Zoekresultaten 11411-11420 van de 48274 resultaten
-
ECLI:NL:TADRARL:2021:350 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-929/AL/OV/D
- Datum publicatie: 29-03-2022
- Datum uitspraak: 29-11-2021
- ECLI:NL:TADRARL:2021:350
Toewijzing verzoek ex artikel 60c Advocatenwet. Het is de voorzitter op grond van het dossier en de behandeling ter zitting genoegzaam gebleken dat er sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden dat verweerder in ieder geval tijdelijk er geen blijk van geeft zijn praktijk behoorlijk uit te oefenen. Daarvoor zijn de aanwijzingen daaromtrent die de deken hebben bereikt via cliënten, de balie, de zittende- en de staande magistratuur te talrijk. Dit klemt temeer nu zijn broer, de enige andere aan het kantoor verbonden advocaat, wellicht aan de betere hand is maar zeker nog niet in staat om op de noodzakelijke korte termijn een reële bijdrage te kunnen leveren aan oplossing van de gerezen problemen.
-
ECLI:NL:TADRARL:2022:30 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-702/AL/OV/D 21-703/AL/OV/D
- Datum publicatie: 29-03-2022
- Datum uitspraak: 28-03-2022
- ECLI:NL:TADRARL:2022:30
Dekenbezwaren tegen advocaat-eigenaar en tegen een advocaat-werknemer van dat kantoor. Naar het oordeel van de raad is het verdienmodel van het kantoor van verweerders, waarbij toevoegingen efficiënt en gestroomlijnd worden aangevraagd en cliënten voortvarend worden bijgestaan zodat hun werkzaamheden in die toevoegingszaken voldoende rendabel zijn, op zich toelaatbaar. Het gaat de raad daarbij om de uitvoering van die werkwijze door verweerders, die daarin ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben.De raad is op grond van de door de raad vastgestelde door verweerders gehanteerde werkwijze van oordeel dat zij niet het belang van hun cliënt voorop stelden maar het belang om zoveel mogelijk zaken en toevoegingen binnen te halen, waarmee alleen het kantoorbelang was gediend. Het najagen van hun eigen verdienmodel oordeelt de raad extra verwijtbaar omdat verweerders zeer kwetsbare en afhankelijke cliënten in hun bijstandszaken op de tuchtrechtelijk ontoelaatbare manier bijstonden, terwijl juist die cliënten extra zorg van hun advocaat nodig hadden. Beide verweerders hebben met hun handelen het aanzien in de advocatuur geschaad. Zij hebben naar het oordeel van de raad in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit (artikel 10a Aw), met artikel 46 Aw door niet te handelen als een behoorlijk advocaat betaamt door niet het cliëntbelang voorop te stellen (gedragsregel 2) en hebben in strijd met bepalingen uit de Voda gehandeld. De eigenaar van het kantoor wordt tuchtrechtelijk ook verweten dat hij een ontoelaatbaar verdienmodel op zijn kantoor heeft geïmplementeerd en dat zelf ook heeft uitgevoerd. De werknemer-advocaat wordt tuchtrechtelijk verweten dat hij als advocaat/werknemer met een eigen verantwoordelijkheid geen medewerking had mogen verlenen aan de ontoelaatbare werkwijze op zijn kantoor. Hoewel dus met een iets andere achtergrond verklaart de raad dan ook de dekenbezwaren tegen beide verweerders gegrond. De raad legt, gezien specifiek aan de kantooreigenaar toe te rekenen omstandigheden, aan hem een voorwaardelijke schorsing op en aan de advocaat-werknemer een berisping.
-
ECLI:NL:TADRARL:2021:351 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-789/AL/OV/D
- Datum publicatie: 29-03-2022
- Datum uitspraak: 29-03-2021
- ECLI:NL:TADRARL:2021:351
Dekenbezwaar. Gegrond. Verweerder heeft meermalen op een onjuiste wijze de derdengeldrekening van het kantoor gebruikt. Verweerder was daar als medebestuurder van de Stichting Beheer Derdengelden medeverantwoordelijk voor. Over alle betalingen is met verweerder overleg gevoerd en hij heeft de transacties goedgekeurd. Dat zijn ernstige feiten. Verweerder had als medebestuurder meer toezicht op de herkomst en bestemming van de derdengelden op de rekening van de stichting moeten houden. Hij heeft met zijn handelen niet alleen de regels van de Voda overtreden, maar ook de kernwaarden van een advocaat geschonden als genoemd in artikel 10a Advocatenwet onder meer door financieel niet integer te handelen. In het voordeel van verweerder houdt de raad er rekening mee dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld en dat naar aanleiding van deze tuchtzaak het beleid van de Stichting Beheer Derdengelden is aangepast. Waarschuwing. Proceskostenveroordeling.
-
ECLI:NL:TADRARL:2022:31 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-862/AL/MN
- Datum publicatie: 29-03-2022
- Datum uitspraak: 07-02-2022
- ECLI:NL:TADRARL:2022:31
Voorzittersbeslissing. Klachten over onzorgvuldige communicatie, tekortschieten bij de behandeling van de zaken van klager en onzorgvuldig handelen door verweerder doordat hij zich als advocaat heeft onttrokken. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2020:320 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-538/Al/MN
- Datum publicatie: 29-03-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2020
- ECLI:NL:TADRARL:2020:320
Voortzetting van de klachtzaak om redenen van algemeen belang. Een klachtonderdelen ziet op de verrekening door verweerder van de op zijn derdengeldrekening ontvangen gelden met openstaande declaraties. De raad overweegt dat verweerder op grond van de correspondentie met zijn cliënt mocht begrijpen dat zijn cliënt akkoord was met de door hem voorgestelde verrekening en dat het zijn cliënt duidelijk was wat die afspraak inhield. Gelet op het vorenstaande is de raad van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.De overige klachtonderdelen houden alle in dat verweerder geen duidelijke afspraken heeft gemaakt over zijn honorarium. De raad overweegt dat niet is gebleken dat de gewijzigde afspraken onvoldoende duidelijk waren of eenzijdig door verweerder zijn gemaakt. Niet is gebleken dat de cliënt van verweerder het voorstel van verweerder niet begreep. Verweerders cliënt heeft ingestemd met het schriftelijke voorstel Bij die stand van zaken is de raad van oordeel dat de afspraken weliswaar duidelijker hadden kunnen worden geformuleerd, maar niet gebrekkig zijn vastgelegd, waardoor dit geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet is. De raad verklaart de klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRGRO:2022:19 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen GP2020/18
- Datum publicatie: 28-03-2022
- Datum uitspraak: 21-03-2022
- ECLI:NL:TGZRGRO:2022:19
Klacht tegen GZ-psycholoog, inhoudende dat zij heeft gezegd dwangmedicatie te zullen inzetten bij de volgende kliniek, zonder het verhaal van klager te hebben gehoord. Als vaststaand feit dient beschouwd te worden dat tussen klager en beklaagde - na de zorgconferentie - een gesprek heeft plaatsgevonden. Op grond van de stukken kan echter niet worden afgeleid wat inhoudelijk tussen klager en beklaagde is besproken. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen. Als gevolg daarvan is het handelen van beklaagde niet toetsbaar. Het college oordeelt dat de klacht niet kan slagen en acht de klacht kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRGRO:2022:20 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen Z2021/3142
- Datum publicatie: 28-03-2022
- Datum uitspraak: 25-03-2022
- ECLI:NL:TGZRGRO:2022:20
Klacht tegen verpleegkundige. Klager stelt o.a. dat beklaagde hem weigerde te behandelen omdat hij geen mondkapje droeg, terwijl klager in verband met een ernstige longziekte onder de uitzonderingsregel valt. Beklaagde meende na overleg met de polikliniek longziekten dat er geen reden was om een uitzondering te maken. Hij is terug gegaan naar klager met een mondkapje. Het alternatief om een gezicht scherm te dragen hield beklaagde nog even achter de hand. Klager liep echter meteen weg. Om die reden is geen behandeling gevolgd. Beklaagde ontkent hem zorg te hebben geweigerd.Het college constateert dat de standpunten van partijen over de feiten uiteen lopen. Het kan niet vaststellen hoe de feiten precies hebben gelegen. De klacht is daarom ongegrond. Het college overweegt ten overvloede dat een wat soepeler communicatie de klacht mogelijk had voorkomen, maar dat maakt de klacht nog niet gegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3264
- Datum publicatie: 28-03-2022
- Datum uitspraak: 21-03-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:28
Klacht tegen verpleegkundige. Klaagster functioneert al ruim 40 jaar liggend. In verband hiermee heeft zij zeven dagen per week zorg nodig in de vorm van verpleging en verzorging. Hiervoor ontvangt zij een persoonsgebonden budget op grond van de Zorgverzekeringswet. In verband met de aanvraag van een herindicatie is de verpleegkundige, in opdracht van de zorgverzekeraar, bij klaagster op huisbezoek geweest. Hier heeft zij klaagster vragen gesteld om haar zorgbehoefte in kaart te brengen. De aanvraag is vervolgens afgewezen, onder de motivering dat de verpleegkundige niet in de gelegenheid is gesteld om de aanvraag te toetsen door middel van het huisbezoek, omdat klaagster geen antwoord gaf op de inhoudelijke vragen.Klaagster maakt de verpleegkundige een aantal verwijten, onder andere dat zij zich tijdens het huisbezoek niet heeft willen legitimeren, dat het verslag van het huisbezoek onwaarheden bevat en dat de verpleegkundige tijdens het huisbezoek geweigerd heeft bepaalde informatie van haar en de huisarts in ontvangst te nemen. Naar het oordeel van het college zijn de gemaakte verwijten niet terecht. Voor zover klaagster het niet eens is met het systeem van indicatiestelling, overweegt het college dat dit systeem voor de verpleegkundige een gegeven is, waar zij niets aan kan veranderen en waarover haar geen verwijten kunnen worden gemaakt.Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:29 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3234
- Datum publicatie: 28-03-2022
- Datum uitspraak: 25-03-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:29
Klacht tegen internist, inhoudende dat hij niet heeft toegezien op het zorgvuldig omgaan met het EPD, hij de kritieke toestand van de patiënt niet heeft opgemerkt en is tekortgeschoten in zijn rol als supervisor en opleider. Ook wordt beklaagde verweten dat hij als eindverantwoordelijke op de IC niet het onverwachte en snelle overlijden van de patiënt heeft opgepakt om na te gaan of gedurende de behandeling iets niet goed is verlopen. Tevens zou hij als betrokkene op de IC de casus in de necrologiecommissie mede hebben beoordeeld en daarbij onzorgvuldig hebben gehandeld.Het college is ten aanzien van klachtonderdeel 1 van oordeel dat de verslaglegging te summier is en dat hij als hoofdbehandelaarverantwoordelijk is voor een gedegen dossiervoering. Dit klachtonderdeel is gegrond. Met betrekking tot klachtonderdelen 2,3 en 4 acht het college het handelen van beklaagde medisch technisch correct en te billijken. Voorts valt het beklaagde niet te verwijten dat hij de kans op overlijden niet heeft gecommuniceerd met de nabestaanden daar reeds met de patiënt en diens echtgenoot was gesproken over de psychische belasting van een IC-opname. Klachtonderdelen 5 en 6 zijn eveneens ongegrond. Beklaagde heeft ter zitting verklaard geen betrokkenheid te hebben gehad bij de beoordeling van de casus van de patiënt. Het college constateert dat enkel sprake is van een verwijt en heeft reden om aan het handelen van beklaagde een eenmalig verzuim betreft en legt geen maatregel op.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:30 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3235
- Datum publicatie: 28-03-2022
- Datum uitspraak: 25-03-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:30
Klacht tegen internist, inhoudende dat hij de kritieke toestand van de patiënt niet heeft opgemerkt, hij niet heeft toegezien op een correcte naleving van de medicatievoorschriften en hij in zijn rol als supervisor tekort is geschoten. Ook heeft hij op geen enkel moment de ernst van de toestand van de patiënt, noch de kans op overlijden, aan patiënt en nabestaanden gecommuniceerd. Tot slot verwijt klager beklaagde dat hij niet het snelle overlijden van de patiënt heeft opgepakt om na te gaan of iets niet goed is verlopen.Het college oordeelt klachtonderdeel 1, 3 en 5 gegrond. Beklaagde had op grond van de SIRS-criteria de (dreigende) sepsis moeten vaststellen, antibiotica moeten voorschrijven en het lactaat moeten bepalen. Alhoewel de klinische indruk het beeld schetste van een adequaat reagerende patiënt, had beklaagde oog moeten hebben voor deze criteria (ongeacht de cardiale voorgeschiedenis van de patiënt), daar er minstens twee van de vier criteria aanwezig waren. Ook in zijn hoedanigheid van eindverantwoordelijke op de afdeling interne geneeskunde en van supervisor had van beklaagde verwacht mogen worden dat hij zich niet enkel had laten leiden door de cardiale voorgeschiedenis van de patiënt, maar dat hij de aanwezige criteria voor een (dreigende) sepsis had moeten opmerken. Door dit na te laten heeft beklaagde de sepsis ook niet in zijn opleidersrol kunnen betrekken.Met betrekking tot klachtonderdeel 2 is het college van oordeel dat beklaagde het toedienen van de antibiotica mocht overlaten aan de assistent en dat hij er vervolgens vanuit mag gaan dat de opdracht wordt uitgevoerd conform de door hem gegeven instructie. Voor wat betreft klachtonderdeel 4 is het college van oordeel dat het dossier blijk geeft van het feit dat de door hem gestelde diagnose en het door gem gevoerde beleid uitvoerig met de familie is besproken. Nu het college klachtonderdeel 1, 3 en 5 gegrond acht legt het de maatregel van waarschuwing op.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1141
- Pagina: 1142
- Pagina: 1143
- ...
- Pagina: 4828
- Volgende pagina zoekresultaten