Zoekresultaten 9851-9900 van de 48550 resultaten
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:221 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-361/DH/DH
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 19-12-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:221
Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2022:169 Hof van Discipline 's Gravenhage 220195W 220196W 220197W 220198W
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 12-12-2022
- ECLI:NL:TAHVD:2022:169
Wrakingsverzoek ziet op de procesbeslissing van verweerders de zaak op stukken af te doen. Een onwelgevallige procesbeslissing is geen grond voor wraking. Andere omstandigheden die zien op de persoon van verweerders zijn gesteld noch gebleken.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:221 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1221
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 19-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:221
Klacht tegen (destijds) arts-assistent niet in opleiding kindergeneeskunde. Klagers meldden zich in 2014 bij de spoedpoli kindergeneeskunde, omdat hun pasgeboren zoon 11% van zijn geboortegewicht was afgevallen en matig plaste. De arts heeft het zoontje op de poli gezien en behandeld, onder supervisie van de dienstdoende kinderarts. In de periode daarna is de art nog meermalen bij de zorg voor het zoontje betrokken geweest. Ongeveer twee maanden na het eerste polibezoek is de diagnose vesico-ureterale reflux (VUR) graag 4-5 beiderzijds gesteld. Klagers verwijten de arts dat zij 1. de diagnose VUR heeft gemist, ondanks positieve familieanamnese en signalen voor een UWI en 2. haar toezegging om contact op te nemen met de kinderuroloog van de broer van patiënt niet is nagekomen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klagers.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:228 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1434
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 19-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:228
Klacht van een bedrijfsarts tegen een arts die destijds onder supervisie van een verzekeringsarts bij het UWV werkte, over een door de arts opgestelde en door de supervisor (zaak C2022/1435) getoetste en akkoord bevonden Verzekeringsgeneeskundige rapportage. Die rapportage ging over een werknemer die door klager als bedrijfsarts was begeleid. In die rapportage, die is opgesteld in het kader van een door de werknemer bij het UWV aangevraagd Deskundigenoordeel, heeft de arts geconcludeerd dat de eerder door de bedrijfsarts (klager) vastgestelde beperkingen, inclusief de urenbeperking tot 20 uur, op basis van de beschikbare informatie niet kon worden getoetst. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in de klacht niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen rechtstreeks belanghebbende is en daarom niet gerechtigd is om een klacht in te dienen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:222 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-414/DH/DH
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 19-12-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:222
Verweerder heeft voor een CV een procedure aangespannen, maar heeft klager (een stille vennoot) daarover niet geïnformeerd, terwijl klager een groot (financieel) belang had en bovendien bij uitstek het verzoekschrift had kunnen onderbouwen en nadere informatie had kunnen verstrekken, op een ook voor de CV cruciaal punt. Verweerder heeft daarmee niet integer en onzorgvuldig gehandeld. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:222 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1258
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 19-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:222
Klacht tegen kinderarts. Klaagster klaagt over de behandeling van haar overleden zoontje. Klaagster verwijt de kinderarts dat hij heeft nagelaten om cardiaal onderzoek uit te voeren. Gelet op de familiegeschiedenis waarin het syndroom van Beals voorkomt, had cardiaal onderzoek volgens klaagster wel moeten gebeuren. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TAHVD:2022:170 Hof van Discipline 's Gravenhage 220241
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 12-12-2022
- ECLI:NL:TAHVD:2022:170
Appelverbod. De door klager aangevoerde gronden zien in essentie op de inhoudelijke beoordeling van de zaak en raken niet aan fundamentele rechtsbeginselen. Als de raad het eens is met de beslissing van de voorzitter, volstaat een verkorte motivering met verwijzing naar de motivering in de beslissing waarvan verzet. Dat levert geen schending van enig artikel van de Grondwet, het EVRM, enig ander door klager aangehaald wetsartikel of van een fundamenteel rechtsbeginsel op. Beroep klager niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:229 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1435
- Datum publicatie: 19-12-2022
- Datum uitspraak: 19-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:229
Klager is werkzaam als bedrijfsarts. Hij heeft een klacht ingediend tegen de arts, die destijds als verzekeringsarts bij het UWV werkte, over een door een andere arts (C2022/1434) opgestelde en door de arts als supervisor getoetste en akkoord bevonden Verzekeringsgeneeskundige rapportage. Die rapportage ging over een werknemer die door klager als bedrijfsarts was begeleid. In die rapportage, die is opgesteld in het kader van een door de werknemer bij het UWV aangevraagd Deskundigenoordeel, is geconcludeerd dat de eerder door de bedrijfsarts (klager) vastgestelde beperkingen, inclusief de urenbeperking tot 20 uur, op basis van de beschikbare informatie niet kon worden getoetst. De voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege heeft klager in de klacht niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen rechtstreeks belanghebbende is en daarom niet gerechtigd is om een klacht in te dienen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:187 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3900
- Datum publicatie: 16-12-2022
- Datum uitspraak: 16-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:187
Ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. Klaagster werd, in verband met een verdraaide pink, door haar huisarts verwezen naar de kliniek waar de orthopedisch chirurg werkzaam is. Er werd gestart met handtherapie. Toen bleek dat deze therapie geen resultaat had, heeft de orthopedisch chirurg een operatie geadviseerd en verricht. Maanden later was klaagster niet tevreden over haar herstel. Zij verwijt de orthopedisch chirurg dat hij 1) haar onvoldoende heeft voorgelicht over de risico’s van de operatie, 2) heeft gekozen voor een operatie die te risicovol was, 3) de operatie niet goed heeft uitgevoerd. De orthopedisch chirurg erkent dat het resultaat van de operatie bij klaagster niet goed is en betreurt dit zeer, maar hij beschouwt dit als een complicatie die niet terug te voeren is op onzorgvuldig handelen. Het college overweegt dat klaagster voldoende is voorgelicht over de operatie opties en over de uitgevoerde operatie, zowel mondeling als schriftelijk, waarbij een informatieformulier wel ziet op een ingreep aan de duim. Het college gaat ervan uit dat de orthopedisch chirurg ervoor zal (doen) zorgen dat een dergelijk formulier betreffende de pink voor toekomstige patiënten beschikbaar komt. Het is het college niet gebleken dat de gekozen operatie te risicovol zou zijn. Het medisch dossier biedt geen aanknopingspunten voor het verwijt dat de operatie niet goed zou zijn uitgevoerd. De complicatie van klaagster - hoe onbevredigend en verdrietig ook - moet worden gezien als een zeldzame complicatie bij een verder juist uitgevoerde ingreep. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2022:168 Hof van Discipline 's Gravenhage 210288
- Datum publicatie: 16-12-2022
- Datum uitspraak: 02-12-2022
- ECLI:NL:TAHVD:2022:168
Klacht over eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening in een echtscheidingszaak. Het hof verklaart anders dan de raad gegrond dat verweerder de mogelijkheid en kans van slagen van hoger beroep onvoldoende heeft besproken met klager. Dat verweerder hierover een brief in het Nederlands heeft verzonden aan klager is onvoldoende, nu hij wist dat klager ten tijde van de beroepstermijn niet per post bereikbaar zou zijn in Nederland. Verweerder heeft geen andere stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij aan zijn informatieplicht heeft voldaan, zoals whatsapp-berichten. Ook rekent het hof verweerder aan dat hij niet bij klager heeft geverifieerd of hij geen beroep wilde instellen maar de termijn zonder reactie op de brief heeft laten verstrijken. De overige onderdelen in hoger beroep falen bij gebrek aan feitelijke onderbouwing van klagers stellingen. Klacht deels gegrond, beroep slaagt. Berisping.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:182 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4138
- Datum publicatie: 16-12-2022
- Datum uitspraak: 16-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:182
Kennelijk ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. Klaagster heeft sinds jaren last van pijnlijke krampen in de rechteronderarm en een vaardigheidsstoornis van de rechterhand. Na eerder een expectatief beleid elders, kwam klaagster via verwijzing van de huisarts terecht bij de orthopedisch chirurg. Na anamnese en lichamelijk onderzoek concludeerde hij tot een supinator syndroom rechts. Hij heeft klaagster verwezen naar een neurochirurg. Deze adviseerde de supinator vrij te maken. Na het uitvoeren van de operatie en een nacontrole is de orthopedisch chirurg niet meer betrokken geweest bij de behandeling van klaagster. De klachten zijn nadien verergerd. Jaren later werd bij klaagster de diagnose MMN gesteld. Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg dat hij op een onzorgvuldige wijze tot zijn diagnose is gekomen doordat hij 1) de gestelde diagnose MMN vanuit het UMCU niet heeft meegenomen, 2) de klachten van klaagster vanuit een tunnelvisie heeft beoordeeld, 3) geen aanvullende diagnostische onderzoeken heeft laten doen. De orthopedisch chirurg heeft de klacht bestreden. Het college overweegt dat de diagnose MMN niet in de betreffende brief van het UMCU is vermeld, er waren op dat moment nog onvoldoende aanwijzingen voor MMN. De orthopedisch chirurg heeft voorts goed gedocumenteerd welke klachten klaagster had en wat zijn bevindingen bij lichamelijk onderzoek waren. Zijn constateringen pasten bij ‘supinator syndroom’, van tunnelvisie was geen sprake. Op het moment dat er op zorgvuldige wijze een diagnose gesteld kan worden, is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar wanneer er niet ook nog aanvullende diagnostische onderzoeken worden gedaan. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:183 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4446
- Datum publicatie: 16-12-2022
- Datum uitspraak: 16-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:183
Kennelijk ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. Klager was onder behandeling voor (progressie van) prostaatkanker bij de uroloog. Hij kreeg het advies de prostaat operatief te laten verwijderen of radiotherapie. Klager wilde echter in het buitenland een behandeling met protonenbestraling. In verband met uitstralende pijn in het been werd een half jaar later een MRI en botscan gemaakt; er waren geen aanwijzingen voor uitzaaiingen. De orthopedisch chirurg werd later bij de behandeling van klager betrokken. Hij adviseerde een MRI van het bekken en een biopt van het dijbeen, en heeft meermalen geprobeerd contact te krijgen met klager. Toen er contact was met klager wilde de orthopedisch chirurg eerst een nieuwe röntgenfoto laten maken. Klager verwijt de orthopedisch chirurg dat hij 1) niet tegelijk met de röntgenfoto ook een biopt heeft laten nemen en 2) later de hormoontherapie niet heeft betrokken bij het vaststellen of er sprake was van eventuele metastasen. De orthopedisch chirurg heeft de klacht bestreden. Het college overweegt dat de orthopedisch chirurg - alles afwegend en geadviseerd in het MDO - de beslissing van het niet nemen van een biopt heeft mogen nemen. Voorts kan het college de orthopedisch chirurg volgen dat hij de voorgeschreven bicalutamide niet heeft betrokken, omdat de veranderingen die op de röntgenfoto te zien waren, gerelateerd werden aan fibreuze dysplasie. Ook hiervan kan hem geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.Kennelijk ongegronde klacht tegen een orthopedisch chirurg. Klager was onder behandeling voor (progressie van) prostaatkanker bij de uroloog. Hij kreeg het advies de prostaat operatief te laten verwijderen of radiotherapie. Klager wilde echter in het buitenland een behandeling met protonenbestraling. In verband met uitstralende pijn in het been werd een half jaar later een MRI en botscan gemaakt; er waren geen aanwijzingen voor uitzaaiingen. De orthopedisch chirurg werd later bij de behandeling van klager betrokken. Hij adviseerde een MRI van het bekken en een biopt van het dijbeen, en heeft meermalen geprobeerd contact te krijgen met klager. Toen er contact was met klager wilde de orthopedisch chirurg eerst een nieuwe röntgenfoto laten maken. Klager verwijt de orthopedisch chirurg dat hij 1) niet tegelijk met de röntgenfoto ook een biopt heeft laten nemen en 2) later de hormoontherapie niet heeft betrokken bij het vaststellen of er sprake was van eventuele metastasen. De orthopedisch chirurg heeft de klacht bestreden. Het college overweegt dat de orthopedisch chirurg - alles afwegend en geadviseerd in het MDO - de beslissing van het niet nemen van een biopt heeft mogen nemen. Voorts kan het college de orthopedisch chirurg volgen dat hij de voorgeschreven bicalutamide niet heeft betrokken, omdat de veranderingen die op de röntgenfoto te zien waren, gerelateerd werden aan fibreuze dysplasie. Ook hiervan kan hem geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:170 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/702654 DW RK 21/228 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 12-12-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:170
De gerechtsdeurwaarders hebben nagelaten klager mede te delen dat de tegenpartij een tegenvordering had ingediend. Of de verzekeraar haar macht heeft misbruikt en de vraag of de vergoeding die klager heeft ontvangen te laag is, zijn geen kwesties die aan de tuchtrechter zijn. Klager deels gegrond, maatregel van berisping en veroordeling in proceskosten.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/4298
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 13-12-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:170
Klacht tegen verzekeringsarts kennelijk ongegrond. Gelet op de vraagstelling is voldoende lichamelijk onderzoek gedaan. Niet gebleken dat dit onderzoek niet onafhankelijk is uitgevoerd. De rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:66 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2022/3808
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 18-11-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:66
Huisarts wordt onder meer verweten dat hij off-label medicatie aan patiënten met Covid-19 heeft voorgeschreven, in verschillende (sociale)media uitspraken heeft gedaan over positieve werking van deze medicatie en zich kritisch over het overheidsbeleid ten aanzien van Covid-19 heeft uitgelaten en dat hij geweigerd heeft een patiënte te vaccineren die geen informed consent-verklaring wilde ondertekenen. Off-label voorschrijven is niet in strijd met Geneesmiddelenwet, maar zorgvuldigheidseisen zijn niet in acht genomen. Vrijheid om verrichting niet uit te voeren als patiënt niet wil meewerken aan schriftelijke vastlegging van toestemming. Als huisarts ongefundeerde en ongenuanceerde uitlatingen in media gedaan. Gedeeltelijk gegrond. Berisping met openbaarmaking.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:168 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/720392 / DW RK 22/285 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 12-12-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:168
Beslissing op verzet. De gerechtsdeurwaarders hebben klaagster ten onrechte als niet BTW-plichtig aangemerkt. Verzet en klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel van waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:67 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3629
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 30-11-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:67
Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij nalatig is geweest in de zorg voor de patiënt. Het door verweerder ingezette beleid is in strijd met de NHG-Behandelrichtlijn Misselijkheid en braken uit 2016. De patiënt was al drie dagen frequent aan het braken en er waren aanwijzingen voor dehydratie. Volgens de Richtlijn had de patiënt moeten worden beoordeeld. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten. Verweerder heeft antibraakmiddelen voorgeschreven, wat de richtlijn afraadt behoudens uitzonderlijke gevallen. Verweerder heeft niet uitgelegd waarom hij de Richtlijn niet heeft gevolgd. Klacht gegrond. Berisping.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:169 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/701337 / DW RK 21/169 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 12-12-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:169
Klager stelt dat hij rauwelijks is gedagvaard en beklaagt zich erover dat de gerechtsdeurwaarders hem hebben aangesproken uit hoogde van bestuursaansprakelijkheid. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3628
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 30-11-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:68
Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij de gezondheidstoestand van de patiënt verkeerd heeft ingeschat en haar zorgen over de gezondheidstoestand van de patiënt niet serieus heeft genomen. De patiënt was al drie dagen frequent en veel aan het braken. Volgens de NHG-Behandelrichtlijn Misselijkheid en braken uit 2016 had de patiënt moeten worden beoordeeld. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten. Van verweerder mocht meer navraag bij klaagster naar de achtergrond van haar zorgen en naar de gezondheidstoestand van de patiënt worden verwacht. Klacht deels gegrond. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.209
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:210
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde gynaecoloog is sinds 2014 lid van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. In een ander ziekenhuis hebben in 2009 en 2017 second-opinions plaatsgevonden. In weer een ander ziekenhuis hebben in 2017 en 2018 een PA-revisie en een herbeoordeling van radiologische onderzoeken plaatsgevonden. Begin 2019 is een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van het geschil tussen enerzijds patiënte en klaagster en anderzijds de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis. Klaagster heeft enkele maanden later verzocht om een gesprek met de Raad van Bestuur om te spreken over erkenning van wanprestatie en onrechtmatige daden. Er werd geen aanleiding gezien om weer in gesprek te gaan en verwezen werd naar de aansprakelijkheidsverzekeraar. In dit kader heeft de gynaecoloog klaagster verschillende e-mails gestuurd. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij niet heeft gehandeld na het bekend worden van foutieve PA-verslagen, dat hij communicatie heeft willen afschuiven op de klachtenfunctionaris, dat hij een zwijgcultuur heeft ingesteld en getraineerd, dat hij geen respect heeft getoond en zonder duidelijke uitleg op vakantie is gegaan, en dat hij ten onrechte heeft gesproken over “nuanceverschillen” ten aanzien van een PA-revisierapport uit een ander ziekenhuis. Het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat de zaak ten onrechte niet is verwezen naar een aangrenzend college omdat de gynaecoloog zelf lid-beroepsgenoot is van Regionaal Tuchtcollege in Zwolle. Het Centraal Tuchtcollege doet de zaak zelf af en verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:204 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1232 en C2022/1247
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:204
Klacht tegen arts. Door de informatie op de website van de arts is klaagster ten onrechte in de veronderstelling geraakt dat de arts plastisch chirurg was. Het Centraal Tuchtcollege verwijt de arts dat hij heeft nagelaten deze verwarring weg te nemen. De kwalificatie misleiding, die het Regionaal Tuchtcollege nog wel aannam, laat het Centraal Tuchtcollege achterwege. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep van de arts, uitsluitend waar het betreft de opgelegde maatregel, gegrond en verstaat dat de maatregel van berisping komt te vervallen. Hiertoe oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat dezelfde dag een uitspraak wordt gedaan waarin de arts dezelfde gedragingen worden verweten en aan de arts een berisping wordt opgelegd. Twee keer een berisping voor dezelfde gedragingen oordeelt het Centraal Tuchtcollege te zwaar.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.271
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:217
Klacht tegen een internist. Klaagster heeft zich na een tekenbeet gewend tot haar huisarts die haar heeft doorverwezen naar het ziekenhuis. Klaagster is daar een aantal keren gezien door een arts-assistent die onder supervisie stond van verweerster. De internist heeft klaagster gezien bij het eerste consult. De klacht houdt in dat de internist geen goede invulling heeft gegeven aan het hoofdbehandelaarschap, niet heeft gehandeld volgens de CBO-richtlijn Lyme en daardoor een verkeerde en te late diagnose heeft gesteld, klaagster te laat en niet verder heeft behandeld, de gezondheidsklachten van klaagster heeft gebagatelliseerd en haar klachten niet serieus heeft genomen, en geen adequate administratie heeft gevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht in alle onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:211 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.208
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:211
Klacht tegen een intensivist. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde intensivist is sinds begin 2016 werkzaam als voorzitter van het (bestuur) van de Vereniging Medisch Staf van het ziekenhuis. In 2018 heeft op verzoek van klaagster een gesprek plaatsgevonden. De intensivist zou daarbij aanwezig zijn maar was niet in de gelegenheid dit gesprek bij te wonen. In een brief heeft klaagster onder meer gevraagd om een gesprek met de intensivist. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Klaagster verwijt de intensivist dat hij niet open en transparant is en zich niet toetsbaar wil opstellen, dat hij niet luistert en niet toegankelijk is voor een gesprek, dat hij het belang van patiënt niet voorop heeft gesteld en geen belang hecht aan kwaliteit en veiligheid in de patiëntenzorg, en dat hij een verzoek tot een SIRE-onderzoek heeft geweigerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:218 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-834/DH/DH
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:218
Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke kwestie gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TNORARL:2021:77 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05 /373599 KL RK 20 - 96
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 16-03-2021
- ECLI:NL:TNORARL:2021:77
Klacht niet-ontvankelijk. Uit klacht volgt dat klaagster zich bewust is geweest van het feit dat ze iets ondertekende wat ze niet wilde ondertekenen en zich tevens bewust is geweest van de werkzaamheden die de notaris in dit verband heeft verricht. Daarmee is op 15 juni 2016 voldaan aan de voorwaarden die de Wna stelt voor de start van de driejaarstermijn, wat meebrengt dat deze termijn 3 jaar later op 15 juni 2019 is geëindigd.De mogelijke (door klaagster niet onderbouwde) omstandigheid dat [P.] haar heeft gedwongen tot ondertekening van de akte doet aan het voorgaande niet af. Zelfs indien deze door klaagster gestelde dwang zou komen vast te staan, dan nog zou aannemelijk moeten worden dat deze dwang zou hebben voortgeduurd gedurende de volledige daarop volgende periode van drie jaar waarin klaagster tijdig had kunnen klagen. Dit is echter niet gesteld en niet gebleken.Zelfs indien klaagster gevolgd zou worden in haar stelling dat zij redelijkerwijs niet eerder dan augustus 2017 de reden en de mogelijkheid voor het indienen van een tuchtklacht heeft kunnen zien en haar om deze reden in deze zaak een beroep op de additionele vervaltermijn van een jaar zou toekomen, dan nog is de klacht te laat want ruimschoots na het einde van die termijn ingediend.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:205 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1228 en C2022/1248
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:205
Klacht tegen arts. Door de informatie op de website van de arts is klaagster ten onrechte in de veronderstelling geraakt dat de arts plastisch chirurg was. Het Centraal Tuchtcollege verwijt de arts dat hij heeft nagelaten deze verwarring weg te nemen. De kwalificatie misleiding, die het Regionaal Tuchtcollege nog wel aannam, laat het Centraal Tuchtcollege achterwege. Dat de arts de enige arts is in zijn praktijk ontslaat de arts niet van de algemene dossierplicht. In beroep zet het Centraal Tuchtcollege uiteen dat een zorgverlener op grond van artikel 13 van de Wkkgz de geldende klachtenregeling op een passende wijze onder de aandacht moet brengen. Daarnaast verklaart het Centraal Tuchtcollege ook de klacht ook ten aanzien van grensoverschrijdend gedrag gegrond en houdt het de maatregel van berisping in stand.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:212 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.207
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:212
Klacht tegen een klinisch geriater tevens internist. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde klinisch geriater en internist is sinds begin 2019 werkzaam als voorzitter van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. Klaagster verwijt de klinisch geriater en internist dat zij niet open en transparant is geweest, zich niet toetsbaar heeft willen opstellen, dat zij niet wil luisteren en niet toegankelijk is voor een gesprek, dat zij het belang van patiënt niet voorop heeft gesteld en geen belang hecht aan kwaliteit en veiligheid voor wat betreft patiëntenzorg, en dat zij een onderzoek naar dwaling en misleiding door Medirisk heeft geweigerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:206 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.213
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:206
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde gynaecoloog is werkzaam in een ander ziekenhuis en op verschillende momenten betrokken geweest bij de behandeling van patiënte.Klaagster verwijt de aangeklaagde gynaecoloog dat zij het dossier niet goed heeft bijgehouden, dat de gynaecoloog patiënte o.a. de op 20 september 2017 in het multidisciplinair overleg van het ziekenhuis besproken liesbreuken zowel links als rechts niet heeft meegedeeld, en dat zij heeft geweigerd een revisie te doen van de biopten uit 2012 en 2014, dat zij het overleg met dr. Resink (MST) niet heeft genoteerd in het medisch dossier.Samenvattend geeft klaagster aan dat de second opinion bij de gynaecoloog geen enkele toegevoegde waarde heeft gehad. Er is sprake van een samenzwering. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:65 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3658
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:65
Klaagster verwijt internist dat zij, ondanks hoge INR-waarde, bloedverdunners heeft voorgeschreven en heeft laten toedienen aan haar overleden echtgenoot. Internist was tevens verantwoordelijk als hoofdbehandelaar. Internist was niet persoonlijk betrokken bij het voorschijven of toedienen van de bloedverdunners. Ook als hoofdbehandelaar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, internist was niet op de hoogte en arts-assistent was bevoegd tot zelfstandig handelen. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.206
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:213
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij de operatie in 2009 niet zelf heeft gedaan, niet aanwezig was in het ziekenhuis en dat hij de ingreep heeft laten uitvoeren door anderen, dat hij onvoldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de ingreep op en rond de operatie in 2009, dat hij te lang heeft gewacht met het uitvoeren van een ileus-operatie, dat hij een paralytische ileus na een vierde operatie heeft verzwegen evenals een mogelijk op handen zijnde vijfde operatie, dat hij onvoldoende/onjuiste informatie heeft gegeven tijdens het telefonisch contact in 2016 over de behandeling van patiënte in 2009, dat sprake is van een onjuiste dossiervoering en foutieve vermeldingen, en dat hij geen veiligheid heeft gegeven en geen kwaliteit van zorg. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:207 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.212
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:207
Klacht tegen een radioloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde radioloog is werkzaam in een ander ziekenhuis. Patiënte is voor een second opinion naar dit ziekenhuis verwezen. In 2017 heeft er een second opinion door de radioloog plaatsgevonden van de CT-abdomen en CT-thorax.Klaagster verwijt de aangeklaagde radioloog dat hij onvolledige verslaglegging heeft gedaan van de revisie van de CT-scan van 2017 door een aantal bevindingen niet op te nemen in de verslaglegging, dat hij de niet vermelde bevindingen niet aan patiënte heeft meegedeeld terwijl dat wel had gemoeten, en dat hij ten onrechte geen aanvullende onderzoek adviezen heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:181 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4262
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:181
Klacht kennelijk niet-ontvankelijk tegen een psychiater. Verweerder is psychiater en als bestuurder zorg werkzaam bij een zorgaanbieder. In zijn hoedanigheid als bestuurder heeft verweerder namens de zorgaanbieder een schriftelijke reactie ingediend op de klacht van klaagster bij de geschillencommissie. Klaagster verwijt verweerder dat hij onjuiste medische informatie heeft aangeleverd, waarbij sprake is van valsheid in geschrift. Er heeft geen behandelrelatie tussen klager en verweerder bestaan. De eerste tuchtnorm is daarom niet van toepassing op deze klacht. De tweede tuchtnorm is ook niet van toepassing. Uit de brief volgt niet dat verweerder deze reactie in zijn hoedanigheid van psychiater heeft opgesteld, of vanuit psychiatrisch oogpunt een reactie heeft gegeven; deze reactie had evengoed door een andere bestuurder zonder het specialisme psychiater kunnen zijn geschreven. Zoals is opgemerkt in het verweerschrift, is het indienen van een reactie door de bestuurder zorg in een dergelijke procedure een beleidsmatige keuze van de zorgaanbieder. Dat betekent dat verweerder geacht moet worden uitsluitend in zijn hoedanigheid als bestuurder op de klacht van klaagster bij de geschillencommissie te hebben gereageerd, onder bijvoeging van het dossier zoals dat door de behandelende zorgverleners is opgesteld. Dit handelen van verweerder heeft onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:201 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1331
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:201
Klacht tegen gz-psycholoog. Klager was enige tijd bewindvoerder van een bij de gz‑psycholoog onder behandeling zijnde vrouw. Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij in het medisch dossier een aantal zeer tendentieuze en negatieve opmerkingen over klager heeft opgenomen. Hiermee heeft zij volgens klager gehandeld in strijd met de Beroepscode voor psychologen 2015. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht gegrond en legt aan de gz‑psycholoog een berisping op. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is en dus niet klachtgerechtigd is. Klager wordt alsnog in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:214 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1231
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:214
Klacht tegen een mdl-arts. Klager is gedurende ruim anderhalf jaar onder behandeling geweest bij de mdl-arts in verband met een colitis ulcerosa. Hij werd hiervoor behandeld met verschillende medicijnen. Klager was ontevreden over deze behandeling en is daarna in behandeling gekomen bij een andere mdl-arts, die een behandeling met adalimumab (behorende tot de zogenoemde biologicals) gestart. Klager verwijt de mdl-arts dat hij klager (en zijn huisarts) de ernst van de aandoening had moeten meedelen en klager had moeten wijzen op het alternatief van biologicals. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:208 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.211
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:208
Klacht tegen een patholoog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde patholoog is sinds 1994 patholoog en sinds 2012 werkzaam in een bepaald laboratorium. In 2012 ontving dit laboratorium van de behandelend gynaecoloog een biopt van patiënte ter beoordeling. Van dit biopt zijn microscopisch preparaten gemaakt en deze preparaten zijn door de patholoog beoordeeld. De patholoog heeft het onderzoeksverslag in 2012 geautoriseerd. In 2019 is het biopt op verzoek van klaagster in een ander ziekenhuis gereviseerd waarbij bleek dat er sprake was van een discordantie. Klaagster verwijt de patholoog dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld waardoor patiënte geen behandeling heeft gehad, en dat hij ten onrechte geen controle heeft verricht van de bevindingen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:202 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1303
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:202
Klacht tegen psychiater. Klager is tijdelijk opgenomen geweest in een forensisch psychiatrische kliniek. Op één van de afdelingen waar hij verbleef was de psychiater werkzaam en klagers hoofdbehandelaar. In dat verband maakt klager de psychiater meerdere verwijten. De psychiater zou niet hebben ingegrepen toen klager werd bedreigd door een medepatiënt en is een verkeerd behandelplan met verkeerde diagnoses naar de reclassering gestuurd. Ook zou het behandelplan niet met klager zijn besproken en zou er op het bord in de kliniek ten onrechte staan vermeld dat klager daar vrijwillig verbleef. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1 en 3 kennelijk ongegrond verklaard, klachtonderdeel 2 van onvoldoende gewicht verklaard en klachtonderdeel 4 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1163
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:215
Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde. Klaagster is het nichtje van een begin 2021 overleden patiënte. Verweerster werkte als specialist ouderengeneeskunde bij de instelling waar patiënte was opgenomen en was betrokken bij de behandeling van patiënte. Klaagster verwijt verweerster (1) dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan upcoding door het ZZP van 4 naar 7 te verhogen en (2 t/m 5) een verkeerde diagnose, onvoldoende zorg, het zonder toestemming medicatie toedienen en patiënte verhuizen en onvoldoende dossiervorming. Het Regionaal Tuchtcollege heeft het eerste klachtonderdeel ongegrond en klaagster voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:209 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.210
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:209
Klacht tegen een radioloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De radioloog is werkzaam in dit ziekenhuis en tevens medisch manager van de afdeling Medisch Beeldvorming. In 2009 is een CT-abdomen gemaakt. In 2017 is een CT-abdomen en een CT-thorax gemaakt. In 2018 is een MRI van de onderbuik gemaakt. In 2017 heeft er een second opinion plaatsgevonden van de CT-abdomen en CT-thorax van 2017 in een ander ziekenhuis. In 2019 is door een radioloog uit weer een ander ziekenhuis een verslag gemaakt naar aanleiding van herbeoordeling van de CT-abdomen, CT-thorax en MRI-onderbuik. Klaagster verwijt de aangeklaagde radioloog dat hij onjuist heeft gerapporteerd over beeldvormingen vanaf 2009 en dat hij niet open en transparant is over missers en fouten ten aanzien van de radiologisch zorg. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:203 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1302
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:203
Klacht tegen gz-psycholoog. Klager is tijdelijk opgenomen geweest in een forensisch psychiatrische kliniek. Op één van de afdelingen waar hij verbleef was de gz-psycholoog werkzaam en klagers regiebehandelaar. In dat verband maakt klager de gz-psycholoog meerdere verwijten. Zo zou de gz-psycholoog niet hebben ingegrepen toen klager werd bedreigd door een medepatiënt en zij zou zijn vergeten klager op te geven voor cursussen. Ook zou er enige tijd geen behandelplan zijn geweest en het behandelplan zou ook niet met klager zijn besproken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:216 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1103
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:216
Klacht tegen een internist. Klaagster was de geregistreerde partner van patiënt. Patiënt was sinds 2017 bekend met een gemetastaseerd adenocarcinoom met een onbekende primaire tumor, met metastasen in wervels en lymfeklieren. Op enig moment is patiënt in verband met onhoudbare pijn door toediening van midazolam palliatief gesedeerd. Twee dagen later is hij overleden. Volgens klaagster heeft de internist bij de behandeling van patiënt gehandeld in strijd met de richtlijn Palliatieve sedatie van de KNMG. Volgens haar was palliatieve sedatie niet geïndiceerd en heeft de internist niet/onvoldoende overlegd met patiënt en/of diens vertegenwoordigers. Verder verwijt klaagster de internist dat hij geen/onvoldoende rekening heeft gehouden met de zeggenschap van klaagster als eerste contactpersoon en (geregistreerd) partner van patiënt. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht in alle onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:169 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3377
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 13-12-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:169
Klacht tegen ambulanceverpleegkundige, inhoudende dat beklaagde teveel fentanyl heeft toegediend en daardoor een medische fout heeft gemaakt welke niet is gemeld bij de instanties. Verder verwijt klaagster beklaagde dat zij als gevolg van het toedienen van fentanyl een hartstilstand heeft gekregen en dat beklaagde niet direct is begonnen met reanimeren. Het college oordeelt dat beklaagde bij het toedienen van fentanyl het protocol pijnbestrijding in acht heeft genomen en daarbij het lichaamsgewicht en de door klaagster gemelde pijnscore heeft meegewogen. De door beklaagde gehanteerde hoeveelheid fentanyl valt binnen de maximaal toegestane hoeveelheid en op grond daarvan is van een overdosering of een medische fout geen sprake. Het college oordeelt dat sprake was van een bradycardie en niet van een hartstilstand. Dat als gevolg van een hartstilstand hart- en nierfalen is opgetreden wordt niet door klaagster onderbouwd. Verder is beklaagde direct begonnen met kapbeademing en heeft hij de afweging gemaakt door te rijden naar de SEH. Aldaar heeft beklaagde het SEH-team verzocht naar de ambulancehal te komen om ondersteuning te bieden bij de reanimatie van klaagster. Het geheel overziend heeft beklaagde adequate zorg verleend en is niet gebleken van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De klacht is kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:184 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4052
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 13-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:184
Klacht tegen een GZ-psycholoog kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klager verwijt de GZ-psycholoog dat zij hem heeft beschuldigd van grensoverschrijdende handelingen (misbruik) bij zijn nichtje. De GZ-psycholoog heeft (zo blijkt uit het Formulier voor schriftelijke melding van (vermoedens) van kindermishandeling, waarnaar wordt verwezen in het klaagschrift) Veilig Thuis slechts in overweging gegeven om de uitspraken van het nichtje over haar oom nader te onderzoeken. In deze melding wordt geen beschouwing gegeven over de persoon en/of het handelen van klager. Alsdan wordt klager door deze melding niet rechtstreeks door de GZ-psycholoog getroffen in een in het kader van de individuele gezondheidszorg te respecteren belang. Het college is dan ook van oordeel dat de klager niet aangemerkt kan worden als rechtstreeks belanghebbende. De klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:185 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3765
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 13-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:185
Klacht tegen een GZ-psycholoog kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Klaagster is van opvatting dat haar ex-partner zich schuldig maakt (dan wel: heeft gemaakt) aan stalking. Zij verwijt verweerster dat zij hiervan op de hoogte was maar niets heeft gedaan. Klaagster heeft (al dan niet impliciet) de stelling ingenomen dat verweerster in de periode waar de klacht betrekking op heeft, is opgetreden als GZ-psycholoog. Echter, klaagster heeft deze stelling niet (voldoende) onderbouwd. Het college volgt dan ook verweerster in haar stelling dat zij weliswaar nog altijd geregistreerd GZ-psycholoog is, maar niet meer als zodanig werkzaam is. Er is geen sprake van handelen als GZ-psycholoog – nog daargelaten dat de (verregaande) verwijten van klaagster niet (voldoende) onderbouwd zijn. De klacht is kennelijk niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:186 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4254
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 13-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:186
Gegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. Verweerder heeft klaagster kort na de beëindiging van de behandelrelatie een sms gestuurd waaruit blijkt dat hij bepaalde gevoelens had voor klaagster. Hij vroeg haar of zij die ook voor hem had en of zij vertrouwelijk met dit bericht kon omgaan. Volgens klaagster handelde verweerder grensoverschrijdend en onprofessioneel. Door haar geheimhouding te vragen belastte verweerder haar onnodig en werd haar therapie belemmerd. Verweerder erkent dat hij een misstap heeft begaan. Het college overweegt dat verweerder met het versturen van de sms de grenzen heeft overschreden van wat van een redelijk bekwame en redelijk handelende psychotherapeut mag worden verwacht. De handelwijze van verweerder acht het college ernstig verwijtbaar. Door op klaagster (minst genomen) een moreel appèl te doen om verder te zwijgen over de sms waarvan verweerder zich toen al realiseerde dat deze ongepast was, heeft hij op klaagster een onnodige en onevenredig druk gelegd. Dat klemt te meer, nu klaagster vanwege haar mentale klachten in een zeer kwetsbare positie verkeerde en daarvoor ook onder behandeling was bij verweerder. Gelet op het tijdsverloop tussen het versturen van de sms’en en de klacht, en het inzicht dat verweerder (in ieder geval ter zitting) heeft getoond in de verstrekkende gevolgen die zijn handelen heeft gehad op de gezondheid en het herstel van klaagster, volstaat het college met een berisping. Klacht gegrond verklaard. Berisping.
-
ECLI:NL:TADRARL:2022:321 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-468/AL/MN
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 05-09-2022
- ECLI:NL:TADRARL:2022:321
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij. Uit de reactie van verweerder op het wrakingsverzoek van klaagster blijkt niet dat daarbij sprake is geweest van (een poging tot) ongeoorloofde beïnvloeding van de rechter en van enige beïnvloeding van de Raad voor de Kinderbescherming is in het geheel niet gebleken. Verweerder heeft zich tegen het wrakingsverzoek mogen verweren zoals hij dat heeft gedaan. Over de gedragingen van verweerder in de andere klachtonderdelen heeft klaagster eerder geklaagd en de raad heeft daar ook al op beslist. Klacht voor een deel kennelijk ongegrond en voor een deel kennelijk niet ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:166 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3381
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 09-12-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:166
Klacht tegen MDL-arts, inhoudende dat hij de galkoliekpijnaanvallen heeft gediagnosticeerd als psychische stoornis, dat hij het verzoek tot verwijdering van de galblaas heeft genegeerd en dat hij klaagster onheus heeft bejegend, niet serieus heeft genomen en haar dossier niet heeft willen vernietigen. Naar het oordeel van het college is de eventuele mogelijkheid van een psychische stoornis enkel door de arts-assistent neergelegd in een werknotitie en heeft beklaagde daar geen beleid op gemaakt. Voor het verwijderen van de galblaas bestond op grond van de vele onderzoeken geen indicatie of noodzaak. Verder heeft klaagster niet onderbouwd dat beklaagde haar onheus heeft bejegend en kunnen de feiten hieromtrent door het college niet worden vastgesteld. Beklaagde heeft voorts geen betrokkenheid gehad bij het verzoek tot vernietiging van het medisch dossier en het college oordeelt dat beklaagde ook niet onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot het medisch dossier. De klacht is kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2022:322 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-486/AL/MN
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 05-09-2022
- ECLI:NL:TADRARL:2022:322
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk niet-ontvankelijk, deels vanwege ne bis in idem en deels vanwege een gebrek aan rechtstreeks belang.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:167 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3380
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 09-12-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:167
Klacht tegen MDL-arts, inhoudende dat beklaagde de galkoliekpijnaanvallen heeft gediagnosticeerd als psychische stoornis, het verzoek tot verwijdering van de galblaas heeft genegeerd, ten onrechte informatie heeft uitgewisseld met de afdeling MPU en het informed consent heeft geschonden en klaagster onheus heeft bejegend. Naar het oordeel van het college is de eventuele mogelijkheid van een psychische stoornis enkel door de arts-assistent neergelegd in een werknotitie en heeft beklaagde daar geen beleid op gemaakt. Voor het verwijderen van de galblaas bestond op grond van de vele onderzoeken geen indicatie of noodzaak. Voorts oordeelt het college, dat als gevolg van een moeizame relatie tussen klaagster en verschillende zorgverleners is besloten een moreel beraad te houden met behandelaren van verschillende disciplines om afspraken te maken in het geval klaagster opnieuw in dit ziekenhuis zou worden opgenomen. Besloten werd klaagster tijdens kantooruren op te nemen op de afdeling MPU. Het voorgaande geeft naar het oordeel van het college echter geenszins blijk dat beklaagde eigenhandig een plan heeft opgesteld om klaagster te laten opnemen op de afdeling MPU. Dit verwijt wordt voorts ook niet onderbouwd door klaagster. Het college oordeelt verder dat beklaagde de klachten van klaagster serieus heeft genomen, dat beklaagde geen betrokkenheid heeft gehad bij het verzoek tot verwijdering van het medisch dossier en dat beklaagde niet onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot het medisch dossier. De klacht is kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2022:323 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-436/AL/OV
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 05-09-2022
- ECLI:NL:TADRARL:2022:323
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond. Het valt verweerster niet te verwijten dat zij klager heeft verboden om naar haar kantooradres (tevens woonadres) te komen en een melding bij de politie heeft gedaan. Daarbij is niet van belang of klager verweerster daadwerkelijk heeft geïntimideerd, maar of zij zich geïntimideerd voelde.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:168 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3379
- Datum publicatie: 13-12-2022
- Datum uitspraak: 09-12-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:168
Klacht tegen MDL-arts, inhoudende dat beklaagde een verkeerde diagnose heeft gesteld, de galblaasoperatie heeft tegengehouden, klaagster heeft laten rondlopen met bloedarmoede en klaagster onnodig met koliekpijn heeft laten lijden. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde veelvuldig onderzoek in gang gezet om achter de oorzaak van de klachten te komen. Ook is klaagster herhaaldelijk gezien door de chirurg en internist. Verder bestond er voor het verwijderen van de galblaas geen indicatie. De onderzoeken, welke door een chirurg zijn beoordeeld, gaven ook geen blijk van aanwezigheid van galstenen of gruis. Met betrekking tot de anemie heeft beklaagde meerdere onderzoeken ingesteld en naar de uitslagen gehandeld. Niet is komen vast te staan dat beklaagde klaagster heeft laten rondlopen met bloedarmoede. Voorts onderbouwt klaagster niet dat de zorgvraag van de endocrinoloog niet zou zijn opgepakt en is het college van oordeel dat beklaagde de zorg - na de opname van klaagster in het ziekenhuis in het buitenland - weer heeft opgepakt en vervolgonderzoek heeft ingezet. De klacht is kennelijk ongegrond.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 197
- Pagina: 198
- Pagina: 199
- ...
- Pagina: 971
- Volgende pagina zoekresultaten