Zoekresultaten 20301-20310 van de 47329 resultaten

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:7 Kamer voor het notariaat Amsterdam C/13/636609/ NT 17-69

    Ten aanzien van het eerste verwijt jegens de notaris overweegt de kamer als volgt. Klaagster onderbouwt haar stelling door te verwijzen naar het echtscheidingsvonnis van 1 april 1986 waarin de scheiding en deling is bevolen, maar voert aan dat deze nooit heeft plaatsgevonden, zodat de notaris niet zonder nader onderzoek mocht meewerken aan de verkoop van de woning. Ook verwijst klaagster naar het kadaster waarin zij (nog) als gehuwd is geregistreerd. Ter zitting heeft de notaris verklaard dat klaagster en erflater in 1968 zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, behoudens een gemeenschap van inboedel op grond van artikel 1:164a BW (oud). Dit is door klaagster niet weersproken. De notaris heeft voorafgaand aan het passeren van de akte van levering van de woning de gebruikelijke notariële verplichtingen - kadastrale recherche en titelonderzoek - verricht. In de aankomsttitel waren de huwelijkse voorwaarden en de naam van erflater als enig eigenaar van de woning omschreven. Voorts heeft de notaris geverifieerd bij de gemeente, afdeling Basisregistratie Personen, of erflater was gehuwd ten tijde van zijn overlijden dan wel of hij als partner was geregistreerd, hetgeen niet het geval bleek. Gelet op een en ander, kan niet worden gezegd dat de notaris ten aanzien van de woning onvoldoende onderzoek heeft uitgevoerd naar de scheiding en deling van enige huwelijksgoederengemeenschap, nu deze woning daartoe nimmer heeft behoord. Ten aanzien van de inboedelgoederen kon de notaris, mede gelet op het tijdsverloop sinds de echtscheiding afgaan op de mededeling dat de woning leeg was, zodat er wat dat betreft ook niets meer te onderzoeken viel. De kamer oordeelt het klachtonderdeel dan ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:204 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.017

    Klacht tegen een verpleegkundige in zijn hoedanigheid van verpleegkundig manager van een afdeling. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing, verklaart klager ontvankelijk in zijn gehele klacht (tweede tuchtnorm) en verklaart de klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-219

    Ongegronde klacht tegen een uroloog. De uroloog hoefde niet bedacht te zijn op een fragiele en zeer dunne urineleider tijdens een flex-URS, omdat dit zelden voorkomt. Van de complicatie, een langgerekte scheur van 10 cm van de urineleider waarvoor een open hersteloperatie noodzakelijk was, kan het College niet vaststellen dat die is ontstaan door onzorgvuldig handelen van de uroloog. Een verdoezeling hiervan is niet komen vast te staan. Een direct oorzakelijk verband tussen de ingreep en de later ontstane gynaecologische klachten ziet het College niet. De uroloog kan er voorts niet verantwoordelijk voor worden gehouden dat zijn dochter de door het ziekenhuis geconsulteerde psycholoog bleek te zijn. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:80 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/440

    Klaagster is door een bedrijfsarts gezien naar aanleiding van een ontslagprocedure bij haar werkgever. Klaagster verwijt verweerder onzorgvuldigheid in terugkoppelingen en het achterhouden van informatie. Tevens verwijt ze hem onder andere valsheid in geschrifte en partijdigheid. Deels gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-071

    Ongegronde klacht van de IGJ tegen een uroloog. De klacht gaat over een niet opgemerkte torsio testis bij een minderjarige patiënt. De IGJ verwijt de uroloog dat hij tekort is geschoten in de zorg door de patiënt niet zelf te zien en af te wijken van het Stroomschema Acuut Scrotum. Ook wijst de IGJ erop dat de uroloog in een soortgelijke zaak een waarschuwing opgelegd heeft gekregen. Ten eerste wijst het College erop dat laatstgenoemde niet betekent dat het handelen van die arts in een volgende tuchtzaak aan een andere, strengere norm moet worden getoetst. De uroloog mocht in casu afwijken van het Stroomschema omdat het momentum waarvoor het is bedoeld, ruimschoots was verstreken. De uroloog mocht ook vertrouwen op de juistheid van de door een collega-uroloog eerder vastgestelde diagnose epididymitis, omdat de echo niet wees op torsio testis. De uroloog kon in deze omstandigheden derhalve volstaan met een afwachtend beleid met wijziging van de antibiotica en het geven van een telefonisch advies aan de SEH-arts. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:81 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/078

    Klaagster was in behandeling bij verweerster als zijnde bedrijfsarts. Klaagster verwijt verweerster dat zij zich heeft voorgedaan als bedrijfsarts, terwijl zij bedrijfsarts in opleiding was. Tevens verwijt zij verweerster dat zij onzorgvuldig met haar dossier is omgegaan. Klaagster heeft ook het gevoel dat verweerster niet onafhankelijk was. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/081

    Klager verwijt verweerder dat hij zich ondanks de bezwaren van klager niet heeft terug getrokken als bedrijfsarts van klager. Ook verwijt hij hem onzorgvuldig handelen tijdens het onderzoek. Gegrond, berisping.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/458

    Klager verblijft in een penitentiaire inrichting en dient een klacht in tegen de bedrijfsarts. Hij verwijt de arts dat hij hem ten onrechte arbeidsgeschikt heeft verklaard voor de (hand)arbeid in de inrichting. De bedrijfsarts heeft volgens klager de bevindingen van de neuroloog niet meegenomen in zijn advies, daaruit blijkt juist dat klager niet arbeidsgeschikt is voor de handarbeid. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRGRO:2018:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/19

    Klacht tegen huisarts, ingediend door dochter van een overleden patiënt. Klaagster verwijt verweerder dat hij nalatig is geweest in de behandeling. Patiënt, die eerder bekend was met longkanker, raakte sterk vermagerd en kreeg in toenemende mate moeite met eten. In een periode van zestien maanden is onvoldoende onderzoek verricht, waardoor niet werd geconstateerd dat patiënt een of meer maagzweren had. Eerdere diagnose en behandeling zou patiënt lichamelijke achteruitgang en veel leed hebben bespaard, zo stelt klaagster. Verweerder stelt dat hij verscheidene malen bloedonderzoek heeft laten verrichten, waaruit geen oorzaak van vermagering bleek. Verweerder nam aan dat de vermagering het gevolg was van onvoldoende eten vanwege toenemende geheugenstoornissen. Verweerder stelt de indruk te hebben gekregen dat patiënt, na de eerdere zware behandeling voor longkanker, geen verder onderzoek en behandeling wenste, maar heeft nagelaten dit (uitdrukkelijk) te bespreken met patiënt en nagelaten verder beleid te formuleren. Het college is van oordeel dat verdieping van de anamnese en nader onderzoek naar de klachten van patiënt geïndiceerd was. Klacht gegrond; oplegging van een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 610633/NT 16-39

    Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel, het verwijt dat de oud-notaris de vennootschap niet uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft uitgeschreven, overweegt de kamer dat dit klachtonderdeel gegrond is. Het verweer van de oud-notaris dat de belastingadviseur en de boekhouder kennelijk de ontbinding en liquidatie van de vennootschap hebben genegeerd en dat de contacten met de boekhouder en de belastingadviseur via de mede-executeur, klager, liepen, ontslaat de oud-notaris immers niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om er op toe te zien dat de vennootschap binnen redelijke termijn bij de Kamer van Koophandel wordt uitgeschreven. De oud-notaris heeft dit ook erkend en zijn verontschuldigingen daarvoor aangeboden. Met klager is de kamer dan ook van oordeel dat de oud-notaris op dit punt onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.