ECLI:NL:TGZRGRO:2022:20 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen Z2021/3142

ECLI: ECLI:NL:TGZRGRO:2022:20
Datum uitspraak: 25-03-2022
Datum publicatie: 28-03-2022
Zaaknummer(s): Z2021/3142
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen verpleegkundige. Klager stelt o.a. dat beklaagde hem weigerde te behandelen omdat hij geen mondkapje droeg, terwijl klager in verband met een ernstige longziekte onder de uitzonderingsregel valt. Beklaagde meende na overleg met de polikliniek longziekten dat er geen reden was om een uitzondering te maken. Hij is terug gegaan naar klager met een mondkapje. Het alternatief om een gezicht scherm te dragen hield beklaagde nog even achter de hand. Klager liep echter meteen weg. Om die reden is geen behandeling gevolgd. Beklaagde ontkent hem zorg te hebben geweigerd.Het college constateert dat de standpunten van partijen over de feiten uiteen lopen. Het kan niet vaststellen hoe de feiten precies hebben gelegen. De klacht is daarom ongegrond. Het college overweegt ten overvloede dat een wat soepeler communicatie de klacht mogelijk had voorkomen, maar dat maakt de klacht nog niet gegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG  GRONINGEN

Beslissing d.d. 25 maart 2022 naar aanleiding van de op 17 mei 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen ingekomen klacht van

A , wonende te (inmiddels) B,

k l a g e r

-tegen-

C , verpleegkundige, (destijds) werkzaam te D,

bijgestaan door mr. E.F. van der Goot, advocaat te Rotshuizen Geense te Leeuwarden,

b e k l a a g d e

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • het klaagschrift met de bijlagen;
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • aanvullende stukken van klager d.d. 22 juli 2021
  • aanvullende stukken van beklaagde d.d. 1 februari 2022.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 15 februari 2022, waar zijn verschenen klager en zijn echtgenote en beklaagde, bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

2.1     Klager is bij de longarts onder behandeling wegens sarcoïdose. De polikliniek longgeneeskunde heeft klager in verband met pijnklachten doorgestuurd naar de polikliniek Pijncentrum van het E (hierna: het Pijncentrum en E).

2.2     Op 6 mei 2021 had klager zijn eerste afspraak bij het Pijncentrum. Zowel klager als zijn begeleider (echtgenote) droeg geen mondkapje. Beklaagde heeft klager hierop aangesproken, hem gewezen op de verplichting in het ziekenhuis een mondmasker te dragen en hem voor het consult een mondkapje aangeboden. Daarop heeft klager het Pijncentrum verlaten.

3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klager verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven – dat hij

  • klager weigerde te behandelen omdat hij geen mondkapje droeg, terwijl klager in verband met een ernstige longziekte onder de uitzonderingsregel valt;
  • door zo te handelen klager heeft gediscrimineerd vanwege het niet dragen van een mondkapje;
  • valsheid in geschrifte heeft gepleegd door in het systeem te noteren dat klager ongezien is vertrokken, in plaats van te noteren dat beklaagde klager het consult heeft geweigerd.

4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij niet bekend was met door het RIVM uitgegeven vrijstellingen op de verplichting van het dragen van een mondkapje in publieke binnenruimten (sinds 1 december 2020) en wel wist dat er valse documenten voor een dergelijke vrijstelling in omloop waren. Uit navraag bij de polikliniek longziekten bleek niet van een aanwijzing voor een vrijstelling voor klager. Beklaagde heeft klager het E-beleid uitgelegd en hem een mondkapje gegeven om op het consult te dragen, waarop klager heeft gezegd “Tot ziens bij de tuchtraad” en is vertrokken. Als klager niet was vertrokken en dit aanspreken van klager niet tot een oplossing had geleid, zou beklaagde klager hebben voorgesteld een face shield te dragen en anders zou beklaagde tijdens het consult gepaste persoonlijke beschermingsmiddelen hebben gedragen. Hij zou klager geen zorg hebben geweigerd. Er is geen sprake van discriminatie want ook als klager uiteindelijk geen mondkapje had gedragen, zou hij dezelfde zorg hebben ontvangen als wanneer hij wel een mondkapje had gedragen. De aantekening ‘ongezien vertrokken’ betekent dat de stappen anamnese, onderzoek, conclusie en beleid niet zijn doorlopen.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1 

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt het college vast dat de lezingen van klager en beklaagde ten aanzien van de gang van zaken op 6 mei 2021 op een cruciaal punt volstrekt uiteen lopen. Klager stelt dat beklaagde hem zorg zou hebben geweigerd door te zeggen dat klager een mondkapje zou moeten dragen en dat hij (beklaagde) hem (klager) anders niet zou behandelen. Klager verwijt beklaagde deze door hem gestelde weigering, stelt dat hij daardoor is gediscrimineerd vanwege het niet-dragen van een mondkapje en dat beklaagde, uitgaande van de lezing van klager, valsheid in geschrifte heeft gepleegd door niet te noteren dat beklaagde het consult zou hebben geweigerd.

Deze gestelde weigering wordt door beklaagde gemotiveerd en ondersteund door een tweetal verklaringen van bij het Pijncentrum werkzame (dokters-)assistentes bestreden. Ook ter zitting heeft beklaagde dit desgevraagd gemotiveerd bestreden.

Nu verdere of andere aanwijzingen met betrekking tot hetgeen zich op 6 mei 2021 tussen klager en beklaagde heeft afgespeeld ontbreken, brengt dit, volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg met zich dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit betekent dat, nu de klacht in al zijn onderdelen steunt op de door klager gestelde weigering hem zorg te verlenen, deze in zijn geheel ongegrond is.

5.3

Hoewel het hiervoor onder 5.2 overwogene volstaat, veroorlooft het college zich een overweging ten overvloede. De behoefte daartoe wordt ingegeven door de indruk die het college op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft van hetgeen op de bewuste datum tussen klager en beklaagde is besproken en de wijze waarop dat is gebeurd. Het college heeft namelijk de indruk dat een meer oplossingsgerichte opstelling van beklaagde er wellicht toe had geleid dat het consult wel zou hebben plaatsgevonden  waar mee deze procedure voorkomen had kunnen worden. Daartoe bestond aanleiding nu klager een welgemeend beroep deed op de volgens hem voor hem geldende vrijstelling en hij bovendien een behoorlijke reis had afgelegd om het Pijncentrum te bezoeken. Daartoe bestond ook gelegenheid, nu beklaagde op dat moment telefonisch overleg heeft gepleegd met de polikliniek longziekten om daarna terug te gaan naar klager en zijn echtgenote teneinde hen te wijzen op de verplichting een mondkapje te dragen. Beklaagde had bij die gelegenheid zijn ter zitting genoemde alternatieven ter sprake kunnen brengen, door bijvoorbeeld alvast een face shield naar de wachtkamer meenemen. Hierbij tekent het college aan dat er op dat moment geen vaste norm leek te gelden, maar meer sprake leek te zijn van een wisselend beeld ten aanzien van een eventuele vrijstelling van de verplichting een mondkapje te dragen waarin te meer een reden kan worden gevonden om niet te lang te wachten met het bespreken van eventuele alternatieven.

Ten slotte had beklaagde klager toen deze de wachtkamer verliet naar de gang kunnen volgen teneinde alsnog een oplossing te bewerkstelligen in plaats van de mogelijk wat ‘hoekige’ reactie van klager zonder meer te accepteren. Van beklaagde, zijnde een zorgprofessional, mag in een dergelijke situatie meer worden verwacht.

Hetgeen hiervoor ten overvloede is overwogen kan evenwel niet tot een ander oordeel leiden. Beslist wordt derhalve als volgt.

6. DE BESLISSING

Het college:

         - verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door W.P. Claus, voorzitter, P.A.H. Lemaire, lid-jurist, R. Broeren-Woudstra, G.C. van der Weerd en B.F.A. Goosselink, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van Y.M.C. Bouman, secretaris.                                                                                                  

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  • Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
    - het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
    - als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  • Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  • Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.