Zoekresultaten 11491-11500 van de 48269 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:44 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1007

    Klacht tegen verpleegkundige. De verpleegkundige is werkzaam binnen een instelling en tegens werkzaam als systemisch en psychosociaal therapeut. In haar relatie met klaagster is de verpleegkundige opgetreden als therapeut. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij: 1. (privé)gevoelens met klaagster heeft gedeeld, terwijl klaagster nog bezig was met relatietherapie. Klaagster had nooit willen weten dat de verpleegkundige liefdesgevoelens voor haar ex-partner had gekregen. Klaagster vindt dat onprofessioneel en er is geen rekening gehouden met haar kwetsbare psychische aard van zijn; en2. na het ontdekken van haar gevoelens niet meteen de behandeling van klaagster heeft stopgezet, maar zeker nog één therapie aan klaagster heeft gegeven. Klaagster verwijt de verpleegkundige verder (klachtonderdeel 3) dat zij door het gedrag van de verpleegkundige het vertrouwen in de verpleegkundige is verloren en daardoor nu in een burn-out zit. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdelen 1. en 3. ongegrond, klachtonderdeel 2. gegrond en heeft aan de verpleegkundige de maatregel van waarschuwing opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel 1. alsnog gegrond en legt aan de verpleegkundige de maatregel van berisping op. Het Centraal Tuchtcollege overweegt in dit kader dat van de verpleegkundige openheid wordt verwacht, maar uitsluitend voor zover deze openheid de behandeldoelen dient.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:26 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-860/AL/MN

    Naar het oordeel van de raad is het verzet van klager ten aanzien van klachtonderdeel c gegrond omdat daarover niet al eerder was beslist, maar voor het overige ongegrond. De raad oordeelt klachtonderdeel c ongegrond. De standpunten van klager en verweerder staan lijnrecht tegenover elkaar zodat de juistheid van het daarin gemaakte verwijt niet kan worden vastgesteld.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:25 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3441

    Klaagster verwijt verweerster, orthopedagoog-generalist, dat zij gesprekken met haar kinderen heeft gevoerd en gestart is met een behandeling, zonder haar toestemming. Ook verwijt ze verweerster geen/onvoldoende inzage in het dossier te hebben gekregen. Verweerster voert verweer. Het college overweegt dat aan de voorwaarden voor het afwijken van de vereiste toestemming is voldaan. Verweerster heeft er in redelijkheid alles aan gedaan om toestemming van klaagster te krijgen. Zij heeft gehandeld als een goed hulpverleenster, in het belang van de kinderen. Ook heeft verweerster het volledige dossier aan klaagster verstrekt en is klaagster in de gelegenheid gesteld het dossier te komen inzien. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:45 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.020

    Klacht tegen een verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft als bezwaarverzekeringsarts een medische rapportage opgesteld over klager. Dit na een bezwaarschrift van klager tegen de UWV-beslissing om klager een WIA-uitkering toe te kennen in de vorm van een WGA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%.Klager verwijt de verzekeringsarts dat zij zich in haar rapportage ongenuanceerd en denigrerend uitlaat over klager en een collega arts (klagers behandelaar) aangaande zijn bevindingen en die bevindingen zonder enige vorm van wetenschappelijke onderbouwing terzijde schuift, dat zij als arts bevooroordeeld is over de onderzoeksmethodes, diagnostiek en therapie van het behandelcentrum waar klager onder behandeling is, dat zij ondeskundig en onzorgvuldig gedrag vertoont omdat zij de aanbevelingen van de Gezondheidsraad en het interne beleidsdocument van het UWV niet heeft meegewogen in haar oordeel en zichzelf ook meerdere malen tegenspreekt en dat zij zich bij het opstellen van haar rapportage als arts onvoldoende onafhankelijk van de opdrachtgever opstelt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht voor wat betreft klachtonderdeel 2 gegrond verklaard, aan de verzekeringsarts de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:348 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-860/AL/MN

    De voorzitter oordeelt twee klachtonderdelen kennelijk niet-ontvankelijk op grond van artikel 47b lid 1 Advocatenwet (ne bis in idem-beginsel). Dat verweerder onbevoegd opdracht heeft gegeven tot ontruiming of op onrechtmatige wijze eigendommen van klager uit de woning heeft verwijderd, is de voorzitter niet gebleken. Overige klachten kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:46 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1021

    Klacht tegen KNO-arts. Klaagster was vanaf (eind) 2014 bij verweerder onder behandeling voor klachten aan de oren. Klaagster verwijt verweerder dat hij oordruppels heeft voorgeschreven en daarmee een onnodig groot risico heeft genomen terwijl hij klaagster niet op die risico’s heeft gewezen. Verder verwijt zij verweerder dat hij via zijn assistente onjuiste informatie heeft verstrekt, te laat heeft doorverwezen, de huisarts niet op tijd heeft geïnformeerd, Prednisolon heeft voorgeschreven en nooit op de door klaagster bij het ziekenhuis ingediende klacht heeft gereageerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2022:46 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-599/DB/LI

    Klacht heeft betrekking op de vordering van advocaat op klaagster betreffende zijn declaraties van 22 april 1996 en 26 september 1997. Deze vordering is in 2002 door de toenmalige Raad van Toezicht begroot. Blijkens die begroting moest door de advocaat op deze declaraties een bedrag van (omgerekend naar euro’s) € 435,24 worden gecrediteerd. Klaagster was derhalve in 2002 bekend met de op de advocaat rustende verplichting om tot creditering over te gaan. Voorzitter heeft de juiste maatstaf toegepast en de klacht op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard.Verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:21 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3225

    Klaagster, werkzaam bij de politie, heeft een klacht ingediend tegen de bedrijfsarts. Er hebben meerdere telefonische contacten plaatsgevonden met de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij 1) een advies over de belastbaarheid heeft gegeven zonder een goede anamnese te hebben afgenomen en zonder haar gezien te hebben, 2) onvoldoende aandacht heeft gehad voor de klachten van klaagster en heeft nagelaten de oordelen/bevindingen van andere hulpverleners - die haaks staan op haar advies - te betrekken bij haar belastbaarheidsadvies, 3) heeft nagelaten om het medische advies aan de werkgever niet eerst schriftelijk aan klaagster te bevestigen, 4) haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden, 5) klaagster ten onrechte juridische adviezen heeft gegeven en daarmee haar informatieplicht heeft geschonden, 6) heeft nagelaten om klaagster te informeren over het medisch advies dat aan de werkgever werd gegeven, 7) op onprofessionele wijze de informatie van andere zorgverleners heeft genegeerd en 8) geen professionele distantie heeft aangehouden tussen haarzelf, klaagster en de werkgever.Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij klaagster steeds vooraf op de hoogte heeft gesteld van alle adviezen die ze aan de werkgever en arbeidsdeskundige heeft gegeven en dat zij wel zorgvuldig en met het belang van klaagster voor ogen heeft gehandeld.Het college heeft de klacht op zitting behandeld. Het college heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het college heeft zich wel kritisch uitgesproken over de kennelijke praktijk bij de politie dat alleen bij een schriftelijke vraagstelling de bedrijfsarts schriftelijk behoeft te adviseren. Het college heeft opgemerkt dat deze gang van zaken voor verbetering vatbaar is. Verweerster heeft ter zitting aangegeven dat zij tot het inzicht is gekomen dat steeds schriftelijke verslaglegging nodig is.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:47 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1059

    Klacht tegen oogarts. Klaagster heeft in de jaren ’80 een ongeval gehad waarbij een cornea perforatie is ontstaan. Er volgt een lensextractie zonder lensimplantatie. Na verloop van tijd ervoer klaagster steeds meer klachten. De oogarts heeft een sulcus-gefixeerde monofocale Toric intra-oculaire lens ingebracht. Klaagster verwijt de oogarts dat:1. hij onvoldoende preoperatief onderzoek heeft verricht (geen Confoscan, geen orthoptisch onderzoek, geen lichtgevoeligheidsonderzoek, geen onderzoek naar fotofobie) en dat er geen sprake was van informed consent;2. hij in zijn verwijsbrief melding heeft gemaakt van aansprakelijkheidsstelling;3. hij in die verwijsbrief ook heeft geschreven dat klaagster depressief is geraakt; en4. hij zich niet aan de afspraak heeft gehouden om eerst onderzoek te doen naar de experts op het gebied van explantatie en een risicoanalyse te maken en de uitkomsten met klaagster te bespreken alvorens actie naar een andere arts te ondernemen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdelen 1 en 3 ongegrond, klachtonderdelen 2 en 4 gegrond en bepaalt dat aan de oogarts geen maatregel wordt opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster. Het Centraal Tuchtcollege zet uiteen dat nader onderzoek niet was geïndiceerd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:52 Hof van Discipline 's Gravenhage 220022

    Artikel 13 beklag. Het hof is met de deken van oordeel dat klaagster op dit moment geen belang heeft bij toewijzing van een advocaat, omdat uit de e-mail van het gerechtshof Amsterdam blijkt dat klaagsters zaak voor arrest staat. Indien een zaak al voor arrest staat gepland, is het onderzoek gesloten en kunnen er geen stukken meer worden ingediend (door een advocaat). Klaagster heeft op dit moment dan ook geen verplichte procesvertegenwoordiging nodig.