ECLI:NL:TADRAMS:2026:105 Raad van Discipline Amsterdam 26-281/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:105 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-05-2026 |
| Datum publicatie: | 22-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-281/A/NH |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk vanwege een niet-verschoonbare termijnoverschrijding. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 18 mei 2026
in de zaak 26-281/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Noord-Holland (hierna: de deken) van 1 april 2026 met kenmerk bb/25-557/2538764, door
de raad ontvangen op (eveneens) 1 april 2026, en van de op de inventarislijst genoemde
bijlagen 1 tot en met 7.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager werkte in het verleden voor een bedrijf in Duitstand (de werkgever).
Tussen klager en de werkgever is een arbeidsconflict ontstaan. Verweerster heeft klager
in 2002 in dit arbeidsconflict als advocaat bijgestaan.
1.2 Bij e-mail van 23 december 2020 heeft klager verweerster laten weten niet
tevreden te zijn met verschillende aspecten van de dienstverlening van verweerster.
Bij brief van 29 december 2022 heeft klager, met bijstand van een advocaat (mr. G),
verweerster aansprakelijk gesteld. In die brief schrijft mr. G - samengevat - dat
verweerster klager destijds ten onrechte had geadviseerd om zich neer te leggen bij
het standpunt van de werkgever en de mediator dat hij geen recht had op uitkering
van door hem opgebouwde, maar niet-genoten vakantiedagen omdat hij sinds het (nietige)
ontslag niet had gewerkt. Verweerster heeft de aansprakelijkstelling afgewezen.
1.3 Op 6 december 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in (i) dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij klager
in 2002 mogelijk in strijd met het geldende (Europese) recht had geadviseerd, waardoor
hij aanzienlijke financiële schade heeft geleden.
2.2 Klager heeft toegelicht dat verweerster hem in 2002 heeft bijgestaan in een
complexe grensoverschrijdende arbeidszaak die in het Duits werd gevoerd door middel
van mediation. Verweerster had aan klager bevestigd, in lijn met wat de mediator en
diens werkgever hem eerder hadden meegedeeld, dat klager geen aanspraak kon maken
op uitbetaling van de opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen. Klager had destijds
geen reden om te twijfelen aan het advies van verweerder, omdat hij als niet-jurist
volledig mocht vertrouwen op de deskundigheid van zijn advocaat. Pas na kennisneming
van recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (met name
arresten uit 2020 en 2022) over het behoud en uitbetaling van vakantiedagen bij nietig
of vernietigbaar ontslag, is het voor klager duidelijk geworden dat het destijds gegeven
advies mogelijk in strijd was met het geldende (Europese) recht. Deze jurisprudentie
deed bij klager voor het eerst besef ontstaan dat hij mogelijk onjuist was geadviseerd
en daardoor aanzienlijke financiële schade heeft geleden. Vanaf het moment dat het
besef bij klager was ontstaan, heeft hij voortvarend gehandeld door verweerster aansprakelijk
te stellen en een klacht in te dienen, waardoor de klacht volgens hem binnen de gestelde
termijn is ingediend.
2.3 Daarnaast houdt de klacht in, zoals de voorzitter uit het klachtenformulier
en de e-mail van de deken van 17 december 2025 opmaakt, dat (ii) verweerster de belangen
van klager onvoldoende heeft behartigd, (iii) haar zorgplicht heeft geschonden door
de zaak te behandelen in een taal die zij niet beheerste en (iv) over het optreden
van verweerster bij de mediator en de totstandkoming van de overeenkomst.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.
4.2 De klacht heeft betrekking op de bijstand van verweerster aan klager in het
arbeidsgeschil met zijn werkgever in 2002. Het vermeende klachtwaardig handelen -
een aldus klager verkeerd gegeven advies - dateert dan ook van meer dan 20 jaar geleden,
terwijl de klacht eerst pas op 6 december 2025 is ingediend. Daarmee is de in 4.1
genoemde termijn van drie jaren ruim overschreden en is de klacht derhalve in alle
onderdelen (i) tot en met (iv) te laat ingediend.
4.3 Voor zover klager stelt dat hij zich pas recent op grond van jurisprudentie
uit 2020 en 2022 heeft gerealiseerd dat verweerster hem destijds mogelijk onjuist
heeft geadviseerd (klachtonderdeel (i)), geldt dat latere jurisprudentie of juridische
inzichten geen nieuw aanvangsmoment voor de driejaarstermijn vormen. Voor zover klager
bedoelt een beroep te doen op het tweede lid van artikel 46g Advocatenwet, overweegt
de voorzitter dat klager zich blijkens de aansprakelijkstelling van 29 december 2022
in ieder geval op dat moment de gevolgen van verweersters (vermeend onjuiste) advies
realiseerde. Vanaf dat moment had klager nog een jaar om een klacht in te dienen.
Hij heeft daarmee echter tot 6 december 2025 gewacht. De termijn van één jaar was
daarmee eveneens ruimschoots overschreden.
4.4 Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar
zou kunnen zijn, is de voorzitter niet gebleken.
4.5 Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht over verweerster, met
toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren.
Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter niet toe.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 18 mei 2026