Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 21-30 van de 56 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:78 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3637

    Klacht tegen psychiater kennelijk ongegrond. Beklaagde is niet betrokken geweest bij de verwijzing van klager naar een andere instelling zoals door klager gewenst. Beklaagde heeft terecht het voorschrijven van psychofarmaca geweigerd nu klager niet in behandeling was en niet door beklaagde was gezien/beoordeeld.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:79 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3638

    Klacht tegen GZ-psycholoog kennelijk ongegrond. Beklaagde is niet verantwoordelijk voor medicatie voorschrijven en heeft dat verzoek van klager terecht doorgestuurd naar de psychiater. Beklaagde heeft klager geen hulp onthouden en voldoende inspanningen geleverd ten aanzien van een verwijzing van klager naar een andere instelling.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3566

    Klacht tegen psychotherapeut. Poging om met een valse verwijzingsbrief medische informatie over klaagster van haar huisarts te krijgen? Klacht bevat geen feiten die erop duiden dat beklaagde persoonlijk op enige manier betrokken was bij de brief. Het enkele feit dat beklaagdes halfbroer de ex-partner van klaagster was en dat de brief in de brievenbus van de praktijk van beklaagde terecht is gekomen, vormt geen bewijs van betrokkenheid. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:81 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z221/3297

    Klager heeft zich ziek gemeld bij werkgever. Vanuit de hierna door de werkgever ingeschakelde arbodienst vond begeleiding plaats door de Adviseur Arbeid en Gezondheid. De Adviseur Arbeid en Gezondheid hield waar nodig overleg met de bedrijfsarts.  Na betrokkenheid van meerdere bedrijfsartsen heeft een gesprek plaats gevonden tussen klager en beklaagde, bedrijfsarts. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de Adviseur Arbeid en Gezondheid een re-integratieadvies gegeven. Hierna heeft klager aangegeven dat er nog met een behandeling zou worden gestart en dat zijn behandelaar zou hebben aangegeven dat dit niet gelijktijdig kon plaatsvinden met de re-integratie. Beklaagde heeft hierop zijn re-integratieadvies aangepast en eveneens de nog niet opgestelde probleemanalyse opgesteld. Ook heeft beklaagde informatie opgevraagd bij de behandelaar.Werkgever heeft op enig moment een deskundigenoordeel gevraagd aan het UWV. Aan beklaagde is gevraagd een medische onderbouwing te geven van de door hem vastgestelde belastbaarheid. Dit heeft beklaagde gedaan. Beklaagde heeft klager op dat moment ook op de hoogte gestelde van de door hem opgestelde probleemanalyse.Klager verwijt beklaagde dat hij adviezen heeft gegeven zonder daarvoor informatie te hebben ingewonnen bij de behandelaar van klager, dat hij de adviezen, waaronder de probleemanalyse en het plan van aanpak, niet heeft afgestemd met klager en dat hij zich in zijn berichtgeving aan het UWV zodanig heeft uitgelaten dat dit schadelijk is voor de reputatie van klager. Het college verklaart de klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3563

    Klacht tegen orthopedisch chirurg kennelijk ongegrond. De door beklaagde opgestelde rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Beklaagde heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat al voorafgaande aan het ongeval sprake was van sprake was van een niet goed doorgebouwde spondylodese C6-C7, en dat er reeds voor het ongeval fragmentatie (breuklijnen) van het hydroxyapatiet blokje aangetoond waren.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:75 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3871

    Klacht tegen een neuroloog. Verweerder is supervisor van zijn collega die bij klager de diagnose focale epilepsie heeft gesteld. Klager verwijt verweerder dat hij (en zijn collega) bij het stellen van de diagnose epilepsie onzorgvuldig en ondeskundig hebben gehandeld. Daarnaast was de nazorg en de communicatie na de diagnose zeer matig. Volgens het college mocht de collega van verweerder, op basis van het door hem uitgevoerde onderzoek, in redelijkheid tot de diagnose focale epilepsie komen. Verweerder heeft in voldoende mate invulling gegeven aan zijn taak als supervisor door de bevindingen en het te voeren beleid te bespreken met zijn collega en te accorderen. Dat de arts die een second opinion uitvoerde tot een andere diagnose kwam, betekent niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de diagnose die door zijn collega was gesteld te onderschrijven. Wat betreft de nazorg en de communicatie komt het college tot de conclusie dat verweerder niks te verwijten valt. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3794

    Klacht grensoverschrijdend gedrag. Schorsing. De kern van de klacht betreft seksueel misbruik door de verpleegkundige. De verpleegkundige erkent een (seksuele) relatie te hebben gehad met klager. De verpleegkundige wist wel dat zij geen relatie mocht aangaan met een cliënt tijdens de behandelrelatie, maar zij heeft pas na de melding bij de inspectie kennisgenomen van het protocol en de gedragscode. Het college overweegt dat van seksueel misbruik niet alleen sprake is bij dwang, maar ook als seksueel contact plaats heeft binnen een afhankelijkheidsrelatie. De verpleegkundige geen toereikende afkoelingsperiode in acht genomen en, in strijd met de gedragsregels, van de relatie ook geen melding gemaakt bij de instelling. De verpleegkundige heeft daarom gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens de cliënt had behoren te betrachten. Dat de verpleegkundige klager zou hebben voorgelogen of valse aangifte zou hebben gedaan, kan het college niet vaststellen. Klager verwijt de verpleegkundige ook dat zij hem geen verdere uitleg wil geven, zodat hij de relatieperiode kan afsluiten. Uit de door de verpleegkundige overgelegde stukken is voldoende aannemelijk geworden dat klager daarna verschillende strafbare feiten jegens de verpleegkundige heeft gepleegd. Gelet daarop kan redelijkerwijs niet meer van haar worden gevergd dat zij nog met klager in gesprek gaat. Deze klachtonderdelen zijn alle ongegrond. Wat betreft de maatregel overweegt het college dat het voor de veiligheid en het welzijn van cliënten/patiënten noodzakelijk is dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep respecteert en in acht neemt. Dit geldt in het bijzonder voor een verpleegkundige die werkzaam is in de geestelijke gezondheidszorg – en in dit geval in een forensisch-psychiatrische instelling –, vanwege de verhoogde kwetsbaarheid van de aan haar zorg toevertrouwde cliënten. De ernst van de verweten gedragingen rechtvaardigt als uitgangspunt, vanwege het gevaar voor cliënten en de nadelige gevolgen voor de cliënt in dit concrete geval, een maatregel die een beroepsbeperking meebrengt, zoals een schorsing. De inspectie heeft ook een klacht ingediend tegen de verpleegkundige in verband met deze zaak, bekend onder zaaknummer A2021/3865, die op dezelfde zitting afzonderlijk is behandeld. Omdat het in deze zaak en in de door de inspectie ingediende tuchtklacht om hetzelfde feitencomplex gaat, zal het college in deze zaak – evenals in die andere zaak – de helft van de genoemde duur van de schorsing opleggen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:76 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3872

    Klacht tegen een AIOS neurologie. Klager verwijt verweerder dat hij bij het stellen van de diagnose epilepsie onzorgvuldig en ondeskundig heeft gehandeld. Daarnaast was de nazorg en de communicatie na de diagnose zeer matig. Volgens het college mocht verweerder, op basis van het door hem uitgevoerde onderzoek, in redelijkheid tot de diagnose focale epilepsie komen. Daarbij komt dat hij zijn anamnese, neurologisch onderzoek, conclusie en beleid met zijn supervisor heeft besproken en deze hier achter stond. Dat de arts die een second opinion uitvoerde tot een andere diagnose kwam, betekent niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Wat betreft de nazorg en de communicatie komt het college tot de conclusie dat verweerder niks te verwijten valt. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3865

    Klacht van de IGJ tegen een verpleegkundige. De IGJ verwijt de verpleegkundige dat zij langdurig en in ernstige mate in strijd heeft gehandeld met de professionele grenzen door een persoonlijke en seksuele relatie aan te gaan met een cliënt. Het college overweegt dat vast staat dat de verpleegkundige de relatie is aangegaan terwijl de cliënt nog ambulante zorg ontving van de instelling. De relatie is bovendien gestart vóór er een vol jaar was verstreken na de beëindiging van de persoonlijke behandelrelatie. De verpleegkundige heeft dus geen toereikende afkoelingsperiode in acht genomen. Zij heeft, in strijd met de gedragsregels, van de relatie ook geen melding gemaakt bij de instelling. Wat betreft de maatregel overweegt het college dat voor de veiligheid en het welzijn van cliënten/patiënten het noodzakelijk is dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep respecteert en in acht neemt. Dit geldt in het bijzonder voor een verpleegkundige die werkzaam is in de geestelijke gezondheidszorg – en in dit geval in een forensisch-psychiatrische instelling –, vanwege de verhoogde kwetsbaarheid van de aan haar zorg toevertrouwde cliënten. De ernst van de verweten gedragingen rechtvaardigt als uitgangspunt, vanwege het gevaar voor cliënten en de nadelige gevolgen voor de cliënt in dit concrete geval, een maatregel die een beroepsbeperking meebrengt, zoals een schorsing. Door de cliënt zelf is ook een tuchtklacht ingediend tegen de verpleegkundige over het aangaan van de relatie met hem. Deze zaak (met nummer A2021/3794) is op dezelfde zitting afzonderlijk behandeld en daarin wordt vandaag ook uitspraak gedaan. Omdat het om hetzelfde feitencomplex gaat, zal het college in deze zaak – evenals in die andere zaak – de helft van de genoemde duur van de schorsing opleggen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3537

    Klager was gedetineerd en heeft een klacht ingediend tegen een psychiater werkzaam in de instelling. Klager verwijt de psychiater dat zij ten onrechte het geneesmiddel haloperidol aan hem heeft voorgeschreven, bovendien zonder enige uitleg en voorlichting omtrent de bijwerkingen. Verder beklaagt klager zich erover dat hij de psychiater weinig heeft gezien of gesproken. De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft aan klager voorgesteld om haloperidol voor te schrijven in verband met zijn achterdocht en agitatie. Klager is het middel enkele dagen later gaan gebruiken. De psychiater heeft verklaard dat zij wel uitleg heeft gegeven over de werking en de meest voorkomende bijwerkingen van het middel. Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Het college acht het voldoende aannemelijk dat de psychiater klager heeft voorgelicht over haloperidol. De psychiater heeft het middel in een gebruikelijke dosering voorgeschreven. Bovendien is uit de voortgangsrapportage gebleken dat zij zich heeft bekommerd om het optreden van bijwerkingen. Verder is uit de voortgangsrapportage gebleken dat de psychiater en klager elkaar geregeld hebben gesproken. Het college concludeert dat de psychiater geen (tuchtrechtelijk) verwijt kan worden gemaakt en heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard.