ECLI:NL:TGZRAMS:2022:21 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3225

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:21
Datum uitspraak: 07-03-2022
Datum publicatie: 16-03-2022
Zaaknummer(s): A2021/3225
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klaagster, werkzaam bij de politie, heeft een klacht ingediend tegen de bedrijfsarts. Er hebben meerdere telefonische contacten plaatsgevonden met de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij 1) een advies over de belastbaarheid heeft gegeven zonder een goede anamnese te hebben afgenomen en zonder haar gezien te hebben, 2) onvoldoende aandacht heeft gehad voor de klachten van klaagster en heeft nagelaten de oordelen/bevindingen van andere hulpverleners - die haaks staan op haar advies - te betrekken bij haar belastbaarheidsadvies, 3) heeft nagelaten om het medische advies aan de werkgever niet eerst schriftelijk aan klaagster te bevestigen, 4) haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden, 5) klaagster ten onrechte juridische adviezen heeft gegeven en daarmee haar informatieplicht heeft geschonden, 6) heeft nagelaten om klaagster te informeren over het medisch advies dat aan de werkgever werd gegeven, 7) op onprofessionele wijze de informatie van andere zorgverleners heeft genegeerd en 8) geen professionele distantie heeft aangehouden tussen haarzelf, klaagster en de werkgever.Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij klaagster steeds vooraf op de hoogte heeft gesteld van alle adviezen die ze aan de werkgever en arbeidsdeskundige heeft gegeven en dat zij wel zorgvuldig en met het belang van klaagster voor ogen heeft gehandeld.Het college heeft de klacht op zitting behandeld. Het college heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het college heeft zich wel kritisch uitgesproken over de kennelijke praktijk bij de politie dat alleen bij een schriftelijke vraagstelling de bedrijfsarts schriftelijk behoeft te adviseren. Het college heeft opgemerkt dat deze gang van zaken voor verbetering vatbaar is. Verweerster heeft ter zitting aangegeven dat zij tot het inzicht is gekomen dat steeds schriftelijke verslaglegging nodig is.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 30 juni 2021 binnengekomen klacht van:

A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,
gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Haarlem,

tegen

C,
bedrijfsarts
werkzaam te D,
v e r w e e r s t e r,
gemachtigde: mr. D.M. Pot, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek, waaronder een mail van 28 oktober 2021 van mr. Dudink waarin hij namens klaagster meedeelt geen behoefte te hebben aan een mondeling vooronderzoek en kort ingaat op het verweerschrift.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de aan hen geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is op 11 februari 2022 op een openbare zitting behandeld. Toen de zitting zou aanvangen bleek dat klaagster en haar gemachtigde zonder voorafgaand bericht niet aanwezig waren. Na telefonisch contact met gemachtigde door de voorzitter van het college werd duidelijk dat hij en klaagster niet meer zouden komen op de geplande zitting hoewel zij daar wel van op de hoogte waren. Een overtuigende verklaring over hun afwezigheid werd door de gemachtigde niet gegeven. Mede omdat verweerster en haar gemachtigde wel waren verschenen heeft het college besloten de zitting doorgang te laten vinden.

Verweerster werd ter zitting bijgestaan door mr. D.M. Pot.

2. De feiten 2.1. Verweerster is een zelfstandig bedrijfsarts. Zij werkt voor 27 uur per week voor de E (‘E). De E hanteert een systeem waarin zij als werkgever een eigen-regiebeleid voert. Daarbij is de leidinggevende leidend als het om verzuim gaat. Deze wordt in de eerste lijn ondersteund door een arbeidsdeskundige. De bedrijfsarts komt pas in beeld in de tweede lijn indien er een beschikbaarheidsadvies nodig is of indien er formulieren volgens de Wet verbetering poortwachter moeten worden ingevuld. De bedrijfsarts adviseert alleen schriftelijk als er een schriftelijke vraagstelling van de leidinggevende en/of arbeidsdeskundige aan het verzoek ten grondslag ligt. Wanneer er geen sprake is van een ziekmelding adviseert de bedrijfsarts evenmin schriftelijk.

2.2. Klaagster, thans 29 jaar oud, is werkzaam bij de E. Op 7 april 2021 vertelt haar teamleider haar dat zij naar aanleiding van een intern door de E uitgevoerd VIK (Veiligheid, Integriteit en Klachten) onderzoek als verdachte van een strafbaar feit wordt aangemerkt. In verband met die verdenking wordt klaagster op 12 april 2021 uitvoerig verhoord. Op 17 april 2021 verwijst haar teamleider haar naar een maatschappelijk werker. Op verzoek van klaagster meldt haar moeder op 3 mei 2021 aan haar werkgever dat klaagster last heeft van clusterhoofdpijnen en het voor haar niet mogelijk is om de volgende dag voor een aanzeggingsgesprek naar het hoofdbureau van E te komen.

2.3. Klaagster is vanaf mei 2021 onder begeleiding van verweerster gekomen. Op 4 mei 2021 verneemt verweerster van de arbeidsdeskundige dat een VIK onderzoek is uitgevoerd en dat daaruit een verdenking tegen klaagster naar voren is gekomen. Mondeling vraagt de arbeidsdeskundige verweerster om te beoordelen of klaagster belastbaar is voor een aanzeggingsgesprek en/of op welke termijn zij gehoord kan worden. Daartoe is voor 6 mei 2021 een telefoongesprek tussen klaagster en verweerster ingepland.

2.4. Bij dit telefoongesprek vertelt klaagster over het verloop van het onderzoek van de E naar haar en tevens dat zij tot 4 mei 2021 heeft gewerkt. Ook spreekt zij over haar stress en de (cluster)hoofdpijn waarvoor zij consulten en behandelingen bij neurologen heeft gekregen. Zij zegt dat zij een aanzeggingsgesprek op dat moment niet aankan. Verweerster is het met haar eens en verwijst klaagster naar een psycholoog. Verweerster koppelt mondeling aan de arbeidsdeskundige terug dat zij klaagster vanwege haar klachten arbeidsongeschikt acht en dat zij niet in staat is om bij een aanzeggingsgesprek te zijn. De arbeidsdeskundige meldt klaagster hierop ziek en verzoekt mondeling aan verweerster om na twee weken een telefonische vervolgafspraak in te plannen met klaagster.

2.5. Voordat de vervolgafspraak plaatsvindt hebben klaagster en verweerder nog telefonisch contact. De psycholoog waar klaagster naar is verwezen is tot 18 mei 2021 afwezig. Met instemming van klaagster wordt zij daarom nu door verweerster doorverwezen naar F (F).

2.6. De telefonische vervolgafspraak tussen klaagster en verweerster vindt plaats op 20 mei 2021. Klaagster geeft aan het eerste gesprek met de psycholoog te hebben gehad. Verder vertelt zij dat de arbeidsdeskundige haar heeft gevraagd of zij inmiddels wel in staat is tot een aanzeggingsgesprek waarbij zij op non-actief zal worden gezet. Zij heeft hier ontkennend op geantwoord. Verweerster legt klaagster uit dat dit een normale reactie van haar is maar dat zij er geen baat bij heeft om het gesprek zo lang uit te stellen. Voorts adviseert zij de gesprekken met de psycholoog op te starten. Verweerster koppelt haar advies weer mondeling terug aan de arbeidsdeskundige.

2.7. Op 27 mei 2021 mailt de psycholoog een intakeverslag met klaagster naar het secretariaat van de E. In dit verslag geeft zij aan dat het gezien haar psychische en medische gesteldheid onverantwoord is als klaagster op korte termijn wordt onderworpen aan een disciplinair verhoor of een gesprek.

2.8. Op 1 juni 2021 vindt een aanzeggingsgesprek – geen verhoor – plaats waarbij naast de teamchef en klaagster ook haar advocaat aanwezig was. In de dagen daarop oefent de teamchef druk uit op klaagster om verhoord te worden.

2.9. Op of kort na 8 juni 2021 schijft de teamchef klaagster een e-mail. Daarin staat onder meer:

‘Vorige week heb jij je aanzegging gekregen. Ik begreep dat er vanuit je advocaat vragen waren over jouw gesprek met de bedrijfsarts en het daaruit volgende advies.

De bedrijfsarts geeft aan dat ze met jou gesproken heeft en dat ze in dat gesprek aan jou aangegeven heeft dat jij vorige week in staat zou moeten zijn geweest om de aanzegging te ontvangen en dat je over ongeveer 4 weken later in staat zou moeten zijn over de zaak gehoord te worden.

Inmiddels heeft de bedrijfsarts nieuwe informatie gekregen van jouw behandelaar. Dit heeft als gevolg dat je opnieuw uitgenodigd zal worden door de bedrijfsarts om dit te bespreken en om indien mogelijk een nieuwe termijn te bepalen waarop je gehoord kunt worden. Wij volgen dat advies en we zullen dan ook conform dat advies uitnodigen voor verhoor. (…).’


2.10. De volgende belafspraak tussen klaagster en verweerster vindt plaats op 17 juni 2021. Hierin geeft klaagster aan dat het niet goed met haar gaat. In het gesprek legt klaagster ook uit dat zij het medisch dossier van verweerster heeft opgevraagd omdat zij verschillende verhalen heeft gehoord over de inhoud van die adviezen. Zij refereert ook aan de hiervoor geciteerde mail. Verweerster betwist dat zij verschillende adviezen heeft gegeven en vertelt dat zij uitsluitend de arbeidsdeskundige over haar situatie heeft gesproken. Verweerster koppelt ditmaal schriftelijk aan de arbeidsdeskundige terug dat klaagster niet in staat is te werken en dat zij ook geen termijn kan geven wanneer dit wel weer het geval zal zijn.

2.11. Op 19 juli 2021 bellen klaagster en verweerster nogmaals met elkaar. Naar aanleiding van dit gesprek geeft verweerster een soortgelijke schriftelijke terugkoppeling als op 17 juni 2021 aan de arbeidsdeskundige. Aan klaagster geeft verweerster nog aan dat zij haar leidinggevende om een andere bedrijfsarts kan vragen als zij dat wil.

3. De klacht
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:
1) na de consulten van 5 mei en 20 mei 2021 een advies over de belastbaarheid heeft gegeven zonder een goede anamnese te hebben afgenomen, zonder haar gezien te hebben, en met name niet een anamnese die voldoet aan de NHG-standaard “Hoofdpijn”;
2) bij deze twee consulten opzettelijk heeft nagelaten de bevindingen/oordelen van andere professionele hulpverleners te betrekken bij haar belastbaarheidsadvies; bevindingen die haaks staan op haar advies. Zodoende heeft zij onvoldoende aandacht gehad voor de klachten van klaagster;
3) heeft nagelaten om het medische advies aan de werkgever niet eerst schriftelijk aan klaagster te bevestigen waardoor onduidelijkheid bestaat over wat is geadviseerd en aan wie. Ook heeft vastlegging in het medisch dossier niet plaats gevonden;
4) haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden, hetgeen blijkt uit het feit dat diverse functionarissen bij haar werkgever op de hoogte waren van de afspraken met de bedrijfsarts;
5) klaagster ten onrechte juridische adviezen heeft gegeven over wat zij met haar medische gegevens mocht doen en daarmee haar informatieplicht heeft geschonden;
6) heeft nagelaten om klaagster te informeren over het medisch advies dat aan de werkgever c.s. werd gegeven en dat met haar door te nemen;
7) op onprofessionele wijze de informatie van andere zorgverleners heeft genegeerd of onvoldoende heeft meegewogen in haar advies;
8) geen professionele distantie heeft aangehouden tussen haarzelf, klaagster en de werkgever; hierdoor kreeg verweerster 4 verschillende versies van de adviezen van verweerster terug gekoppeld. Verweerster is voorzienbaar tekortgeschoten in de behandeling en dossiervorming alsmede heeft zij grensoverschrijdend gedrag vertoond.

De onderbouwing van de klachten door klaagster komt bij de beoordeling daarvan aan de orde.

4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling
5.1. Het college stelt voorop dat het bij een tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Klachtonderdeel 1: verweerster heeft advies over de belastbaarheid gegeven zonder een goede anamnese te hebben afgenomen en zonder klaagster te hebben gezien.
Klachtonderdeel 2: verweerster heeft bij deze twee consulten opzettelijk nagelaten de bevindingen/oordelen van andere professionele hulpverleners te betrekken bij haar belastbaarheidsadvies

5.2. Het college behandelt de eerste twee klachten tezamen omdat zij beide zien op de consulten van 6 en 20 mei 2021 en met elkaar samenhangen.

5.3. Kort gezegd meent klaagster dat verweerster onvoldoende onderzoek naar haar medische situatie heeft gedaan voordat zij advies heeft gegeven. Tegenover het verwijt dat deze consulten telefonisch in plaats van fysiek waren, verweert verweerster zich door erop te wijzen dat het RIVM in verband met de Covid-19 pandemie ten tijde van deze consulten adviseerde zoveel mogelijk thuis te werken en fysieke contacten zoveel mogelijk te beperken. Deze werkwijze werd door de beroepsvereniging van de NVAB (de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde) ondersteund. Dit verweer slaagt. Dat verweerster klaagster bij deze consulten niet heeft gezien kan haar gezien de genoemde omstandigheden niet verweten worden. Uit het dossier blijkt ook niet dat klaagster er nadeel van heeft gehad dat de consulten telefonisch waren.

5.4. De volgende vraag is of verweerster bij deze consulten een onvoldoende anamnese heeft afgenomen. Deze stelling wordt door klaagster in feite alleen onderbouwd door erop te wijzen dat sprake zou zijn geweest van twee korte telefoongesprekken en dat de wijze van het afnemen van een anamnese van de NHG standaard ‘Hoofdpijn’ niet is gevolgd. Wat betreft de duur van de telefoongesprekken stelt verweerster dat het eerste gesprek minimaal 45 minuten heeft geduurd. Het vrij uitvoerige en gedetailleerde verslag ervan in de door verweerster overgelegde ‘medische kaart’ maakt aannemelijk dat het gesprek in ieder geval niet kort is geweest. Van het tweede gesprek geeft verweerster de duur niet aan – zij spreekt over een uitgebreid gesprek - maar is vanwege de weergave van het verslag in de medische kaart aannemelijk dat dit enige tijd in beslag moet hebben genomen. Hoe dan ook zijn in het dossier geen aanwijzingen te vinden dat genoemde gesprekken te kort zouden zijn geweest voor een goede anamnese. Uit deze verslagen blijkt dat ingegaan wordt op de door klaagster gepresenteerde klachten, waaronder de clusterhoofdpijn en de omstandigheden die stress bij haar veroorzaken. Daarbij is nog van belang dat de NHG-standaard is geschreven voor huisartsen en dus gericht is op de curatieve sector. Zij is niet bestemd voor de anamnese van bedrijfsartsen die niet in de curatieve sector werkzaam zijn. Dat deze standaard niet is gevolgd door verweerster kan haar dus niet worden verweten.

5.5. Dat verweerster bij deze twee consulten opzettelijk heeft nagelaten de bevindingen/oordelen van andere professionele hulpverleners te betrekken bij haar belastbaarheidsadvies is gezien het woord ‘opzettelijk’ een zwaar verwijt. Zo’n zware kwalificatie zou alleen gebezigd moeten worden als het wordt onderbouwd. Dat gebeurt niet. Evenmin onderbouwt klaagster haar standpunt dat de bevindingen/oordelen van andere professionele hulpverleners niet zouden zijn meegewogen bij haar oordeel door verweerster. Daartegenover staat dat verweerster wel motiveert dat zij deze bevindingen wel degelijk in haar oordeel heeft betrokken. In het gespreksverslag van 6 mei 2021 in de medische kaart wordt uitvoerig stilgestaan bij de clusterhoofdpijn en de behandeling door de neurologen. Dat verweerster zich rekenschap heeft gegeven van het oordeel van de neurologen is ook aannemelijk omdat zij hun oordeel – tussen haakjes – citeert in dit verslag en melding maakt van een overleg met hen. Verder staat vast dat verweerster klager op 6 mei 2021 naar een psycholoog verwijst en naar F toen bleek dat de psycholoog voor langere tijd afwezig was. Op 20 mei 2021 bespreekt verweerster met klaagster het eerste gesprek met de psycholoog. Dit alles maakt aannemelijk dat verweerster de bevindingen/oordelen van andere professionele hulpverleners serieus heeft genomen meegewogen bij haar oordeel, temeer omdat uit haar advisering blijkt dat zij hun opvattingen deelt.

5.6. Hierbij merkt het college op dat er ook geen aanwijzing is dat verweerster elders in haar begeleiding opvattingen van andere hulpverleners niet serieus heeft genomen of ten onrechte niet heeft betrokken bij haar oordeel. Hoewel uit de hiervoor weergegeven feiten blijkt dat de psycholoog op 27 mei 2021 een intakeverslag met klaagster naar het secretariaat van de E heeft gemaild met haar oordeel dat de psychische en medische gesteldheid van klaagster het onverantwoord maken dat zij op korte termijn wordt onderworpen aan een disciplinair verhoor of gesprek en dat op 1 juni 2021 toch een aanzeggingsgesprek heeft plaatsgevonden staat niet vast dat verweerster dit oordeel zo tijdig heeft gekregen dat zij hierover nog contact had kunnen opnemen met de E. Verweerster stelt immers onbetwist dat zij het oordeel van de psycholoog door een fout van het secretariaat van E eerst op 1 juni 2021 heeft ontvangen. Dat verweerster bij de consulten van 17 juni en 19 juli 2021 bij haar oordeel gebruik heeft gemaakt van de voorhanden oordelen van andere professionele hulpverleners is aannemelijk. De verslaglegging in de medische kaart en het feit dat haar oordeel in lijn is met die oordelen ondersteunen dit.

5.7. Tot slot legt klaagster niet uit waarom zij van mening is dat de adviezen van genoemde hulpverleners haaks zouden staan op het oordeel van de bedrijfsarts. Dit blijkt nergens uit. In lijn met deze adviezen achtte verweerster klaagster niet in staat om te werken en niet in staat om een aanzeggingsgesprek bij te wonen.

Klachtonderdelen 1 en 2 slagen niet.

Klachtonderdeel 3: verweerster heeft nagelaten om het medische advies aan de werkgever niet eerst schriftelijk aan klaagster te bevestigen waardoor onduidelijkheid bestaat over wat is geadviseerd en aan wie. Ook heeft vastlegging in het medisch dossier niet plaats gevonden.

Klachtonderdeel 6: verweerster heeft nagelaten om klaagster te informeren over het medisch advies dat aan de werkgever c.s. werd gegeven en dat met haar door te nemen en

Klachtonderdeel 7: verweerster heeft op onprofessionele wijze de informatie van andere zorgverleners genegeerd of onvoldoende meegewogen in haar advies.


5.8. Ook de klachtonderdelen 3, 6 en 7 lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.9. Verweerster heeft ter zitting nog eens uitgelegd dat de E een eigen-regiebeleid voert en dat dit met zich meebrengt dat alleen bij een schriftelijke vraagstelling een schriftelijk advies volgt van de bedrijfsarts. Aan de consulten op 6 mei, 11 mei en 20 mei 2021 lag geen schriftelijke vraagstelling van de arbeidsdeskundige van de E ten grondslag. Wel heeft verweerster, aldus haar zeggen en anders dan klaagster stelt, deze mondelinge adviezen besproken met klaagster en toestemming gevraagd deze door de mogen zetten naar de arbeidsdeskundige. Door de afwezigheid van klaagster en haar advocaat op de zitting is hierop geen reactie gekomen. Het college gaat er daarom vanuit dat wat verweerster zegt juist is.

5.10. Gelet op het voorgaande zijn er geen aanknopingspunten voor de stelling dat verweerster haar advies niet tevoren heeft besproken met klaagster en geen toestemming heeft gevraagd het advies door de mogen zetten aan de arbeidsdeskundige van de E. Het ligt overigens wel voor de hand dat verweerster het advies met klaagster heeft besproken en dat verweerster hoe dan ook toestemming zou hebben gegeven voor het doorzetten van de adviezen aan de arbeidsdeskundige van de E. Het advies was immers in lijn met de eigen mening van klaagster. Tot slot blijkt ook uit het klaagschrift dat de adviezen - in ieder geval deels - zijn (voor)besproken met klaagster. Zo staat in randnummer 22 van het klaagschrift over het gesprek van 20 mei 2021:

‘ Bedrijfsarts gaf aan dat gezien de stress wat het klaagster oplevert, het beter zal zijn als zij toch naar het gesprek zou gaan. Tevens werd aangegeven dat zij dit als advies ging geven (…)’

5.11. Wel is het college kritisch over de kennelijke praktijk bij de E dat alleen bij een schriftelijke vraagstelling de bedrijfsarts schriftelijk behoeft te adviseren. Naar de mening van het college is schriftelijke advisering noodzakelijk ook als daar geen schriftelijke vraagstelling aan ten grondslag ligt. Daaraan doet niet af dat de E een eigen-regiebeleid voert. Schriftelijke verslaglegging is noodzakelijk om onduidelijkheden te voorkomen over wat er besproken is door de bedrijfsarts over het advies met de werknemer en of er toestemming is gegeven door de werknemer het advies door te geven aan de – in dit geval – arbeidsdeskundige van de werkgever en wat er precies is geadviseerd. Ook voorkomt het dat een werkgever, als hij het niet wenselijk vindt dat er een schriftelijk advies komt, uitsluitend mondelinge vragen stelt. Schriftelijke verslaglegging maakt onderdeel uit van het zich controleerbaar en toetsbaar opstellen van de bedrijfsarts. Daarin heeft de bedrijfsarts een eigen verantwoordelijkheid.

Deze gang van zaken is dus voor verbetering vatbaar. Verweerster heeft ter zitting overigens uit zichzelf aangeven dat zij tot het inzicht is gekomen dat steeds schriftelijke verslaglegging nodig is en dat zij dit bij haar collega’s zal aankaarten. Dat zij in de onderhavige zaak, conform het beleid van de politie door wie zij is ingehuurd, een andere werkwijze hanteerde levert echter geen tuchtrechtelijk verwijt op. Van belang daarbij is dat naast haar eigen reflectie op dit punt, uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken volgt dat zij haar best heeft gedaan voor klaagster, zorgvuldig heeft gehandeld en met haar op een lijn zat.

5.12. Het verwijt van klaagster dat vastlegging van de adviezen in de medische kaart niet heeft plaatsgevonden is niet juist. Deze kaart vermeldt op 6 mei:

‘heden tc met G: aangegeven dat ik haar arbeidsongeschikt acht op basis van de ernst van de klachten ik acht haar ook niet in staat om gesprekken aan te gaan.

’Op 11 mei 2021 ging het telefoongesprek tussen klaagster en verweerster volgens het verslag met name erover dat de psycholoog waarnaar door was verwezen nog niet beschikbaar was. Als advies aan klaagster geeft verweerster dan:

‘mijn advies is dat btr zelf contact met F opneemt en vraagt of zij eerder bij een andere pso terecht kant .’

Het advies op 20 mei 2021 luidt volgens het verslag in de medische kaart:

‘advies gegeven om nog 2 weken te wachten en de gesprekken met de pso op te starten, en dat zij iemand meeneemt naar het gesprek. Wat betreft het verhoor; mi nog even wachten .’

Het advies op 17 juni 2021 verwoordt volgens het verslag van de medische kaart als volgt:

Concrete vragen aan de Arbodienst: is medewerkster in staat een belastend gesprek te voeren.- ik acht betrokkene op grond van de ernst van de klachten en beperkingen nog niet in staat een belastend gesprek te voeren.

indien dit nu niet mogelijk is, op welke termijn is de verwachting dat medewerkster wel het belastende gesprek kan voeren.’ -dit kan ik nog niet aangeven . er lopen meerdere intensieve interventies .

Tot slot wordt over het advies van 19 juli 2021 in de medische kaart weergegeven:

Is medewerkster in staat een belastend gesprek te voeren. -Ik acht betrokkene op grond van de ernst van de medische beperkingen niet in staat een belastend gesprek te voeren.


Indien dit nu niet mogelijk is, op welke termijn is de verwachting dat medewerkster wel het belastende gesprek kan voeren. -dat kan ik nog niet aangeven.


De schriftelijke adviezen over de consulten op 17 juni en 19 juli 2021 heeft verweerster naar de zitting meegenomen. Daarbij heeft zij aangeboden deze te tonen of over te leggen en expliciet aangegeven dat daarvan steeds afschrift is verstrekt aan klaagster. Vanwege het vereiste van ‘hoor en wederhoor’ en de afwezigheid van klaagster, heeft het college van deze schriftelijke adviezen geen kennis genomen. Wel heeft zij geen redenen eraan te twijfelen dat verweerster bij deze consulten schriftelijk heeft geadviseerd met een afschrift aan klaagster.

5.13. In klachtonderdeel 7 wordt ook weer aangevoerd dat verweerster op onprofessionele wijze de informatie van andere zorgverleners genegeerd heeft of onvoldoende heeft meegewogen in haar advies. Voor de verwerping daarvan verwijst het college naar haar oordeel over de klachtonderdelen 1 en 2.

5.14. Klachtonderdelen 3, 6 en 7 slagen niet.

Klachtonderdeel 4: verweerster heeft haar geheimhoudingsplicht geschonden, hetgeen blijkt uit het feit dat diverse functionarissen bij haar werkgever op de hoogte waren van de afspraken met de bedrijfsarts.

5.15. Verweerster betwist deze klacht. Zij stelt dat als het juist is dat diverse functionarissen op de hoogte zijn van de afspraken met de bedrijfsarts, deze informatie niet van haar afkomstig is. Zij voegt daaraan toe dat zij de schriftelijke adviezen uitsluitend heeft gemaild aan klaagster, de arbeidsdeskundige en de leidinggevende. Er is volgens haar nimmer ander contact geweest met de leidinggevende en alleen telefonisch contact met de arbeidsdeskundige op 6 mei 2021.

5.16. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten voor de gegrondheid van de klacht. Klaagster heeft deze enkel onderbouwd met de blote stelling dat meer functionarissen bij haar werkgever op de hoogte waren. Dat is gezien de betwisting van verweerster onvoldoende om aan te nemen dat zij haar geheimhoudingklacht heeft geschonden. Ook als meerdere functionarissen bij haar werkgever op de hoogte waren, behoeft dat niet te betekenen dat verweerster haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

Klachtonderdeel 4 slaagt niet.

Klachtonderdeel 5: verweerster zou klaagster juridische adviezen hebben gegeven over wat zij met haar medische gegevens mocht doen en daarmee haar informatieplicht hebben geschonden.

5.17. In haar klaagschrift schijft klaagster dat verweerster aan haar zou hebben gevraagd aan wie zij haar medisch dossier wilde laten zien en dat zij zou hebben geadviseerd het aan niemand te laten zien. Verweerster betwist deze lezing. Zij zou alleen hebben gezegd dat klaagster er goed over moest nadenken aan wie zij haar medisch dossier zou laten lezen. Zij acht het haar taak om medewerkers erop te wijzen dat het medisch dossier alleen van hen is omdat zij vaker heeft meegemaakt dat medewerkers uit onwetendheid hun medisch dossier aan leidinggevenden tonen.

5.18. Het college kan niet vaststellen welke lezing van de feiten de juiste is, zodat dit klachtonderdeel reeds hierom niet kan slagen.

Klachtonderdeel 8: Verweerster heeft geen professionele distantie aangehouden tussen haarzelf, klaagster en de werkgever; hierdoor kreeg klaagster 4 verschillende versies van de adviezen van verweerster teruggekoppeld; verweerster is voorzienbaar tekortgeschoten in de behandeling en dossiervorming en zij heeft grensoverschrijdend gedrag vertoond.

5.19. Uit het dossier komt een beeld naar voren van een leidinggevende die klaagster op diverse momenten onder druk heeft gezet om een gesprek aan te gaan of zich laten te verhoren terwijl zij arbeidsongeschikt was. Wat daar ook van zij, niet aannemelijk is dat verweerster of haar adviezen daar debet aan zijn geweest. Bij de behandeling van klachtonderdeel 4 is al aan de orde gekomen dat niet aannemelijk is geworden is dat verweerster haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Verder zijn er geen aanwijzingen in het dossier dat verweerster tekort is geschoten in behandeling en dossiervorming of grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond.

Klachtonderdeel 8 slaagt niet.

Conclusie
5.20. De conclusie van het voorgaande is dat alle klachten ongegrond zijn. Verweerster kan met betrekking tot de klachten geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart alle klachten ongegrond.
Aldus beslist door:
E.A. Messer, voorzitter,
R.L. KLoots, E.G. van der Jagt en E.G. Ackema, leden-beroepsgenoten,
Chr. H. van Dijk, lid-jurist,
bijgestaan door C. Neve, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2022 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.