ECLI:NL:TGZRAMS:2026:119 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8737
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:119 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-05-2026 |
| Datum publicatie: | 26-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8737 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de psychiater dat zij verkeerde medicatie heeft voorgeschreven en dat zij geen afbouwschema hanteerde toen zij de medicatie had aangepast. De psychiater heeft zich vergist bij het voorschrijven van het antipsychoticum en dit direct hersteld door alsnog het afgesproken antipsychoticum voor te schrijven. De psychiater toegelicht dat klager in crisis was en moest starten met een antipsychoticum. Welk middel het uiteindelijk zou worden, was minder relevant. Het college acht de vergissing niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Volgens het college heeft de psychiater, toen zij dit opmerkte, adequaat gehandeld. Ook de rest van de klacht wordt ongegrond verklaard. |
A2025/8737
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 26 mei 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klager,
tegen
C,
psychiater,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager staat onder behandeling van de psychiater. Op 2 mei 2025 meldde hij
zich in crisis bij
de psychiater. Vanwege klagers naderende vakantie besloot de psychiater klager niet
op te nemen,
maar hem antipsychotica voor te schrijven in een lage startdosis. Enkele dagen later
werd klager na
een auto-intoxicatie opgenomen op de IC.
1.2 Klager verwijt de psychiater dat zij verkeerde medicatie heeft voorgeschreven
en geen
afbouwschema heeft gehanteerd toen zij de medicatie had aangepast. Verder verwijt
hij de psychiater
dat zij hem onvoldoende heeft gemonitord en dat zij ten onrechte een dwangmaatregel
heeft willen
toepassen. Tot slot stelt klager dat de psychiater ten onrechte heeft geweigerd
documenten op te
sturen naar het Expertisecentrum Euthanasie, waardoor het door klager gewenste euthanasietraject
vertraging heeft opgelopen.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld en dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn. Hierna vermeldt het college
eerst hoe de
procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 juli 2025;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 30 juli 2025;
- het aanvullend klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 augustus 2025; en
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 april 2026. Klager was afwezig
met bericht
van verhindering. De psychiater was aanwezig en werd bijgestaan door haar gemachtigde.
De
psychiater heeft samen met haar gemachtigde haar standpunt mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 De psychiater is werkzaam bij Stichting D (hierna: D). Sinds november 2022 is
zij de
behandelend psychiater van klager. Tevens is zij klagers regiebehandelaar. Klager
ontvangt
ambulante behandeling. Klager is bekend met depressieve klachten en is meerdere
malen opgenomen
geweest wegens psychotische decompensaties vaak gepaard gaande met suïcidaliteit
en/of
alcoholgebruik.
3.2 Op vrijdag 2 mei 2025 heeft klager zich gemeld aan de balie van D. Hij zei in
crisis te zijn
en wilde de psychiater spreken. Hij liet weten een einde aan zijn leven te willen
maken en dat zijn
medicatie (lorazepam) niets meer voor hem deed. Er is toen een crisiscontact ingepland
bij de
psychiater.
3.3 De psychiater heeft klager dezelfde dag gezien. Klager liet weten wanhopig te
zijn. Hij
hoorde stemmen in zijn huis en wilde dood. Hij wilde niet meer wachten op de euthanasieaanvraag
die
hij al had lopen via het Expertisecentrum Euthanasie.
3.4 De psychiater heeft een mogelijkheid van een opname tezamen met het instellen
van klager op
een antipsychoticum en een antidepressivum besproken. Dit zou wel betekenen dat
klager zijn
geplande vakantie naar E, die over vier dagen zou starten, zou moeten afzeggen.
Klager heeft hierop
laten weten dat hij heel graag op vakantie wilde. De psychiater heeft met klager
vastgesteld dat
beide keuzes voor- en nadelen hadden.
3.5 Omdat klager echt graag op zijn vakantie wilde, besloot de psychiater om klager
alleen een
antipsychoticum voor te schrijven. Een antidepressivum liet de psychiater vooralsnog
achterwege;
daar kon klager na zijn vakantie mee starten. De psychiater heeft toen met klager
besproken welk
antipsychoticum klager precies wilde: risperidon of amisulpride. Klager koos voor
risperidon, omdat
risperidon ook als depot gegeven kon worden.
3.6 De psychiater heeft vervolgens in plaats van risperidon amisulpride voorgeschreven
(30 stuks,
100 mg). Ook heeft de psychiater het IHT-team gevraagd om dat weekend de zorg op
te schalen in die
zin dat het IHT-team bij klager langs zou gaan om hem te monitoren.
3.7 Dezelfde middag nam klager via sms contact op met zijn casemanager met de mededeling
dat hij
1 tablet amisulpride had ingenomen maar na 1,5 uur nog geen positief effect voelde.
De casemanager
heeft hier in eerste instantie op gereageerd dat klager de medicatie een kans moest
geven. De
casemanager heeft de psychiater vervolgens geïnformeerd over de sms-berichten van
klager. De
psychiater kwam er toen achter dat zij amisulpride had voorgeschreven in plaats
van risperidon en
heeft een nieuw recept gemaakt en naar de apotheek gestuurd.
3.8 De casemanager heeft klager daarop laten weten dat de amisulpride niet de goede
medicatie was
en dat klager de volgende dag kon starten met risperidon.
3.9 De volgende dag, zaterdag 3 mei 2025, kwam een ambulant verpleegkundige van
het IHT-team bij
klager op huisbezoek. Klager heeft de ambulant verpleegkundige laten weten die ochtend
te zijn
gestart met risperidon en dat de scherpe randjes wat van zijn gedachten af waren.
3.10 De psychiater zelf was een lang weekend vrij. Op maandagochtend 5 mei 2025 besloot
de
psychiater toch contact op te nemen met het psychiatrisch crisisteam met de vraag
of zij klager nog
konden beoordelen voordat hij drie weken op vakantie zou gaan en konden beoordelen
of het nog nodig
was om voor klager online- of belafspraken in te plannen gedurende zijn vakantie.
3.11 Het psychiatrisch crisisteam is vervolgens samen met het IHT-team naar klagers
huis gegaan
voor het al geplande huisbezoek. Klager deed de deur echter niet open. Er is toen
contact opgenomen
met zijn zus. Zij liet weten dat hij een dag eerder bij haar op bezoek was geweest
en dat zij
daarna niets meer van hem had vernomen. Afgesproken werd dat zus ook zou proberen
contact te leggen
met klager.
3.12 ’s-Middags is het psychiatrisch crisisteam nogmaals naar klagers huis gegaan.
Wederom deed
klager de deur niet open. Ook zus kon geen contact met klager krijgen. Afgesproken
werd dat zus
naar de woning zou gaan en bij geen gehoor contact zou leggen met de politie.
3.13 Zus heeft klager die avond gevonden op het toilet na een auto-intoxicatie met
antipsychotica.
Klager zat klem tussen het toilet en de muur en kon niet meer bewegen.
3.14 Klager is hierna opgenomen op de Intensive Care (IC) van F locatie B. Op 22
mei 2025 is hij
met ontslag gegaan naar het revalidatiecentrum van G voor verdere revalidatie.
3.15 Op 13 juni 2025 is klager teruggekeerd naar zijn eigen woning. Daar is de ambulante
behandeling vanuit D hervat.
3.16 Op 21 augustus 2025 stond er een huisbezoek gepland bij klager thuis. De psychiater
en de
casemanager van klager zouden dan bij klager langskomen. Deze afspraak heeft klager
echter
afgezegd.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Volgens klager heeft de psychiater onzorgvuldig/onjuist gehandeld, omdat zij:
a) verkeerde medicatie (amisulpride in plaats van risperidon) heeft voorgeschreven;
b) te snel nieuwe medicatie (risperidon) heeft voorgeschreven zonder afbouwschema
voor de oude
medicatie (amisulpride);
c) klager onvoldoende heeft gemonitord en/of begeleid tijdens het medicatietraject;
d) een dwangmaatregel heeft willen toepassen zonder alternatieven te overwegen;
en
e) heeft geweigerd documenten op te sturen naar het Expertisecentrum Euthanasie
ten behoeve van een
euthanasietraject van klager.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van haar verwacht
mocht worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn
voor hun eigen handelen. Voor zover klager klaagt over het handelen van anderen,
zoals D, de
instelling waar de psychiater werkzaam is, kan hij niet in zijn klacht worden ontvangen.
Het
college zal deze verwijten verder buiten beschouwing laten.
Klachtonderdelen a) en b): voorschrijven medicatie
5.3 Klager verwijt de psychiater allereerst dat zij verkeerde medicatie heeft
voorgeschreven. De
psychiater is hier volgens klager achtergekomen toen hij via een sms contact had
opgenomen met de
casemanager. Daarnaast verwijt klager de psychiater dat zij, toen zij vervolgens
wel de juiste
medicatie had voorgeschreven, geen afbouwschema heeft geadviseerd. Door een te snelle
medicatiewisseling zonder toepassing van een afbouwschema zou hij NMS (Neuroleptisch
Maligne
Syndroom) hebben gekregen, aldus klager.
5.4 De psychiater erkent dat zij per abuis amisulpride heeft voorgeschreven in plaats
van de
afgesproken risperidon. Zij geeft hiervoor als verklaring dat het gesprek met klager
op
2 mei 2025 enigszins rommelig verliep toen het ging over de vraag met welke van
de twee
antipsychotica klager wilde starten. Volgens de psychiater wisselde klager hierin
meermaals van
mening. Voor de psychiater was het louter van belang dat klager zou starten met
het gebruik van een
antipsychoticum. Welk middel het uiteindelijk zou worden, maakte voor haar geen
verschil. Toen zij
er dezelfde dag via de casemanager achter kwam dat zij zich vergist had in het voorschrijven
van
het antipsychoticum, heeft zij dit direct hersteld door alsnog het afgesproken antipsychoticum
risperidon voor te schrijven. Volgens de psychiater is een dergelijke vergissing
niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar. De psychiater stelt verder dat, nu klager pas één tablet
amisulpride
had genomen, een afbouwschema niet noodzakelijk was.
Klager was volgens de psychiater namelijk nog niet aan het middel gewend geraakt.
5.5 Het college oordeelt hierover als volgt. Vaststaat dat de psychiater in eerste
instantie niet
het met klager afgesproken antipsychoticum risperidon heeft voorgeschreven. Toen
zij van deze
onjuiste voorschrijving op de hoogte raakte, heeft zij dit direct hersteld door
dezelfde dag alsnog
risperidon voor te schrijven. Klager kon dus direct de volgende dag starten met
de door hem
gewenste medicatie. Deze vergissing van de psychiater acht het college niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar. Het college neemt daarbij in aanmerking dat er bij klager een indicatie
bestond voor
het starten met een antipsychoticum. Amisulpride en risperidon zijn allebei antipsychotica
met een
vergelijkbare werking. Welk van de twee werd gekozen was dus om het even. Bovendien
werd zowel
amisulpride als risperidon voorgeschreven in een voorzichtig lage startdosering,
passend bij
klagers bestaande geestelijke kwetsbaarheid. Het college is van oordeel dat klachtonderdeel
a)
ongegrond is.
5.6 Ook het niet hanteren van een afbouwschema nadat de psychiater alsnog het antipsychoticum
risperidon had voorgeschreven, is volgens het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Tussen
partijen staat niet ter discussie dat klager de verkeerd voorgeschreven amisulpride
slechts één dag
had gebruikt en dat klager een dag later is gestart met risperidon. Door het innemen
van één tablet
amisulpride treedt geen gewenning op. Daarvoor dient iemand een middel weken te
gebruiken. Als
gevolg van gewenning kunnen bij abrupt staken ontwenningsverschijnselen optreden.
Daarom kan na
langer gebruik geleidelijk afbouwen geboden zijn. In dit geval is daar echter geen
sprake van. Ook
klachtonderdeel b) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c) monitoren medicatietraject
5.7 Klager verwijt de psychiater voorts dat zij hem onvoldoende gemonitord of begeleid
heeft
tijdens het medicatietraject in de periode 2 mei tot en met 5 mei 2025.
5.8 Ter zitting heeft de psychiater toegelicht dat zij naast het voorschrijven van
medicatie op 2
mei 2025 ook voor zorgopschaling heeft gezorgd in die zin dat het IHT-team van D
in het weekend bij
klager op bezoek zou komen om hem in de gaten te houden. Verder stelt de psychiater
dat zij op 5
mei nog verdere zorgopschaling heeft georganiseerd door ondersteuning van het psychiatrisch
crisisteam in te schakelen en hun te vragen om klager diezelfde dag nog te bezoeken
en te
beoordelen of het klager nog steeds zou gaan lukken om 3 weken op vakantie te gaan.
5.9 Het college is van oordeel dat de psychiater klager in de periode 2 mei tot
en met 5 mei 2025
voldoende heeft gemonitord door al op 2 mei het IHT-team in te schakelen en op 5
mei 2025 de zorg
verder op te schalen door ondersteuning te vragen van het psychiatrisch crisisteam,
omdat de
psychiater vanwege haar vrije dagen niet in staat was om klager zelf te beoordelen.
Uit de
rapportages in het medisch dossier blijkt ook dat zowel het IHT-team als het psychiatrisch
crisisteam bij klager zijn langsgeweest. Dat klager ondanks de monitoring van het
IHT-team en het
psychiatrisch crisisteam te veel medicatie heeft ingenomen wat heeft geleid tot
een
auto-intoxicatie, kan de psychiater niet verweten worden. Ook klachtonderdeel c)
is ongegrond.
Klachtonderdeel d) toepassen dwangmaatregel
5.10 Klager verwijt de psychiater verder dat zij op 21 augustus 2025 een dwangmaatregel
heeft
willen toepassen in die zin dat hij gedwongen zou worden opgenomen en weer aan de
antipsychotica
zou moeten. Dit zonder eerst neurologisch onderzoek te doen in verband met zijn
grote kans op NMS,
aldus klager.
5.11 De psychiater stelt daartegenover dat zij op 21 augustus 2025 alleen bij klager
op huisbezoek
wilde komen om met hem te spreken over het vervolg van zijn behandeling. Klager
heeft deze afspraak
echter op 21 augustus 2025 afgezegd.
5.12 Uit de rapportages in het medisch dossier blijkt niet dat de psychiater op 21
augustus 2025
een dwangmaatregel in de vorm van een gedwongen opname heeft willen inzetten. Wel
volgt uit het
medisch dossier dat de psychiater op 21 augustus 2025 een huisbezoek met klager
had ingepland om
met hem te spreken over het voornemen om een aanvraag in te dienen voor een zorgmachtiging
aangezien klager medicatie bleef weigeren. Dit voornemen van de psychiater kan het
college –
kijkend naar klagers kwetsbare gezondheidstoestand op dat moment – goed volgen.
Ook klachtonderdeel
d) is ongegrond.
Klachtonderdeel e) medewerking aan euthanasietraject
5.13 Klager verwijt de psychiater tot slot dat zij heeft geweigerd om documenten
op te sturen naar
het Expertisecentrum Euthanasie waardoor het door hem aangevraagde euthanasietraject
vertraging
heeft opgelopen.
5.14 De psychiater stelt dat zij op 20 februari van klager heeft vernomen dat hij
(opnieuw) een
euthanasieverzoek had ingediend bij het Expertisecentrum Euthanasie en dat het Expertisecentrum
Euthanasie informatie van zijn behandelaar nodig had. De psychiater heeft toen aan
klager laten
weten dat zij dit verzoek om informatie in het team zou bespreken. Op 11 maart 2025
is het verzoek
tijdens het multidisciplinair overleg (MDO) besproken en is afgesproken dat de psychiater
en de
agogisch werker de gevraagde informatie aan het Expertisecentrum Euthanasie zouden
gaan
verstrekken. Op 31 maart heeft de agogisch werker vervolgens samen met klager de
brief voor het
Expertisecentrum Euthanasie doorgelopen en aangevuld en op 24 april heeft klager
de brief samen met
de agogisch werker afgemaakt. De psychiater moest de brief op dat moment nog nakijken.
Toen werd
klager echter opgenomen in het ziekenhuis en is klager nadien ambivalent geweest
over zijn
euthanasiewens, aldus de psychiater. Om die reden heeft de psychiater de informatie
nog niet
verstuurd. Toen klager in augustus aan D vroeg of de informatie al aan het Expertisecentrum
Euthanasie was verstuurd, is met hem afgesproken dat hij hierover met de psychiater
in september
zou spreken, omdat zijn wens om het euthanasietraject voor te zetten incongruent
leek met het
proces waar klager op dat moment in zat: de zoektocht naar een begeleide/beschermde
woonplek. De
psychiater heeft hierover vervolgens een afspraak met klager ingepland, maar deze
afspraak heeft
klager telkens verzet. De psychiater geeft aan al met al zeker bezig te zijn met
het door klager
aangevraagde euthanasietraject, maar wel met inachtneming van de benodigde zorgvuldigheid.
5.15 Naar het oordeel van het college heeft de psychiater door de hiervoor geschetste
stappen te
zetten de benodigde zorgvuldigheid in acht genomen. Uit de rapportages in het medisch
dossier
blijkt dat de psychiater het verzoek van klager serieus heeft genomen, hierover
overleg heeft gehad
binnen het team (MDO) en ook de benodigde informatie heeft laten verzamelen. Dat
de psychiater de
informatie uiteindelijk nog niet heeft verstuurd omdat klager – zo blijkt ook uit
het medisch
dossier – wisselende gedachten had over zijn doodswens en zijn toekomst, acht het
college
zorgvuldig. De psychiater valt op dit punt niets tuchtrechtelijks te verwijten.
Ook het laatste
klachtonderdeel e) is ongegrond.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht op alle onderdelen ongegrond
is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.F. Aalders, voorzitter, M.J. Roetert Steenbruggen-Hulshof,
lid-jurist, H.J. de Boer, P.D. Meesters en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
Y.M.C. Bouman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.