ECLI:NL:TGZRGRO:2022:19 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen GP2020/18
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRGRO:2022:19 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-03-2022 |
| Datum publicatie: | 28-03-2022 |
| Zaaknummer(s): | GP2020/18 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen GZ-psycholoog, inhoudende dat zij heeft gezegd dwangmedicatie te zullen inzetten bij de volgende kliniek, zonder het verhaal van klager te hebben gehoord. Als vaststaand feit dient beschouwd te worden dat tussen klager en beklaagde - na de zorgconferentie - een gesprek heeft plaatsgevonden. Op grond van de stukken kan echter niet worden afgeleid wat inhoudelijk tussen klager en beklaagde is besproken. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen. Als gevolg daarvan is het handelen van beklaagde niet toetsbaar. Het college oordeelt dat de klacht niet kan slagen en acht de klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG GRONINGEN
Beslissing in raadkamer d.d. 21 maart 2022 naar aanleiding van de op 17 augustus 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Gravenhage ingekomen en naar het Regionaal Tuchtcollege te Groningen doorgezonden klacht van
A , te B,
k l a g e r
-tegen-
C , GZ-psycholoog en psychotherapeut, (destijds) werkzaam te D,
bijgestaan door mr. D. Zwartjens,
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlage;
- het verweerschrift;
- de repliek;
- de dupliek;
- het proces-verbaal van het op 14 september 2014 gehouden mondeling vooronderzoek.
Naast deze klacht zijn twee met deze klacht verband houdende klachten ingediend tegen collega’s van beklaagde. Deze klachten zijn bekend onder de nummers G2020/45 en GP2020/14.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken – alsmede het behandeldossier - dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager – geboren in 1987 – is in 2005 veroordeeld en heeft een PIJ-maatregel opgelegd gekregen, inhoudende een plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen. Op 3 juli 2006 heeft klager zich tijdens een begeleid verlof onttrokken aan de begeleiding, waarna hij de volgende dag een poging tot moord heeft gepleegd op zijn ex-vriendin. Daarnaast heeft hij tweemaal een poging tot doodslag gepleegd op de vader en de vriend van zijn ex-vriendin. Tevens heeft hij een vriendin van zijn ex-vriendin meerdere malen bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Klager heeft voor deze geweldsplegingen een gevangenisstraf opgelegd gekregen van vijf jaren en een terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met bevel tot dwangverpleging.
Klager is in 2010 begonnen aan zijn TBS-behandeling en verbleef sindsdien in verschillende forensisch psychiatrische centra. Vanaf september 2019 is klager opgenomen bij E, locatie F, afdeling G. Dit is een gesloten observatieafdeling en onderdeel van Forensisch Psychiatrische Kliniek H in D. Beklaagde was gedurende de opname van klager, van september 2019 tot augustus 2020, plaatsvervangend hoofd van de inrichting, te weten het hoofd van de TBS.
Op 16 juni 2020 heeft een zorgconferentie plaatsgevonden, waarbij alle betrokken behandelaren – zo ook beklaagde in hoedanigheid als hoofd van de TBS-kliniek - aanwezig waren. Ook klager en diens advocaat waren bij de zorgconferentie aanwezig. Het doel van de zorgconferentie was om de verdere behandeling van klager met alle betrokken partijen te bespreken, nu er aanwijzingen waren dat de behandeling stagneerde. Uit het verslag van de zorgconferentie volgt:
“De regiebehandelaar vertelt dat betrokkene in september op G (opname-afdeling) is opgenomen. Aanvankelijk leek er iets van een samenwerking te ontstaan, dit is slechts kortdurend geweest. Al snel was te merken dat betrokkene alles wat in zijn optiek met behandeling te maken heeft, afhoudt. Hij wordt ervaren als een man, met wie het vanuit de bestaande pathologie niet lukt om tot een samenwerkingsrelatie te komen. Vanaf de eerste dag gaat hij voortdurend in beklag. Hij doet ernstige beschuldigingen naar het personeel en schermt met een eerder uitgebracht I rapport, waarin hij de bevestiging leest dat hij niets hoeft te doen. Er sprake van een ontbrekend probleembesef en –inzicht. Hij neemt geen verantwoordelijheid voor eigen gedrag, laat afdeling-ontwrichtend gedrag zien en beïnvloedt zijn medecliënten negatief door hen af te raden zich in te zetten voor behandeling.
Betrokkene is erg achterdochtig en wil geen gesprekken aangaan. Dit maakt het erg lastig om contact met betrokkene te krijgen. Er kan gesteld worden dat er een herhaling is te zien van hoe zijn verblijf in vorige klinieken is verlopen.
E zou graag onderzoeken of het na instelling op medicatie mogelijk is om met betrokkene tot een samenwerking te komen. Helaas is dit niet bespreekbaar met betrokkene. E is dan ook van mening dat na alle behandelpogingen geconstateerd moet worden dat de delictdynamiek van betrokkene nog immer actueel is en daarmee het recidivegevaar groot. Met het huidige beeld denkt E dat de behandelmogelijkheden bijna uitgeput zijn en een LFPZ (Langdurig Forensisch Psychiatrische Zoerg) plaatsing overwogen moet worden. In dit overleg willen we toetsen of er de inzet van (dwang)medicatie nog een reële optie is om eerst te onderzoeken, alvorens tot een aanvraag LFPZ over te gaan.”
Na deze zorgconferentie heeft beklaagde, zo volgt uit het verslag van 16 juni 2020, eenmalig met klager gesproken teneinde de situatie van klager te bespreken. Door het wegvallen van de Skypeverbinding heeft de terugkoppeling aan klager plaatsgevonden door het hoofd van de TBS-kliniek en de advocaat van klager in het bijzijn van de regiebehandelaar.
Klager is in augustus 2020 overgeplaatst naar J vanwege het feit dat hij bekend was met privé-informatie over (tenminste) de regiebehandelaar (beklaagde in de klacht met nummer GP2020/14). Dit was voor de kliniek aanleiding een verzoek tot spoedoverplaatsing neer te leggen bij Justitie. Klager is medio juli 2020 – in afwachting van de overplaatsing naar J - overgeplaatst naar een andere afdeling binnen de kliniek.
Op 28 augustus 2020 heeft de kliniek een advies betreffende de verlenging van de TBS-maatregel uitgebracht aan het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dit advies is ondertekend door beklaagde en hield in de TBS-maatregel met twee jaar te verlengen.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
Klager verwijt beklaagde dat zij heeft gezegd dwangmedicatie te zullen inzetten bij de volgende kliniek, zonder het verhaal van klager te hebben gehoord.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert - zakelijk weergegeven en op gronden genoemd in het verweerschrift - aan dat zij binnen de grenzen van een redelijk bekwame en behoorlijke beroepsuitoefening heeft gehandeld. Beklaagde betwist hetgeen haar door klager wordt verweten en stelt dat de klacht als ongegrond dient te worden afgewezen. Voor zover nodig wordt hierna meer specifiek op het verweer ingegaan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college overweegt ten aanzien van de klacht van klager – welke door beklaagde wordt betwist - als volgt. Als vaststaand feit dient beschouwd te worden dat tussen klager en beklaagde - na de zorgconferentie - een gesprek heeft plaatsgevonden. Op grond van de stukken kan echter niet worden afgeleid wat inhoudelijk tussen klager en beklaagde is besproken. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of beklaagde klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het woord van klager en van beklaagde evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen. Als gevolg daarvan is het handelen van beklaagde niet toetsbaar. Het college oordeelt dat de klacht niet kan slagen en acht de klacht kennelijk ongegrond.
5.3
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart dat de klacht kennelijk ongegrond is.
Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, Th.A.M. Deenen en S.M. Pol, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van V.R. Knopper, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle/Groningen. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.