Zoekresultaten 81-90 van de 5001 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2026:73 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9054

    Klacht tegen een arts gegrond. In juni 2021 ontving de inspectie een ontslagmelding van de werkgever van de arts. Hij had (wetenschappelijk) onderzoek verricht op een aantal patiënten zonder de hierbij behorende waarborgen in acht te nemen. De inspectie besloot vervolgens een tuchtklacht in te dienen. Het college legt de maatregel van een berisping op en weegt daarbij mee dat de arts op meerdere punten tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en extra zorgvuldigheid had moeten betrachten bij deze kwetsbare groep patiënten.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:63 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-258/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht van een derde. Voor zover de klacht strafrechtelijke kwalificaties bevat is de raad niet bevoegd. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond omdat niet is gebleken dat verweerder feiten heeft gesteld waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen, noch dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:64 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 26-256/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in de hoedanigheid van deken. De voorzitter stelt vast dat de klacht ziet op optreden van verweerster in de periode van 7 juni 2021 tot 17 maart 2022. De voorzitter overweegt dat klaagster, die al ruim 25 jaar werkzaam is als advocaat, bekend mag worden verondersteld met de wettelijke regeling van de vervaltermijnen voor tuchtklachten. Klaagster heeft zich bij brief van 2 mei 2025, derhalve na het verstrijken van de in artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet bedoelde termijn, met een klacht over verweerster tot het Hof van Discipline gewend. Niet is gebleken dat klaagster niet eerder dan op 2 mei 2025 heeft kunnen klagen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Dat sprake zou zijn van de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet bedoelde situatie is voorts evenmin gebleken. Niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8737

    Klager verwijt de psychiater dat zij verkeerde medicatie heeft voorgeschreven en dat zij geen afbouwschema hanteerde toen zij de medicatie had aangepast. De psychiater heeft zich vergist bij het voorschrijven van het antipsychoticum en dit direct hersteld door alsnog het afgesproken antipsychoticum voor te schrijven. De psychiater toegelicht dat klager in crisis was en moest starten met een antipsychoticum. Welk middel het uiteindelijk zou worden, was minder relevant. Het college acht de vergissing niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Volgens het college heeft de psychiater, toen zij dit opmerkte, adequaat gehandeld. Ook de rest van de klacht wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9031

    De ex-partner van klaagster is enige tijd in behandeling geweest bij een arts in opleiding tot specialist (aios) psychiatrie en verweerder - een psychiater - als zijn supervisor. Tijdens deze opname heeft de aios – die toen net drie maanden als aios aan het werk was – een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat er zorgen waren over de dynamiek tussen klaagster en haar ex-partner en de gevolgen daarvan voor het opvoedklimaat voor hun minderjarige kinderen. Klaagster verwijt de psychiater onder meer dat deze melding onzorgvuldig en onjuist is geweest. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Volgens het college voldoet de melding niet aan de eisen van zorgvuldigheid zoals bedoeld in de KNMG-meldcode kindermishandeling. De psychiater had zich, als supervisor, ervan moeten vergewissen dat de melding aan de eisen van zorgvuldigheid beantwoordde voordat deze aan Veilig Thuis werd gestuurd. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de psychiater een waarschuwing op.Zie ook: A2025/9033 (zaak tegen aios).

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9033

    De ex-partner van klaagster is enige tijd in behandeling geweest bij een arts in opleiding tot specialist (aios / verweerder) psychiatrie en een psychiater, zijn supervisor. Tijdens deze opname heeft de aios – die toen net drie maanden als aios aan het werk was – een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat er zorgen waren over de dynamiek tussen klaagster en haar ex-partner en de gevolgen daarvan voor het opvoedklimaat voor hun minderjarige kinderen. Klaagster verwijt de aios onder meer dat deze melding onzorgvuldig en onjuist is geweest. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Volgens het college voldoet de melding niet aan de eisen van zorgvuldigheid zoals bedoeld in de KNMG-meldcode kindermishandeling. De aios had de melding bovendien aan zijn supervisor moeten voorleggen, voordat hij deze aan Veilig Thuis stuurde. Van een arts die een melding doet bij Veilig Thuis mag verlangd worden dat deze een grote mate van zorgvuldigheid betracht. Het college houdt er rekening mee dat de aios nog maar kort in opleiding was en legt een waarschuwing op.Zie ook: A2025/9031 (zaak tegen supervisor van aios).

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:107 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2025/2982

    .

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:122 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8691

    Klaagster is deels kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht en de klacht is voor het overige kennelijk ongegrond. Klaagster vindt dat de behandelend psychiater van haar ex-partner door ernstig en herhaaldelijk onprofessioneel handelen haar veiligheid en welzijn en dat van haar 6-jarige dochter in gevaar heeft gebracht. Voor zover klaagster klaagt over handelingen in het kader van de behandeling van haar ex-partner, is zij niet-ontvankelijk. In de klachtonderdelen over het handelen van de psychiater jegens klaagster als naaste, is zij wel ontvankelijk. Die klachtonderdelen verklaart het college kennelijk ongegrond.Zie ook: A2025/8994 (verweerder in hoedanigheid van psychotherapeut).

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:162 Hof van Discipline 's Gravenhage 260040

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Klager heeft om aanwijzing van een advocaat verzocht voor een huurgeschil. Zoals de deken terecht heeft aangegeven, moeten huurgeschillen worden aangebracht bij de kantonrechter. Voor een procedure bij de kantonrechter is geen bijstand van een advocaat vereist. Klager mag zelf een procedure voor de kantonrechter starten. Nu op grond van artikel 13 Advocatenwet door de deken alleen een advocaat kan worden aangewezen in zaken waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven, dan wel bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, is het hof van oordeel dat de deken klagers verzoek om aanwijzing terecht heeft afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:105 Raad van Discipline Amsterdam 26-281/A/NH

    Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.