Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

Zoekresultaten 81-90 van de 271 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:53 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-223

    Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De rol van een bedrijfsarts bij verzuimbegeleiding is tweeledig. Enerzijds is het zijn taak te beoordelen of een werknemer ziek is, waarbij ook moet worden beoordeeld of het werk de ziekte (mede) heeft veroorzaakt. Zijn andere taak is om te adviseren over de vraag de werknemer in staat is met de klachten te werken, en zo niet, of er binnen het werk zaken moeten worden aangepast om dat wel mogelijk te maken. De terugkoppeling van beklaagde aan de leidinggevende van klaagster wordt in dat licht beoordeeld. Daarnaast zijn daarover regels neergelegd in de Leidraad Bedrijfsarts en privacy uit 2011. Volgens de Leidraad uit 201 dient de bedrijfsarts zich bij het verstrekken van gegevens steeds te beperken tot wat noodzakelijk is in verband met het doel waarvoor de gegevens worden uitgewisseld . B eklaagde is met zijn handelswijze gebleven binnen de ter zake geldende regels van geheimhouding. Zijn omschrijving in de terugkoppeling aan de leidinggevende van klaagster past binnen wat zonder toestemming van de werknemer aan informatie aan een leidinggevende verstrekt mag worden. Klacht ongegrond verklaard.  

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:85 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.177

      Klacht van tandarts tegen een collega-tandarts, werkzaam in een andere praktijk (en tegen haar echtgenoot, eveneens tandarts). Klager verwijt de tandartsen dat zij (1) zich niet houden aan de afspraken over de opvang van spoedgevallen, (2) zich grievend uitlaten over een collega, (3) geen medische dossiers verstrekken en (4) zorg van onvoldoende kwaliteit verlenen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond verklaard, klachtonderdeel 4 ongegrond verklaard en de bevoegdheid van de tandarts voor de duur van een half jaar geschorst, geheel voorwaardelijk. Het Centraal Tuchtcollege constateert dat de verstandhouding tussen klager en de aangeklaagde tandartsen slecht is en dat over en weer klachten worden ingediend. Het medisch tuchtrecht is niet bedoeld en ook niet geschikt om een oordeel te vellen over ernstig verstoorde verhoudingen tussen zorgverleners onderling. Dit is alleen anders als door die verstoorde verhoudingen risico’s ontstaan voor de kwaliteit van de patiëntenzorg. Het Centraal Tuchtcollege beziet per klachtonderdeel of klager klachtgerechtigd is en of de aangeklaagde tandarts hier persoonlijk een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel 2 is gegrond. Het college vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, voor zover deze betrekking heeft op de klachtonderdelen 1 en 3; verklaart klager niet‑ontvankelijk in klachtonderdeel 1 en verklaart klachtonderdeel 3 alsnog ongegrond; verstaat dat de opgelegde maatregel van voorwaardelijke schorsing van 6 maanden komt te vervallen en legt aan de tandarts de maatregel van waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:54 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-136

    Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts en verzekeringsarts. Er zijn in dit geval geen feiten of omstandigheden gebleken die leiden tot het oordeel dat beklaagde de situatie van klaagster niet voldoende onafhankelijk heeft beoordeeld. Op grond van de door klaagster in het gesprek naar voren gebrachte informatie kon beklaagde in redelijkheid tot de conclusie komen dat klaagster niet ziek was en dat er sprake was van een arbeidsconflict. Gelet hierop, en op het feit dat een uitgebreide anamnese is afgenomen, kan niet worden aangenomen dat beklaagde zijn conclusie uitsluitend heeft gebaseerd op de informatie die hij van het verzuimbedrijf over klaagster had ontvangen. Klacht en overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.  

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-228

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. Het College kan niet kan vaststellen dat, zoals klaagster stelt, zij meermalen heeft gevraagd om een longfoto. Omdat het College dit niet kan vaststellen kan zij ook niet onderzoeken of, zoals klaagster stelt, beklaagde door geen longfoto te laten maken is tekortgeschoten in de zorg die zij tegenover klaagster moet verlenen. Het medisch dossier biedt in ieder geval geen aanknopingspunt dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het College voegt daar aan toe dat beklaagde in ieder geval op juiste wijze heeft gereageerd op de klachten met betrekking tot hoesten die klaagster op 8 en 22 februari 2019 op haar spreekuur heeft geuit. Klacht ongegrond verklaard.  

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:86 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.204

    Klacht tegen waarnemend huisarts , destijds in het derde jaar van haar opleiding. Klaagster is de dochter van patiënte. De huisarts zag patiënte op visite. Na anamnese en lichamelijk onderzoek heeft zij bloedonderzoek voorgesteld. Op grond van een meegekregen urinemonster heeft de huisarts een urineweginfectie vastgesteld en behandeld. Het eerder voorgestelde bloedonderzoek heeft zij (voorlopig) achterwege gelaten. De huisarts heeft patiënte nadien nog tweemaal bezocht. Op de dag van de laatste visite is patiënte opgenomen in het ziekenhuis waar een aneurysma aorta werd vastgesteld. De klacht houdt in dat verweerster: 1) bij haar eerste visite heeft voorgesteld een bloedonderzoek te verrichten, maar heeft nagelaten het bloedonderzoek uit te voeren en 2) in de ochtend van de dag waarop de derde visite werd afgelegd niet direct contact heeft opgenomen met patiënte nadat zij van het laboratorium de hoge INR waarde had ontvangen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:55 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-211a

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Het handelen van beklaagde valt onder de eerste tuchtnorm, nu in artikel 1 Wet BIG wordt bepaald dat onder ‘geneeskunst’ ook handelingen worden begrepen die ertoe strekken de gezondheidstoestand van een persoon te beoordelen. Onder ‘individuele gezondheidszorg’ valt ook het onderzoeken van personen en het geven van raad, waaronder geneeskunst (artikel 1 vierde gedachtestreepje, aanhef en onder c, en vijfde gedachtestreepje, Wet BIG). Van de door klager benoemde organisatorische problemen bij het CBR kan beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Zo is niet gebleken dat beklaagde invloed had op de doorlooptijden bij het CBR of op het beleid ten aanzien van de verzending van post. Ook is niet gebleken dat als gevolg van enig persoonlijk handelen of nalaten door beklaagde de privacy van klager is geschonden, als van een dergelijke schending al sprake zou zijn geweest. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.  

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:49 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-227

    Gegronde klacht tegen een huisarts. Nu verweerder zelf niet heeft gecontroleerd of het door klager aangevraagde onderzoek naar het dragerschap van de sikkelcelziekte ook daadwerkelijk was verricht met als gevolg dat aan klager een onvolledige en (naar later bleek) onjuiste uitslag is medegedeeld, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld. Verweerder is immers verantwoordelijk voor het aangevraagde labonderzoek, het evalueren van de uitslag en het doorgeven van de juiste uitslag aan de patiënt. Onder verantwoordelijkheid van verweerder is aan klager een onjuiste uitslag van bloedonderzoek doorgegeven. Voorts is in het proces tussen een verzoek om een labonderzoek aan de assistente tot aan het ontvangen van de onjuiste uitslag, sprake van ernstige tekortkomingen in de praktijkvoering van verweerder, waaronder een onjuiste dossiervorming. Verweerder heeft geen inzicht getoond in het foutieve van zijn handelen en heeft niet heeft getoond van deze casus te hebben geleerd. Verweerder heeft er voorts geen blijk van gegeven dat hij zich ten volle bewust is van het feit dat verbetering in de werkwijze omtrent aangevraagde labonderzoeken noodzakelijk is. Klacht gegrond verklaard. Berisping.  

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:87 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.232

    Klacht tegen chirurg. De chirurg is supervisor van een chirurg in opleiding (tegen wie ook wordt geklaagd). De chirurg in opleiding heeft onder supervisie van de chirurg in 2008 bij patiënt laparoscopisch de galblaas verwijderd. Bij patiënt is in de maanden tot jaren na de operatie een ernstige vorm van levercirrose vastgesteld waardoor patiënt in 2012 is overleden. Klaagster heeft zich op het standpunt geteld dat de leverklachten het gevolg zijn van de galblaasoperatie. Klaagster verwijt de chirurg 1. dat hij zijn informatieplicht en het zelfbeschikkingsrecht heeft geschonden door patiënt niet te informeren dat de operatie zou worden uitgevoerd door een chirurg in opleiding, 2. dat hij niet transparant is geweest over de ervaring/bekwaamheid van de chirurg in opleiding, 3. dat hij niet de waarheid spreekt over de critical view of safety en 4. dat hij tekort is geschoten in zijn zorgplicht en regiefunctie. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Klaagster komt in beroep van die beslissing. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep deels gegrond. De patiënt was ervan op de hoogte dat hij in een opleidingsziekenhuis geopereerd zou worden, maar hij wilde door een ervaren chirurg worden geopereerd. Patiënt heeft ook gevraagd wie hem zou opereren. Daarop is de naam van de chirurg genoemd, omdat deze op het operatieschema stond. Niet is vermeld dat dit niet per definitie betekent dat de chirurg zelf de operatie uitvoert. De folders wijzen hier ook niet op. Het is patiënt niet duidelijk geworden dat hij door een chirurg in opleiding zou worden geopereerd. Er was geen sprake van informed consent ten aanzien van de operateur. Beroep deels gegrond, zonder oplegging van een maatregel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:66 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180291

    Klachten tegen advocaat van de wederpartij. Er zijn meerdere klachtonderdelen. Klaagster is ontvankelijk in haar klacht. Het was verweerders duidelijk dat er een klacht tegen hen was ingediend en wat de klacht van klaagster inhield. Er heeft vervolgens hoor en wederhoor plaatsgevonden. Ook kan het hof verweerders niet volgen in hun grief dat er sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel. Klachtonderdeel a) ziet op het tuchtrechtelijk verwijt dat verweerders zich niet hebben gedragen zoals een behoorlijk advocaat jegens zijn wederpartij betaamt door zich provocerend te gedragen jegens de medewerkers van klaagster tijdens een inspectie op het perceel van de voormalige cliënten van verweerders. Verweerders hebben door hun gedrag ook klaagster als publiekrechtelijk persoon die toe moet zien op naleving van de regelgeving in haar belangen geraakt. Het Hof komt tot de conclusie dat dit klachtonderdeel gegrond is. Bij klachtonderdeel b heeft klaagster geen eigen belang aangezien klaagster door de gestelde grievende uitlatingen over haar bestuurders en medewerkers niet rechtstreeks in een eigen belang is getroffen. Klachtonderdeel c ziet op het verwijt dat verweerders de grenzen van de hen toekomende ruime vrijheid hebben overschreven door op intimiderende wijze structureel medewerkers van klaagster op hun privé adres aansprakelijk te stellen en aangiftes jegens hen te doen. Naar het oordeel van het hof hadden de uitlatingen van verweerders op een minder intimiderende wijze gekund en verklaart dit klachtonderdeel gegrond. Klachtonderdeel d ziet op de uitlatingen van verweerders over klaagster jegens derden.  Het hof oordeelt dit klachtonderdeel in zijn geheel ongegrond. Niet is gebleken dat met de gestelde uitlating de belangen van klaagster onnodig of onevenredig zijn geschaad. Het hof is van oordeel dat volstaan kan worden met het opleggen van een berisping en vernietigt de beslissing van de raad van discipline.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:56 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-211b

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Vast staat dat beklaagde niet betrokken is geweest bij de beoordeling van de aanvraag voor de verlenging van het rijbewijs door klager. Verder is niet gebleken dat beklaagde als Hoofd Medische Zaken bij het CBR invloed had op de door klager genoemde onvolkomenheden in de procedure tot verlenging van het rijbewijs. Dat betekent dat hij daarvoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.