ECLI:NL:TGZCTG:2022:46 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1021

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:46
Datum uitspraak: 16-03-2022
Datum publicatie: 16-03-2022
Zaaknummer(s): C2021/1021
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen KNO-arts. Klaagster was vanaf (eind) 2014 bij verweerder onder behandeling voor klachten aan de oren. Klaagster verwijt verweerder dat hij oordruppels heeft voorgeschreven en daarmee een onnodig groot risico heeft genomen terwijl hij klaagster niet op die risico’s heeft gewezen. Verder verwijt zij verweerder dat hij via zijn assistente onjuiste informatie heeft verstrekt, te laat heeft doorverwezen, de huisarts niet op tijd heeft geïnformeerd, Prednisolon heeft voorgeschreven en nooit op de door klaagster bij het ziekenhuis ingediende klacht heeft gereageerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
zaaknummer Centraal Tuchtcollege: C2021/1021
zaaknummer Regionaal Tuchtcollege in Den Haag: 2020-083 (ECLI:NL:TGZRSGR:2021:42)
beslissing in de zaak van: 
A., wonende in B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
hierna: klaagster, gemachtigde: mr. G.A.M. van Atteveld, werkzaam in Alphen aan den Rijn,
tegen
C., (destijds) KNO-arts, destijds werkzaam in D., verweerder in beide instanties, hierna: de KNO-arts, gemachtigde: 
mr. E.J.C. de Jong, advocaat in Utrecht.
1.    Procesverloop 
Klaagster heeft op 30 juni 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege in Den Haag een klacht ingediend tegen de KNO-arts. Dat College heeft de klacht in zijn beslissing van 6 april 2021kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld. De KNO-arts heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
De zaak is in beroep behandeld op de zitting van 26 januari 2022. Klaagster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Van Atteveld. Namens de KNO-arts is zijn gemachtigde, mr. De Jong verschenen. Mr. De Jong heeft laten weten dat de KNO-arts vanwege persoonlijke omstandigheden niet bij de zitting aanwezig kon zijn. Partijen hebben hun standpunten op de zitting verder toegelicht. Mr. Van Atteveld heeft daarbij gebruik gemaakt van notities. Het Centraal Tuchtcollege heeft een kopie van die notities ontvangen. 
2.    Waar gaat deze zaak over?
2.1    Klaagster was vanaf (eind) 2014 bij de KNO-arts onder behandeling. In dat jaar zijn bij haar in beide oren trommelvliesbuisjes geplaatst.
2.2    In 2017 is een nieuw buisje in het linkeroor geplaatst en klaagster heeft de KNO-arts op 9 juni 2017 bezocht voor een controleafspraak. De KNO-arts heeft een korstje rond het buisje verwijderd. Klaagster had klachten van het dichtklappen van het oor en de KNO-arts heeft Sofradex oordruppels voorgeschreven. Deze druppels waren in de apotheek kennelijk niet aanwezig en in plaats daarvan zijn toen Bacicoline-B oordruppels aan klaagster verstrekt. 
2.3    Op 10 juni 2017 heeft klaagster in verband met klachten na het gebruik van de oordruppels contact gehad met de SEH van het ziekenhuis en is zij in overleg met een arts van die SEH gestopt met het gebruik van de druppels. Klaagster heeft op 
12 juni 2017 de KNO-poli gebeld maar geen contact met de KNO-arts gekregen.
2.4    Op 27 juni 2017 had klaagster een controleafspraak bij de KNO-arts. Vanwege klachten van verminderd gehoor in het linkeroor en duizeligheid is bij haar een audiometrie gedaan. De KNO-arts heeft een MRI en een serologieonderzoek aangevraagd. Op 6 juli 2017 heeft de KNO-arts de uitkomst van deze onderzoeken met klaagster besproken en klaagster doorverwezen naar een internist. 
2.5    Op 14 augustus 2017 heeft klaagster een hoortoestel aangemeten gekregen en op 14 september 2017 heeft de KNO-arts klaagster doorverwezen naar het audiologisch centrum van het E.-Ziekenhuis.
2.6    Klaagster verwijt de KNO-arts dat hij (1) oordruppels heeft voorgeschreven en daarmee een onnodig groot risico heeft genomen, (2) klaagster niet op de risico’s heeft gewezen, (3) klaagster via zijn assistente telefonisch onjuiste informatie heeft verstrekt en pas twee weken later een afspraak bood, (4) te laat heeft doorverwezen naar een audioloog, (5) de huisarts van klaagster niet op tijd op de hoogte heeft gebracht, (6) Prednisolon heeft voorgeschreven en dit niet in het medisch dossier heeft vermeld en (7) nooit heeft gereageerd op de door klaagster bij het ziekenhuis ingediende klacht.
2.7    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht op alle punten afgewezen. De bedoeling van het beroep van klaagster is dat de klacht door het Centraal Tuchtcollege alsnog (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard. 
3.    Het oordeel van het Centraal Tuchtcollege 
3.1    Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klaagster hierna bespreken. De conclusie zal zijn dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand blijft. 
3.2    Klaagster maakt in beroep bezwaar tegen (een deel van) de weergave van de feiten in de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de behandeling van het beroep uit van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor vermeld onder 2.1 tot en met 2.5.
3.3    De belangrijkste vraag die in beroep beantwoord moet worden is of er op 
9 juni 2017 een indicatie was om oordruppels voor te schrijven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het eerste klachtonderdeel dat op deze vraag betrekking heeft ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het daarmee eens en legt hierna uit waarom. 
Voorschrijven druppels in een geval als hier aan de orde niet ongebruikelijk
3.4    Op 9 juni 2017 trof de KNO-arts bij de controle een korstje rond het buisje in het linkeroor van klaagster aan. De KNO-arts heeft dit korstje verwijderd. Klaagster heeft op de zitting benadrukt dat zij geen pijn had aan haar oor en dat haar enige klacht was dat het oor af en toe dichtklapte. Deze klachten had zij al jaren.
3.5    Uit het dossier blijkt niet zonder meer of de KNO-arts de oordruppels heeft voorgeschreven in verband met het dichtklappen van het oor of in verband met de aanwezigheid van het korstje in het oor. Omdat de KNO-arts vanwege persoonlijke omstandigheden niet in de gelegenheid was de zitting bij te wonen kon het Centraal Tuchtcollege hem ook niet naar zijn overwegingen op dit punt vragen. Het dossier biedt in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de oordruppels zijn voorgeschreven om een andere reden dan de aanwezigheid van het korstje in het oor, zodat het Centraal Tuchtcollege daarvan uit gaat.
3.6    Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat er binnen de beroepsgroep van KNO-artsen geen consensus lijkt te zijn over het voorschrijven van oordruppels in een geval als hier aan de orde. Onderzoek naar de vraag of nadere richtlijnontwikkeling op dit punt nodig is lijkt daarmee wenselijk. 
Wat hier verder ook van is, vast staat dat het voorschrijven van oordruppels bij aanwezigheid van een korstje in het oor na plaatsing van een buisje binnen de beroepsgroep niet ongebruikelijk is. Het beroep van klaagster slaagt hier daarom niet.
De overige klachtonderdelen zijn ongegrond
3.7    Klaagster heeft in beroep de klachtonderdelen 2 tot en met 7 herhaald en verder toegelicht. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing onder 5.5 tot en met en 5.14 goed onderbouwd geoordeeld dat deze klachtonderdelen ongegrond zijn. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze overwegingen en dit oordeel, zodat het beroep van klaagster ook hier niet slaagt. 
    Conclusie
3.8    Het beroep van klaagster wordt verworpen.
4.    De beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: E.J. Daalder, voorzitter; R.C.A.M. Philippart en J. Legemaate, 
leden-juristen en R.J. Baatenburg de Jong en H.M. Blom, leden-beroepsgenoten en 
M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2022.
Voorzitter  w.g.                Secretaris  w.g.