ECLI:NL:TGZRAMS:2026:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9031

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:120
Datum uitspraak: 26-05-2026
Datum publicatie: 26-05-2026
Zaaknummer(s): A2025/9031
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: De ex-partner van klaagster is enige tijd in behandeling geweest bij een arts in opleiding tot specialist (aios) psychiatrie en verweerder - een psychiater -  als zijn supervisor. Tijdens deze opname heeft de aios – die toen net drie maanden als aios aan het werk was – een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat er zorgen waren over de dynamiek tussen klaagster en haar ex-partner en de gevolgen daarvan voor het opvoedklimaat voor hun minderjarige kinderen. Klaagster verwijt de psychiater onder meer dat deze melding onzorgvuldig en onjuist is geweest. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Volgens het college voldoet de melding niet aan de eisen van zorgvuldigheid zoals bedoeld in de KNMG-meldcode kindermishandeling. De psychiater had zich, als supervisor, ervan moeten vergewissen dat de melding aan de eisen van zorgvuldigheid beantwoordde voordat deze aan Veilig Thuis werd gestuurd. Het college verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond en legt de psychiater een waarschuwing op.Zie ook: A2025/9033 (zaak tegen aios).

A2025/9031

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 26 mei 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
psychiater,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de supervisor,
gemachtigde: mr. A.K.M.T. Rongen, werkzaam te Rotterdam.

1. De zaak in het kort
1.1   De ex-partner van klaagster is enige tijd in behandeling geweest bij een arts in opleiding 
tot specialist (hierna: aios) en verweerder als zijn supervisor. Tijdens deze opname heeft de aios 
een melding gedaan bij Veilig Thuis omdat er zorgen waren over de dynamiek tussen klaagster en haar 
ex-partner en de gevolgen daarvan voor het opvoedklimaat voor hun minderjarige kinderen.

1.2   Klaagster verwijt de supervisor onder meer dat deze melding onzorgvuldig en onjuist is 
geweest. Volgens haar is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en maakt de aios geen 
onderscheid tussen meningen en feiten, en tussen uitspraken van de ex-partner en de eigen visie van 
de aios. Er zouden feitelijke onjuistheden zijn vermeld. Ook verwijt zij de supervisor dat de 
communicatie met haar als mantelzorger gebrekkig is geweest.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Hierna vermeldt het 
college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2.  De procedure

2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-   het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 september 2025;

-   het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 25 november 2025;
-   het verweerschrift met de bijlage, ontvangen op 26 november 2025;
-    de ongedateerde brief van klaagster in reactie op de uitnodiging voor het mondeling vooronderzoek;
-   een e-mail van klaagster van 4 februari 2026;
-   de brief van klaagster, ingekomen op 29 maart 2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik 
gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 april 2026, gelijktijdig met de zaak tegen 
de aios (A2025/9033). De partijen zijn verschenen. De supervisor werd bijgestaan door zijn 
gemachtigde. De partijen en de gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3.  De feiten

3.1   De aios is sinds april 2025 in opleiding tot psychiater bij E op de gesloten opnameafdeling 
van het Centrum voor Spoedeisende Psychiatrie te D, en werkt onder supervisie van de supervisor.

3.2   De (inmiddels ex-)partner van klaagster (hierna: de patiënt) is begin 2025 enige tijd 
opgenomen geweest bij E. De aios en de supervisor waren zijn behandelaars. Tijdens de opname hebben 
er in het kader van de systeemverkenning ook gesprekken plaatsgevonden met klaagster.

3.3   Omdat er zorgen bestonden over de dynamiek tussen klaagster en de patiënt is vanuit E op 12 
maart 2025 anoniem overleg gevoerd met Veilig Thuis H. Veilig Thuis adviseerde het sociaal wijkteam 
te betrekken teneinde een passend gezinsonderzoek en hulpverlening op te starten. Tevens adviseerde 
Veilig Thuis om systeemtherapie te overwegen.

3.4   Op 20 mei 2025 werd de aios benaderd door een neuroloog uit het F, die de minderjarige zoon 
van klaagster en de patiënt behandelde, voor overleg naar aanleiding van een melding van klaagster 
over mogelijk seksueel misbruik van de zoon door de patiënt.

3.5   Op 23 mei 2025 heeft de aios opnieuw anoniem overleg gevoerd met Veilig Thuis. Geadviseerd 
werd om een formele melding te doen.

3.6   Op 29 mei 2025 heeft een afstemmingsgesprek plaatsgevonden met alle betrokkenen, waaronder 
klaagster en haar ouders, de patiënt en zijn ouders, het F, de aios en de supervisor.

3.7   Op 17 juni 2025 heeft de aios een schriftelijke melding gedaan bij Veilig Thuis. Daarin heeft 
hij – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

Betrokkene is nu reeds voor de tweede keer opgenomen op onze psychiatrische afdeling wegens 
suicidaliteit. Er spelen oplopende spanningen tussen partner en hem. Dit leidt door beperkte coping 
tot suicidale uitspraken en gedragingen, waar de kinderen dingen van meekrijgen. Er is reeds een 
Veilig Thuis melding gedaan vanuit de neurologie van het F vanwege vermoeden op seksueel misbruik 
van zoontje [G.]. Gedurende de opname wordt steeds duidelijker dat er thuis sprake is van geen 
veilig opvoedklimaat. Partner erkent patiënt niet in zijn emoties en behoeftes om gezien te worden, 
maakt hem belachelijk, bestempelt hem als de patiënt en degene die hulp nodig heeft. Wij achten de 
kans minimaal dat de kinderen hier niets van mee krijgen. Tevens maken wij ons zorgen om uitspraken 
van partner omtrent mogelijke seksuele misbruik van [G.], en dat ze liever had gehad dat er wat uit 
het onderzoek kwam (bijna in de trant van had gehoopt dat patiënt de dader was). Volgens het 
sociaal team worden zij ook nog wat op afstand gehouden door het gezin.
De suicidale uitingen zijn een gevolg van persoonlijkheidsproblematiek bij patiënt waarbij hij geen 
grenzen aangeeft, waardoor partner continue over zijn grenzen heen gaat. Bij gebrekkige coping van 
dhr. uit dit zich in suicidale ideaties.

3.8   Op 26 juni 2025 heeft Veilig Thuis telefonisch nadere informatie ingewonnen bij de aios. Ook 
nadien hebben nog diverse telefoongesprekken met hem plaatsgevonden. Van deze gesprekken heeft de 
aios geen verslag gemaakt.

3.9   Op 18 juli 2025 heeft Veilig Thuis H de zorg overgedragen aan Veilig Thuis I. Op verzoek van 
deze instelling is op 28 augustus 2025 door de aios schriftelijk aanvullende informatie verstrekt.

3.10  Op 26 september 2025 heeft de aios telefonisch overleg gehad met Veilig Thuis I. Ook van dit 
overleg heeft de aios geen verslag gemaakt.

3.11  Via het wijkteam heeft klaagster een afschrift gekregen van de rapportage van Veilig Thuis, 
waarin – onder meer – verslag wordt gedaan van de door de aios verstrekte informatie.

4.   De klacht en de reactie van de aios

4.1  Volgens klaagster heeft de supervisor onzorgvuldig en onjuist gehandeld omdat
1.   er onzorgvuldige en onjuiste informatie is verstrekt aan Veilig Thuis;
2.   Veilig Thuis te vroeg informatie heeft gedeeld met de politie;
3.   er onvoldoende nazorg is verleend na ontslag;
4.   hij niet heeft meegewerkt aan het verzoek om een second opinion;

5.   hij onvoldoende diagnostiek heeft verricht en geen behandelplan heeft opgesteld;
6.   hij klaagster als mantelzorger onvoldoende heeft geïnformeerd;
7.   de klacht van klaagster niet in behandeling is genomen.

4.2   De supervisor heeft het college verzocht de klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in 
klachtonderdelen 3, 4 en 5 omdat zij zonder toestemming van de patiënt niet kan klagen over diens 
behandeling. Ook verzoekt hij klaagster niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van 
klachtonderdelen 2 en 7 omdat deze klachtonderdelen geen betrekking hebben op het handelen van de 
aios en hem geen persoonlijk verwijt wordt gemaakt. Voor het overige wordt het college verzocht de 
klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5.   De overwegingen van het college

Ontvankelijkheid
5.1   De tuchtnormen zoals neergelegd in artikel 47, eerste lid, onder a en b Wet BIG hebben niet 
alleen betrekking op handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar behoort te 
betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen (de eerste tuchtnorm), maar ook 
op ander handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt (de 
tweede tuchtnorm).

5.2   De klachtonderdelen 3, 4 en 5 hebben, zoals ter zitting niet is weersproken, betrekking op de 
medische behandeling van de patiënt en niet op handelen jegens klaagster als naaste betrekking. 
Klaagster is daarom in deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk.

5.3   Bij het antwoord op de vraag of de supervisor tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld 
staat het persoonlijk handelen van de supervisor centraal. Met klachtonderdelen 2 en 7 heeft 
klaagster het oog gehad op verwijtbaar handelen van anderen, zoals de medewerkers van Veilig Thuis 
en de klachtcommissie van E. Ten aanzien van die klachtonderdelen kan klaagster daarom ook niet 
worden ontvangen in haar klacht.

5.4   De klachtonderdelen 1 en 6 hebben betrekking op het handelen van de supervisor en de aios 
jegens klaagster als naaste betrekking van de patiënt of als anderszins rechtstreeks belanghebbende 
in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a Wet BIG. Zij is in die klachtonderdelen ontvankelijk.

Beoordeling klachtonderdelen 1 en 6
5.5   De vraag is of de supervisor jegens klaagster de zorg heeft verleend die van hem verwacht 
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende zorgverlener. Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Hoewel klaagster in haar klaagschrift bij de klachtonderdelen 1 en 6 niet concreet onderscheid maakt tussen de verwijten die zij aan de aios enerzijds en aan de supervisor anderzijds maakt, begrijpt het college dat klaagster de supervisor verwijt dat hij onvoldoende toezicht heeft gehouden op het handelen van de aios. De klachtonderdelen worden hierna in deze zin besproken.

5.6   Klaagster verwijt de aios dat hij onzorgvuldig en onjuist heeft gerapporteerd aan Veilig 
Thuis. Kort gezegd verwijt zij de aios dat hij geen onderscheid heeft gemaakt tussen feiten en 
meningen en dat hij geen onderscheid heeft gemaakt tussen uitspraken van de patiënt en de eigen 
bevindingen van de aios. In de rapportage zijn ook onjuistheden opgenomen. Er is ten aanzien van de 
uitspraken van de patiënt ook geen hoor en wederhoor toegepast. Hierdoor is een eenzijdig beeld 
ontstaan en is eenzijdig meegegaan in de beeldvorming van de patiënt. Verder verwijt zij de aios 
dat de communicatie met haar als naaste gebrekkig is geweest.

5.7   Op grond van artikel 5.2.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) heeft een 
arts het recht om zonder toestemming van de ouders een melding over een kind te doen bij Veilig 
Thuis indien dat noodzakelijk is om kindermishandeling te stoppen dan wel om een redelijk vermoeden 
daarvan te onderzoeken. Uitgangspunt daarbij is dat een arts handelt met inachtneming van de 
KNMG-meldcode kindermishandeling (meldcode) en het daarin opgenomen stappenplan in acht neemt.

5.8   Naar het oordeel van het college beantwoordt de melding niet aan de eisen van zorgvuldigheid. 
De supervisor heeft aangevoerd dat de melding tot stand is gekomen op basis van informatie die de 
aios en hij zelf binnen de behandelcontext hebben waargenomen evenals op informatie van het sociaal 
wijkteam, het F en de patiënt zelf. Uit de onder 3.7 geciteerde tekst is echter niet op te maken 
welke feiten door wie zijn vastgesteld. Voor zover de tekst informatie van de patiënt zelf bevat, 
wordt bovendien niet duidelijk gemaakt of en op welke manier de juistheid daarvan is vastgesteld. 
Dit is bijvoorbeeld het geval bij de zin: “Partner erkent patiënt niet in zijn emoties en behoeftes 
om gezien te worden, maakt hem belachelijk, bestempelt hem als de patiënt en degene die hulp nodig 
heeft”.
Deze vermelding als een feit, beantwoordt niet aan de eisen van objectiviteit.
Dit geldt ook voor de opmerking dat klaagster “continue over de grenzen van de patiënt gaat.” Niet 
is vermeld waarop deze mededeling is gebaseerd.
Niettemin zijn deze vermeldingen gepresenteerd als objectieve feiten, die betrekking hebben op 
gedragingen van klaagster en die volgens de aios van invloed zijn op de veiligheid van de 
minderjarige. Met deze melding heeft de aios jegens klaagster onzorgvuldig gehandeld.
Of de melding feitelijke onjuistheden bevat, kan het college niet beoordelen. Daarover zal het zich 
dan ook niet uitlaten.

5.9   Het college stelt vast dat de melding heeft plaatsgevonden toen de aios net drie maanden als 
aios aan het werk was, en dat hij niet eerder met een Veilig Thuis melding te maken heeft gehad. De 
aios en de supervisor hebben in algemene zin verklaard dat zij zeer regelmatig overleg voeren en 
dat de supervisor beschikbaar is voor vragen. Dit is, naar het oordeel van het college, passend in deze fase van de opleiding. Gebleken is dat de aios ook bij het doorlopen van de eerste stappen van de meldcode veelvuldig overleg heeft gevoerd met zijn supervisor. Ook het afstemmingsgesprek met alle betrokkenen is in het bijzijn van de supervisor 
gevoerd.
Niettemin heeft de aios, zoals hij ter zitting heeft verklaard, de bewuste schriftelijke melding 
niet aan zijn supervisor voorgelegd alvorens deze naar Veilig Thuis te sturen. Het college begrijpt 
uit het verweerschrift dat de supervisor ervan op de hoogte was dat de aios de melding 
daadwerkelijk zou gaan doen. Hij erkent dat hij achteraf bezien de aios nadrukkelijker had dienen 
te wijzen op de hoge mate van nauwkeurigheid die de formulering van een melding aan Veilig Thuis 
vereist, hetgeen hij heeft nagelaten.
Het college is echter van oordeel dat de supervisor ook daarmee niet had kunnen volstaan. Daarbij 
neemt het college in aanmerking dat de aios nog in de beginfase van zijn opleiding was en onervaren 
met de materie. Tevens betrekt het college daarbij dat een melding aan Veilig Thuis grote impact 
kan hebben op de daarbij betrokkenen en dat de door een arts verstrekte informatie daarbij van 
groot gewicht is.
De supervisor had zich er dan ook van moeten vergewissen dat de melding aan de eisen van 
zorgvuldigheid beantwoordde alvorens deze werd verstuurd. Hij had erop moeten staan dat de 
concepttekst aan hem zou worden voorgelegd.

5.10  Ook na het doen van de melding hebben er nog verschillende telefoongesprekken plaatsgevonden 
tussen Veilig Thuis en de aios. Ook in deze gesprekken is door de aios informatie verstrekt. Wat 
door hem is gezegd, kan door het college niet worden vastgesteld omdat een verslag daarvan 
ontbreekt. De aios heeft erkend dat hij klaagster, als betrokkene, ook niet op de hoogte heeft 
gesteld van de mondeling door hem verstrekte informatie. Dat had hij wel dienen te doen volgens de 
meldcode. Het verweer van de aios dat hij ervan uitging dat klaagster via andere kanalen wel zou 
worden ingelicht, ontslaat hem niet van die verplichting. Klaagster verwijt de aios in zoverre 
terecht dat de communicatie met haar als naaste onvoldoende is geweest. Ook hiervoor geldt dat van 
de supervisor verlangd kon worden dat hij dit deel van het proces zorgvuldig zou begeleiden. Zo had 
de supervisor de aios erop moeten wijzen dat het in het dit kader verstrekken van informatie aan 
derden met de grootst mogelijke zorgvuldigheid dient te geschieden en dat ook hier het stappenplan 
diende te worden gevolgd.

5.11  De door klaagster overgelegde passages uit het rapport van Veilig Thuis bevatten 
samenvattingen van de mededelingen van de aios. Die passages bevatten derhalve de interpretatie van 
die mededelingen door de opsteller van het rapport. Het college kan op basis daarvan niet 
vaststellen dat de aios zich in de gesprekken met Veilig Thuis onzorgvuldig jegens klaagster heeft 
uitgelaten. Dit betekent dat ook de supervisor hiervan geen verwijt kan worden gemaakt.

5.12  Klaagster verwijt de aios voorts dat hij in die gesprekken uitspraken heeft gedaan over de 
veiligheid van de omgang tussen de patiënt en de kinderen. Deze klacht faalt. De aios heeft zich 
beperkt tot de risico’s vanuit psychiatrisch oogpunt. Daarmee is hij niet buiten zijn deskundigheid getreden. De supervisor treft hiervan evenmin een verwijt.

5.13  Klaagster verwijt de aios verder nog dat zij niet is geïnformeerd toen de patiënt werd 
ontslagen. Deze klacht is ongegrond. De patiënt had de aios verteld dat hij de relatie met 
klaagster had beëindigd. Zonder toestemming van de patiënt stond het de aios niet vrij om 
informatie over de behandeling met klaagster te delen. De supervisor treft hiervan ook geen 
verwijt.

5.14  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klachtonderdelen 
2, 3, 4, 5 en 7 en dat klachtonderdelen 1 en 6 (deels) gegrond zijn.

Maatregel
5.15  Het college heeft vastgesteld dat de aios bij de melding aan Veilig Thuis jegens klaagster 
niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem verwacht mocht worden. Hij heeft bij zijn 
formulering onvoldoende onderscheid gemaakt tussen objectief vastgestelde feiten en mededelingen 
van de patiënt, en ook heeft hij klaagster niet op de hoogte gesteld van nadien nog mondeling 
verstrekte informatie aan Veilig Thuis.
De supervisor heeft verzuimd zich ervan te vergewissen dat de melding aan de daaraan te stellen 
eisen van zorgvuldigheid beantwoordde. Ook heeft hij de aios onvoldoende gewezen op het belang van 
zorgvuldige informatieverstrekking aan derden, en aan de noodzaak om het stappenplan te volgen. Dat 
kon wel van hem gevergd worden gelet op de onervarenheid van de aios en de grote impact die een 
melding bij Veilig Thuis kan hebben op de daarbij betrokkenen. Daarmee heeft de supervisor niet de 
zorg betracht die van hem als beroepsbeoefenaar verwacht mocht worden. Alles overwegende wordt de 
maatregel van waarschuwing passend geacht.

Publicatie
5.16  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor is overwogen. De 
publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties 
herleidbare gegevens.

6.  De beslissing
Het college:
-   verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdelen 2, 3, 4, 5 en 7;
-   verklaart de klachtonderdelen 1 en 6 deels gegrond;
-   verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-   legt de supervisor de maatregel van waarschuwing op;
-    bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door J.F. Aalders, voorzitter, M.J. Roetert Steenbruggen-Hulshof, 
lid-jurist, H.J. de Boer, P.D. Meesters en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
Y.M.C. Bouman, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.