Zoekresultaten 9781-9790 van de 48350 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:159 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4464

    Klacht tegen arts die de verzuimbegeleiding van klager deed toen klager zich ziekgemeld had voor zijn werk. Klager verwijt de arts dat klager - ondanks het negatieve advies hieromtrent van zijn behandelaar - mee moest werken aan belastende onderzoeken en dat beklaagde geen nulmeting heeft verricht en geen contact heeft gelegd met klagers behandelaar. Naar het oordeel van het college bestond er ten behoeve van het uitvoeren van het arbeidsdeskundigonderzoek geen noodzaak of verplichting contact op te nemen met de behandelaar van klager. Ook niet nadat klager daarom had verzocht. Het college komt tot dit oordeel op grond van het feit dat het eerste deskundigenoordeel dateerde uit november 2021. Het deskundigenoordeel – en de daarin opgenomen relevante informatie ten behoeve van de gezondheidssituatie van klager – was dus slechts enkele maanden oud en daarmee nog altijd relevant. Ook was de informatie van de behandelaar voor beklaagde bekend, namelijk diens advies om nog niet een paar keer in de week op locatie te gaan beginnen. De klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:309 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-485/AL/GLD

    Betreft advocaat van de wederpartij. Advocaat heeft na ontvangst van een herstelbeslissing van het hof een nieuwe (iets lagere) berekening van de door klaagster verschuldigde rente opgesteld. Advocaat heeft bij uitblijven van betaling executiemaatregelen in het vooruitzicht gesteld. Betreft een zakelijke mededeling over de aanpak van de zaak. Advocaat heeft de voormalige advocaat van klaagster verzocht haar te informeren over de gevolgen van de aangekondigde executiemaatregelen. Deze advocaat had weliswaar laten weten dat hij zich had teruggetrokken als advocaat van klaagster, maar hij stond in het herstelarrest nog steeds als haar advocaat vermeld en klaagster had ook geen andere rechtsbijstand. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:160 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3711

    Klacht tegen verpleegkundige in tbs-instelling. De klacht heeft onder andere betrekking op de aanvraag van een EVBG-status, een longstay-aanvraag en de plaatsing op een bepaalde afdeling. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:310 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-575/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Betreft het optreden van de advocaat van de wederpartij. De klacht is deels niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de vervaltermijn van drie jaar zoals neergelegd in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet en deels kennelijk ongegrond. Van schending van gedragsregel 15 is geen sprake.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:305 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-257/AL/GLD

    Raadsbeslissing. Klacht van een advocaat over een andere advocaat. De raad constateert dat verweerder - namens zijn cliënten - beslag heeft gelegd en dat verweerder met klager heeft onderhandeld om tot een schikking te komen. De raad is van oordeel dat het verweerder vrij stond om op deze wijze te handelen. Op grond van de stukken, in het bijzonder de onder de feiten opgenomen communicatie tussen klager en verweerder, is niet gebleken dat verweerder niet heeft gestreefd naar een onderlinge verhouding met klager die berust op welwillendheid en vertrouwen. Van een schending van gedragsregel 24 is daarom geen sprake. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:171 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3754

    Ongegronde klacht tegen een internist-nefroloog. De internist was één van de behandelaren van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Zij verwijten de internist onder andere dat zij de zoon van klaagster een noodzakelijke nierdialyse heeft onthouden en dat zij moeder en zoon onjuist heeft geïnformeerd over haar zorgen over de forse bloeddrukdaling. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat er in het dossier geen informatie te vinden is die erop wijst dat er een indicatie bestond voor (spoed)dialyse de dag nadat de internist de zoon van klaagster had gezien. Verder leidt het college uit een aantekening van de internist in het dossier af dat de internist de zoon van klaagster langer in het ziekenhuis had willen houden, omdat zij meer zekerheid wilde over de oorzaak van de lage bloeddruk. Daarbij heeft de internist aandacht geschonken aan het afbouwen van prednison. Ook volgt uit die aantekening voldoende dat de internist geprobeerd heeft dit aan klaagster en haar zoon duidelijk te maken. Kennelijk is dit niet gelukt. Het college kan achteraf niet vaststellen dat dit (uitsluitend) aan de internist heeft gelegen. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:172 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3891

    Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een arts niet in opleiding tot specialist. De arts was betrokken bij de behandeling van de 19-jarige zoon van klaagster, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. Klagers verwijten de arts dat hij de urgentie van de situatie van de zoon niet goed heeft ingeschat en geen ambulance heeft gestuurd, en dat hij de gemeentelijke lijkschouwer onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat de informatie in het dossier de arts, in combinatie met de klachten die de triagiste tegenover hem noemde, aanleiding had moeten geven de situatie van de zoon ernstiger in te schatten dan hij heeft gedaan. Dit klachtonderdeel is gegrond. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond. Het college legt geen maatregel op omdat sprake is van een lichte mate van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Het college merkt nog op dat het in gevallen als deze aanbeveling zou verdienen om een gezamenlijke evaluatie van de gebeurtenissen in de hele keten uit te voeren. Daarnaast is het van belang dat aandacht wordt besteed aan de vraag hoe opleidingstechnisch geïnvesteerd wordt in jonge artsen die niet in opleiding zijn tot specialist, en hoe hun supervisie is geregeld. Publicatie.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:173 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3889

    Gegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster is de moeder van een 19-jarige zoon, die plotseling is overleden. De zoon was bekend met een steroïdresistent nefrotisch syndroom. De huisarts had nachtdienst op de HAP waar klaagster naartoe belde. Klaagster heeft samen met de stiefvader, zussen en broers de klacht ingediend. De klacht luidt in het kort dat de huisarts zich onvoldoende heeft geïnformeerd over de toestand van de zoon, waardoor hij de situatie niet juist heeft beoordeeld. Het college merkt de moeder als klaagster aan, omdat zij de meest aangewezen persoon is om de wil van haar zoon te vertegenwoordigen. Voor ontvankelijkheid van de andere familieleden is dan geen plaats meer en zij zijn dan ook niet-ontvankelijk. Het college overweegt dat de huisarts ten minste bij de triagiste had moeten doorvragen naar de aard en ernst van de benauwdheid van de zoon. Het college is zich ervan bewust dat in deze situatie sprake is van een keten van samenwerking en verantwoordelijkheden, waarin de triagiste, de huisarts en de dienstdoende arts in het ziekenhuis allen een eigen rol vervullen. De beoordeling van de ene zorgverlener binnen de keten beïnvloedt echter de besluitvorming van de andere ketenzorgverlener(s). Ieder moet in zijn eigen positie in beginsel op de ander(en) kunnen vertrouwen, maar dit ontslaat – in dit geval – de huisarts niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om zich goed te (laten) informeren. Het college legt geen maatregel op omdat sprake is van een lichte mate van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:194 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1286

    Klacht tegen psychiater/psychotherapeut. Klager en verweerster waren destijds collega’s bij een stichting die geestelijke gezondheidszorg verleent. Verweerster heeft na dossieronderzoek in het kader van de klokkenluidersregeling een melding gedaan bij de stichting over de dossiervoering en het declaratiegedrag van klager. Klager verwijt verweerster in deze tuchtzaak dat zij onbevoegd medische dossiers heeft ingezien van cliënten met wie zij geen behandelrelatie had, dat zij geen toestemming heeft gevraagd aan klager – de behandelverantwoordelijke – om de dossiers in te zien en dat zij heeft geweigerd in gesprek te gaan met klager over de melding. Het Regionaal Tuchtcollege heeft bij een voorzittersbeslissing de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:207 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-751/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de deken deels kennelijk niet-ontvankelijk, voor zover de klacht ziet op het feit dat verweerder ervoor heeft gekozen geen dekenklacht in te dienen. Daarbij heeft klager geen rechtstreeks belang. Voor het overige kennelijk ongegrond, want niet gebleken dat verweerder zijn taken zodanig heeft verwaarloosd of zich zodanig heeft misdragen dat sprake is van gedragingen die een behoorlijk advocaat niet betamen.