikkeling

4.11          Dit klachtonderdeel richt zich tegen de kandidaat-notaris die zelfstandig de nalatenschap heeft afgewikkeld.

4.12          Het verwijt van klaagster dat de kandidaat-notaris haar tijdens de boedelafwikkeling onheus heeft bejegend, is niet onderbouwd en moet daarom ongegrond worden verklaard.

4.13          Zoals reeds onder 4.6 is overwogen, is het aan de burgerlijke rechter en niet aan de Kamer om te oordelen over de juistheid van de juridische implicaties die de advocaat van klaagster aan bepalingen in het testament heeft gegeven. Dit kan anders zijn in geval van evidente misslagen, maar daarvan is geen sprake.

4.14          De kandidaat-notaris heeft naar het oordeel van de Kamer onvoldoende regie gehouden op de totstandkoming van de boedelbeschrijving.

De Kamer acht het begrijpelijk dat de kandidaat-notaris aanvankelijk de conceptboedelbeschrijving alleen aan de hand van de door de heer [partner] aangeleverde gegevens heeft opgesteld. Ook is het begrijpelijk dat zij de heer [partner] heeft aangeraden om de waarde van de inboedel te bepalen op € 1500,=, in reactie op diens vraag wat een gangbaar en voor de Belastingdienst acceptabel bedrag was, ervan uitgaande dat er geen sprake was van een bijzondere inboedel. De kandidaat-notaris heeft op 16 oktober 2008 het concept van de boedelbeschrijving aan klaagster gezonden en in reactie daarop heeft klaagster op 24 november 2008 een brief gestuurd met het verzoek om een groot aantal stukken ter onderbouwing toe te zenden omdat zij de juistheid van de boedelomschrijving in twijfel trok. Uit deze brief van klaagster bleek dat er aan de kant van klaagster geen vertrouwen was in de opgave van de heer [partner] en dat de relatie tussen hen verstoord was geraakt. Dit had voor de kandidaat-notaris aanleiding moeten zijn om minder aan partijen over te laten en de regie naar haar toe te trekken. Zij had in ieder geval vanaf dat moment het testament als uitgangspunt moeten nemen. Dit betekent dat zij had moeten bevorderen dat de waardering in onderling overleg met de legatarissen tot stand zou komen en zo nodig door tussenkomst van een taxateur. De kandidaat-notaris heeft in haar verweer ook erkend dat zij er beter aan had gedaan om aan te dringen op benoeming van een taxateur.

Uit de stukken blijkt dat de heer [partner] niet alle gegevens voor de boedelomschrijving (goed) had aangeleverd. Hoewel het niet de taak is van een (kandidaat-) notaris om zelfstandig de juistheid van de aangeleverde gegevens te onderzoeken, had de kandidaat-notaris vanwege de verstoorde verhoudingen kritischer naar deze gegevens moeten kijken. Zoals ook is erkend door de kandidaat-notaris, had zij moeten navragen bij de heer [partner] of hij ook nog een auto had die krachtens de samenlevingsovereenkomst tot het gemeenschappelijk vermogen behoorde.

Ook is de Kamer niet gebleken dat de kandidaat-notaris aandacht heeft besteed aan de vraag of krachtens de samenlevingsovereenkomst nog verrekening moest plaatsvinden.

Ten aanzien van de nagekomen gelden van [erflater 2], heeft de kandidaat-notaris aangevoerd dat zij pas in september 2008 door de heer [partner] daarvan op de hoogte is gesteld. Het kan haar dan ook niet worden aangerekend dat zij daarover niet eerder iets had vermeld. Bovendien heeft zij in haar brief van 16 oktober 2008 klaagster alsnog hierover geïnformeerd.

4.15          Klaagster maakt de kandidaat-notaris terecht het verwijt dat zij onvoldoende heeft nagegaan of er daadwerkelijk overeenstemming bestond tussen klaagster en de heer [partner] over de inhoud van de akte van boedelbeschrijving, voordat zij de akte in handen van de notaris stelde om te passeren. Zij had de laatste conceptakte aan beide partijen moeten toezenden en moeten wachten op akkoordbevinding van beide partijen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de gemachtigde van verweerders verklaard dat zich geen schriftelijk akkoord van de advocaat van klaagster in het dossier bevindt en dat de Kamer beschikt over alle stukken in dit verband. Hij heeft hieraan toegevoegd dat de heer [partner] namens zijn advocaat [advocaat partner] telefonisch aan de kandidaat-notaris heeft doorgegeven dat het akkoord was en de akte kon worden verleden. De Kamer acht dit bericht van de heer [partner] onvoldoende om de akte klaar te maken voor passeren door de notaris.

4.16          Van enige partijdigheid van de kandidaat-notaris is de Kamer niet gebleken. Het was wel beter geweest als de kandidaat-notaris in haar brief van 9 februari 2009 meer afstand had genomen van het voorstel van de heer [partner] over onder meer de peildatum door een neutralere woordkeuze of door de heer [partner] op eigen briefpapier het voorstel te laten schrijven en met een aanbiedingsbrief door te sturen. Hiermee had de kandidaat-notaris alle schijn van partijdigheid kunnen voorkomen. Het voert echter te ver om van tuchtrechtelijk laakbaar handelen te spreken.

4.17          Dit klachtonderdeel is gegrond, voor zover het betreft de totstandkoming van de boedelomschrijving en het controleren of partijen akkoord waren met het laatste concept van de akte van boedelbeschrijving alvorens de akte in handen van de notaris te stellen.

Klachtonderdeel 3: het passeren van de akte van boedelbeschrijving

4.18          De klacht over het niet oproepen van klaagster treft geen doel. Klaagster en haar zuster hoefden niet te worden opgeroepen voor het passeren van de akte. Zij waren wel partij bij de totstandkoming van de boedelbeschrijving, maar zij waren geen partij bij de ondertekening van de akte door de heer [partner].

4.19          Niet is komen vast te staan dat notaris [notaris2] de heer [partner] voordat hij de akte heeft ondertekend onvoldoende zou hebben beleerd.

4.20          Naar het oordeel van de Kamer had notaris [notaris2] echter niet tot passeren van de akte over mogen gaan. Voordat de akte ondertekend kon worden, moest voor de notaris vaststaan dat klaagster en haar zuster enerzijds en de heer [partner] anderzijds volledige overeenstemming hadden bereikt over de inhoud van de in de akte opgenomen boedelbeschrijving. Deze overeenstemming bleek echter niet onomstotelijk uit het dossier. Zoals is overwogen onder 4.15, is alleen door de heer [partner] telefonisch doorgegeven dat het akkoord was en de akte getekend kon worden. Van de kant van klaagster en haar zuster bevond zich derhalve in het dossier van [notaris2] geen instemming met het laatste concept en dit betekent dat de akte niet gepasseerd had mogen worden. Hoewel het begrijpelijk is dat de notaris is afgegaan op zijn ervaren kandidaat-notaris, behoorde het tot zijn verantwoordelijkheid om zelf te controleren of uit het dossier bleek dat beide partijen hadden ingestemd alvorens tot het passeren van de akte over te gaan.

Dit klachtonderdeel is dan ook in zoverre gegrond.    

Conclusie

4.21          Conclusie dient derhalve te zijn dat klachtonderdeel 2 tegen de kandidaat-notaris gegrond is voor zover het betrekking heeft op de totstandkoming van de boedelbeschrijving en het in handen van de notaris stellen van de akte van boedelbeschrijving en klachtonderdeel 3 tegen notaris [notaris2] gegrond is voor zover het betrekking heeft op het passeren van de akte van boedelbeschrijving zonder dat vaststond dat partijen met de inhoud van de akte hadden ingestemd. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

De Kamer is van oordeel dat de bij klachtonderdeel 2 geconstateerde onzorgvuldigheden van de kandidaat-notaris dusdanig ernstig zijn dat ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing dient te worden opgelegd. Zij neemt daarbij in aanmerking dat door de passieve opstelling van de kandidaat-notaris het conflict over de waardering van de nalatenschap onnodig lang heeft voortgeduurd en uiteindelijk tot gerechtelijke procedures heeft geleid.

Ten aanzien van de bij klachtonderdeel 3 geconstateerde onzorgvuldigheid van de notaris [notaris2] acht de Kamer oplegging van een maatregel te verstrekkend. De Kamer zal volstaan met de constatering dat de klacht op het bovengenoemde onderdeel terecht is opgeworpen.

4.22          Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing worden gelaten.

4.23          Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

5.         De beslissing

            De Kamer:

verklaart klachtonderdeel 2 gegrond voor zover dit betrekking heeft op het daarin als onjuist aangeduide handelen van de kandidaat-notaris;

verklaart klachtonderdeel 3 gegrond voor zover dit betrekking heeft op het daarin als onjuist aangeduide handelen van notaris [notaris2];

verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

legt aan de kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing op;

legt aan notaris [notaris2] geen maatregel op.

Aldus gegeven door mr. O. Nijhuis, plaatsvervangend voorzitter, mr. E.J. Oostrik en mr. A.S. Hansma, leden, mr. I.C.J.I.M. van Dorp en mr. A.J.H.M. Janssen, plaatsvervangende leden, zulks in tegenwoordigheid van mr. W.E. Markus-Burger als secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2012.

            secretaris                                             voorzitter

Binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief, waarbij deze beslissing wordt toegezonden, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen de termijn van 30 dagen door het Gerechtshof te zijn ontvangen. Het adres van het Gerechtshof luidt: Gerechtshof te Amsterdam t.a.v. kamer 17A, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.