We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZCTG:2026:107 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2025/2982

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:107
Datum uitspraak: 11-05-2026
Datum publicatie: 26-05-2026
Zaaknummer(s): c2025/2982
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, vernietigt waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een huisarts. Klager had medio 2023 telefonisch contact met de huisarts vanwege pijnklachten rond zijn linkerschouder. De huisarts ging uit van een slijmbeursontsteking. Enkele weken later bleek dat klager een ontsteking aan zijn hartklep had. Klager verwijt de huisarts dat zij hem geen fysiek consult heeft aangeboden en onvoldoende naar hem heeft geluisterd. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) gegrond en legt aan de huisarts een waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege komt tot een ander oordeel dan het Regionaal Tuchtcollege en verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) alsnog ongegrond. De aan de huisarts opgelegde waarschuwing komt daarmee te vervallen.


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/2982 van:

A.,
huisarts,
destijds werkzaam in B.,
appellante, verweerster in eerste aanleg, 
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam te Utrecht,

tegen

C.,
wonende in D.,
verweerder, klager in eerste aanleg,
hierna: klager.

1.    Kern van de zaak

1.1    Klager had op 19 juni 2023 telefonisch contact met de huisarts vanwege pijnklachten rond zijn linkerschouder. De huisarts ging uit van een slijmbeursontsteking. Enkele weken later bleek dat klager een ontsteking aan zijn hartklep had. Klager verwijt de huisarts, samengevat, dat zij hem op 19 juni 2023 geen fysiek consult heeft aangeboden en onvoldoende naar hem heeft geluisterd.  

1.2    Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle heeft de klachtonderdelen a), b) en c) gegrond verklaard, de huisarts de maatregel van waarschuwing opgelegd en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege komt tot een ander oordeel dan het Regionaal Tuchtcollege en verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) alsnog ongegrond. De aan de huisarts opgelegde waarschuwing komt daarmee te vervallen.

2.    Verloop van de procedure

2.1    De huisarts heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 29 juli 2025 met nummer Z2024/7648 ((ECLI:NL:TGZRZWO:2025:93). De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege is als bijlage toegevoegd aan deze beslissing.

2.2    Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier van het Regionaal Tuchtcollege, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verweerschrift.

2.3    De zaak is op de zitting van 11 maart 2026 behandeld. Klager en de huisarts waren beiden aanwezig. Klager werd bijgestaan door zijn partner en de huisarts werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. M.F. Mooibroek. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van het college beantwoord. De spreekaantekeningen van de partner van klager en van de gemachtigde zijn aan het dossier toegevoegd.    

3.    Feiten

3.1    Het Centraal Tuchtcollege gaat uit van de volgende feiten.

3.2    De huisarts was vanaf 16 januari 2023 als waarnemend huisarts werkzaam voor de huisartsenpraktijk voor gemiddeld twee dagen per week. Zij werkte daar als ‘arts op afstand’ en ondersteunde de huisartsen die op dat moment fysiek aan het werk waren op de praktijk.

3.3    Klager had op 19 juni 2023 telefonisch contact met de huisartsenpraktijk, in eerste instantie met de assistente van de praktijk. Deze heeft hierover in het medisch dossier genoteerd (alle citaten letterlijk weergegeven):
“S     Schouderklachten, meer dan 1 wk, nu toch wel steeds meer last. Rijd vrachtwagen, 
     maar wil eigenlijk niet. Echt alleen schouder gewricht. Voorkant daarvan. 

Vervolgens heeft klager telefonisch met de huisarts gesproken. Deze heeft hierover genoteerd: 
S     TC: sinds 1 week last van voorzijde li schouder, straalt uit naar de hals. Werkt als 
     vrachtwagenchauffeur, vandaag naar huis gegaan vanwege de klachten. Trauma-.
     Li arm tijdens werk altijd aan het stuur, soms leunt hij op portier. Vannacht 
     pijnstillers genomen. Kan er wel op liggen. 
O    Painfull arc (over de telefoon):++
E     dd bursitis subacromialis
P     Uitleg; diclofenac gel erop, oefeningen thuisarts gestuurd, evt. naar fysio. Bij  
     hardnekkige klachten: evt. cortico inj via huisarts.”

3.4    De huisarts had na dit telefonisch consult geen contact meer met klager. Op 20 juni 2023 nam klager weer contact op met de praktijk. Een collega van de huisarts noteerde in het dossier (onder meer): 
“Dhr gesproken en uitvoorzorg nog een afspraak een inj en onderzoek ingepland.” en 

“S     Naproxen en pcm geen effect, geen koorts, wel misselijk van de pijn, braakt niet. 
     Kan arm nauwelijks bewegen. Warm- rood- geen POB
P     Nu diclofenac nemen, indien geen effect vandaag terugbellen en fysiek beoordelen”

3.5    Op 22 juni 2023 nam de partner van klager contact op met de praktijk. Zij belde voor overleg of klager vaker paracetamol mocht en vertelde dat de pijn niet wegging met de diclofenac. Zij vroeg vervolgens om andere pijnmedicatie en vertelde dat aankleden en afdrogen niet lukte. De collega van de huisarts gaf informatie over pijnbestrijding en vertelde dat een volgende stap iets van morfine zou worden. 

3.6    Klager liet zich vervolgens overschrijven naar de huisartsenpraktijk waar zijn partner als patiënt ingeschreven stond. Die constateerde op 23 juni 2023 een erysipelas (ontsteking van de huid), niet vanuit de schouder. Er werd gestart met antibiotica. Klager werd op 25 juni 2023 opgenomen in het ziekenhuis, waar hij enkele weken lag in verband met een ontsteking aan zijn hartklep. 

4.    Beoordeling van het beroep

Waar gaat het in beroep over
4.1    Volgens klager heeft de huisarts onzorgvuldig gehandeld, omdat zij:
a)    geen tijd had voor een fysiek consult;
b)    niet goed luisterde naar de informatie die klager gaf;
c)    hierdoor een verkeerde diagnose stelde en onjuiste behandeling voorschreef;
d)    zonder toestemming van klager probeerde zijn medisch dossier terug te krijgen.


4.2    Het Regionaal Tuchtcollege is tot de conclusie gekomen dat – kort gezegd – de huisarts de klachten en de hulpvraag van klager tijdens het telefonisch consult van 19 juni 2023 niet goed heeft uitgevraagd en zich toen onvoldoende bewust is geweest van de beperkingen van een telefonisch consult. Dat college heeft de klachtonderdelen a), b) en c) daarom gegrond verklaard. 

4.3    De huisarts is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep is alleen gericht tegen het oordeel over de klachtonderdelen a), b) en c) en tegen de oplegging van een waarschuwing. De huisarts verzoekt het Centraal Tuchtcollege om deze klachtonderdelen alsnog ongegrond te verklaren en de opgelegde waarschuwing te vernietigen. 

4.4    Klager heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep van de huisarts te verwerpen. Klager heeft geen beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel d). 

4.5    Dit betekent dat het in beroep alleen nog gaat over de klachtonderdelen a), b) en c) en over de oplegging van de waarschuwing. Klachtonderdeel d) is in beroep niet meer aan de orde. 

Toetsingskader
4.6    De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. 

Inhoudelijke beoordeling
4.7    De klachtonderdelen a), b) en c) komen er, samengevat, op neer dat de huisarts niet goed luisterde naar de informatie die zij op 19 juni 2023 over de fysieke klachten van klager kreeg en hierdoor ten onrechte geen fysiek consult heeft aangeboden, met alle gevolgen van dien. Het Centraal Tuchtcollege zal deze klachtonderdelen net als het Regionaal Tuchtcollege gezamenlijk bespreken. 

4.8    Partijen zijn het oneens over hoe het telefonisch contact met de huisarts op 19 juni 2023 feitelijk is verlopen. Tussen de aantekeningen van de huisarts in het medisch dossier en de aantekeningen van de partner van klager (het ‘verslag ziektebeeld’) van hetgeen toen besproken is zitten grote discrepanties. Zo heeft volgens klager niet hijzelf, maar (alleen) zijn partner op 
19 juni 2023 en daarna met de praktijk telefonisch contact gehad. Dit omdat klager te ziek was om aan de telefoon te komen. Verder is volgens klager op 19 juni 2023 aan de huisarts gemeld dat de klachten de avond ervoor acuut waren begonnen en dat klager koorts had en een bult op het sleutelbeen. Dit staat allemaal ten onrechte niet of onjuist in het medisch dossier vermeld, aldus klager. De huisarts is daarentegen van mening dat van de juistheid van het medisch dossier moet worden uitgegaan en dat hierin geen relevante informatie ontbreekt. 

4.9    Het Centraal Tuchtcollege overweegt hierover dat volgens vaste tuchtrechtspraak in beginsel inderdaad wordt uitgegaan van de juistheid van het medisch dossier. Dit is alleen anders als er concrete aanknopingspunten zijn die duiden op het tegendeel. Klager en zijn partner hebben hun bezwaren tegen de feitenvaststelling door het Regionaal Tuchtcollege met authentiek overkomende stelligheid naar voren gebracht. Dit is echter onvoldoende voor de conclusie dat er concrete aanknopingspunten zijn die erop duiden dat wat in het medisch dossier is aangetekend niet juist is. Daarbij neemt het Centraal Tuchtcollege ook in aanmerking dat uit andere door klager in eerste aanleg overgelegde stukken, waaronder de brief van 2 december 2024, juist kan worden afgeleid dat klager op 19 juni 2023 wel zelf met de huisarts heeft gesproken. Bovendien heeft de collega van de huisarts een dag later, op 20 juni 2023, ook genoteerd dat hij met ‘dhr’ heeft gesproken, en dus niet met de partner van klager. 


4.10    Verder geldt dat het onmogelijk (en ook niet verplicht) is om alles wat tijdens het consult aan de orde komt, vast te leggen in het dossier. Wanneer er geen bijzonderheden zijn, hoeft een huisarts dat niet te noteren. Gelet op de door de huisarts gegeven toelichting, acht het Centraal Tuchtcollege aannemelijk, dat wanneer klager op 19 juni 2023 een bijzonderheid zou hebben gemeld, bijvoorbeeld dat hij koorts had, de huisarts (of daaraan voorafgaand de assistente) dit wel zou hebben genoteerd. Nu in het medisch dossier geen aantekening is gemaakt van koorts, gaat dit college ervan uit dat klager daar toen geen melding van heeft gemaakt. Voor deze aanname kan ook steun worden gevonden in het feit dat de collega van de huisarts die klager op 20 juni 2023 heeft gesproken, in het medisch dossier heeft genoteerd dat klager toen geen koorts had. Het Centraal Tuchtcollege gaat daarom uit van de juistheid van het medisch dossier wat meebrengt dat ervan moet worden uitgegaan dat door klager gemelde bijzonderheden hier niet uit zijn weggelaten.

4.11    Het Centraal Tuchtcollege overweegt over de vraag of de huisarts de klachten en de hulpvraag van de klager voldoende heeft uitgevraagd, dat klager op 19 juni 2023 eerst met de assistente heeft gesproken en later die dag met de huisarts zelf. De assistente heeft in het medisch dossier onder meer genoteerd dat klager echt alleen klachten van de schouder had. Over alarmsymptomen werd niets vermeld. De huisarts heeft toegelicht dat zij vervolgens in haar eigen gesprek met klager de informatie van de assistente als uitgangspunt heeft genomen en daarop heeft voortgeborduurd. Zij heeft daarbij naar eigen zeggen wel de aanleiding voor het consult getoetst en concludeerde toen net als de assistente dat alleen sprake was van schouderklachten. Zij heeft de hulpvraag van klager niet expliciet meer bij hem uitgevraagd, maar deze kwam tijdens het telefoongesprek wel degelijk impliciet aan de orde. Toen bleek niet dat klager de wens had om fysiek beoordeeld te worden door een huisarts, aldus de huisarts. 

4.12    Het Centraal Tuchtcollege stelt voorop dat de huisarts een eigen verantwoordelijkheid heeft om voldoende informatie te verzamelen om een adequate beoordeling te kunnen doen, maar zich in eerste instantie wel mag baseren op de informatie die de assistente verstrekt. Daarbij neemt dit college in aanmerking dat, zoals de huisarts heeft aangegeven, in deze huisartsenpraktijk gediplomeerde assistentes werken die standaard uitvraag doen conform de Nederlandse Triage Standaard en de daarop gebaseerde NHG-TriageWijzer. 

4.13    Uit de aantekeningen in het medisch dossier valt niet af te leiden welke vragen de huisarts – voortbordurend op de informatie van de assistente – aan klager heeft gesteld en wat er precies besproken is. Zoals hiervoor is overwogen is dat ook geen vereiste om van een juiste vastlegging in het medisch dossier te kunnen spreken. Het volstaat om bijzonderheden te noteren zoals die tijdens het consult naar voren komen uit de door de patiënt gegeven informatie en uit de antwoorden die op de vragen van de huisarts zijn gegeven. Afgaande op het medisch dossier is hieraan voldaan en kan niet vastgesteld worden dat onvoldoende informatie is ingewonnen en dientengevolge geen adequate beoordeling heeft kunnen plaatsvinden. 

4.14    Evenmin is gebleken dat de huisarts geen tijd had voor een fysiek consult, zoals klager heeft gesteld. Hoewel de huisarts – als arts op afstand – niet zelf in de praktijk aanwezig was, was volgens de huisarts een fysieke beoordeling op een spreekuur altijd mogelijk. Dit omdat er alle dagen een huisarts op de praktijk aanwezig was en zij zelf -bij die huisarts- een afspraak voor de betrokken patiënt kon inplannen. Volgens de huisarts heeft klager echter niet om een fysieke beoordeling gevraagd en heeft zij zelf op basis van de toen aanwezige klachten de inschatting gemaakt dat het niet nodig was om klager fysiek te beoordelen. Ervan uitgaande dat, zoals hiervoor overwogen, klager tijdens het telefonisch consult geen melding heeft gemaakt van koorts, kan het Centraal Tuchtcollege deze inschatting van de huisarts volgen. Dat klager tijdens dat eerste consult zelf heeft gevraagd om een fysieke beoordeling is voorts niet aannemelijk gemaakt. 

4.15     Gelet tot slot op dat wat klager de huisarts blijkens het medisch dossier tijdens het telefonisch consult over zijn klachten heeft verteld, kon de huisarts naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege in redelijkheid uitgaan van een bursitis subacromialis. De door haar voorgestelde behandeling was voorts passend bij deze diagnose.

4.16    Het vorenstaande leidt het Centraal Tuchtcollege tot het oordeel dat niet is gebleken dat de huisarts het telefonisch consult op 19 juni 2023 niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft verricht en aldus tot een onjuiste diagnose en behandeling is gekomen. Dit college komt aldus tot een ander oordeel dan het Regionaal Tuchtcollege.
     
Conclusie
4.17         De conclusie is dat het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen a), b) en c) ten
onrechte gegrond heeft verklaard en ten onrechte een maatregel heeft opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege zal de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in zoverre vernietigen en de klachtonderdelen a), b) en c) alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat de aan de huisarts opgelegde waarschuwing komt te vervallen.

5.  Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarbij de klachtonderdelen a), b) en c) gegrond zijn verklaard en aan de huisarts de maatregel van waarschuwing is opgelegd;

en doet voor dat deel opnieuw recht:
verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) ongegrond;

verklaart dat de aan de huisarts opgelegde maatregel van waarschuwing komt te vervallen.

Deze beslissing is genomen door G. Tangenberg, voorzitter, 
R. Prakke-Nieuwenhuizen en T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen, en M.K. Dees en C.A. Lindeboom, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.D. Boer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 mei 2026.
Voorzitter  w.g.      Secretaris  w.g.