ECLI:NL:TGZCTG:2022:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.206

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:213
Datum uitspraak: 14-12-2022
Datum publicatie: 14-12-2022
Zaaknummer(s): C2020.206
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij de operatie in 2009 niet zelf heeft gedaan, niet aanwezig was in het ziekenhuis en dat hij de ingreep heeft laten uitvoeren door anderen, dat hij onvoldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de ingreep op en rond de operatie in 2009, dat hij te lang heeft gewacht met het uitvoeren van een ileus-operatie, dat hij een paralytische ileus na een vierde operatie heeft verzwegen evenals een mogelijk op handen zijnde vijfde operatie, dat hij onvoldoende/onjuiste informatie heeft gegeven tijdens het telefonisch contact in 2016 over de behandeling van patiënte in 2009, dat sprake is van een onjuiste dossiervoering en foutieve vermeldingen, en dat hij geen veiligheid heeft gegeven en geen kwaliteit van zorg. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.

                                                               C2020.206
C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.206 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
gemachtigde: C., verbonden aan D. te E.,
tegen
F., gynaecoloog, destijds werkzaam te G., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, als advocaat verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1.    Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 30 augustus 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle tegen F. – hierna de gynaecoloog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 
23 juli 2020, onder nummer 184/2019, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing op tijd in beroep gekomen. De gynaecoloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
Op 19 september 2022 heeft klaagster ten kantore van het Centraal Tuchtcollege inzage gehad in het dossier. Op die datum heeft klaagster nog nadere stukken ingediend (geluidsdragers met transcripties). 
Op 4 oktober 2022 heeft het Centraal Tuchtcollege nog een brief en twee snelhechters met bijlagen ontvangen van klaagster (brief d.d. 4 oktober 2022 met bijlagen). 
De zaak is op de zitting van het Centraal Tuchtcollege van 19 oktober 2022 tegelijk behandeld met de zaken C2020.207 tot en met C2020.210. De zaken zijn niet gevoegd. Op deze zitting zijn in totaal acht klachten van klaagster behandeld die allemaal te maken hebben met de zorg voor haar inmiddels overleden moeder. 
Die zaken in beroep zijn bekend onder de zaaknummers: C2020.206 tot en met C2020.213. Op deze beroepen wordt afzonderlijk beslist. 
Op de zitting is verschenen klaagster, bijgestaan door de heer Brekelmans. 
Mr. van Oosterhout heeft laten weten dat de gynaecoloog wegens langdurig verblijf in het buitenland niet in staat is bij de zitting aanwezig te zijn en is namens de gynaecoloog verschenen. 
Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. De heer C. en mr. van Oosterhout hebben dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege en aan de wederpartij hebben overhandigd. 
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft het volgende overwogen en geoordeeld.
“2.    DE FEITEN
Op grond van de stukken (waarvan met name het medisch dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is de dochter van wijlen mw H. (hierna: patiënte), geboren in 1927 en overleden in 2019. 
Patiënte is in 2009 gediagnosticeerd met een vulvacarcinoom. In verband daarmee is zij 2 september 2009 geopereerd. 
Het postoperatieve beloop werd onder meer gecompliceerd door een wondinfectie in de linkerlies en een ileus. Op 22 september 2009 werd patiënte gezien door een chirurg. 
Op 22 september staat genoteerd in het dossier:
“A/Nu niet meer misselijk, Algehele malaise en somber. Nog buikpijn. Schoorsteen had weinig resultaat. Nu op NPO+maagsonde
O/drain: produceert 180cc. RR120/75 P100 T37.3 Maagsonde hevelt wat galzuur. Mobiliseert iets. Abdomen: soepel, percussie: gedempt(?), stille buik! Links onder iets drukpijn.
C/ Stille buik op basis van Ileus waarschijnlijk. Oorzaak Ileus onbekend.
B/ Overleg I.: Niet in de buik geweest met OK, mogelijk prikkeling hematoom? Overleg F.: icc chirurg, X-BOZ, TPN.” 
In het dossier is bij 25 september 2009 opgetekend:
“22/9 TPN en NPO. Chirurg icc.
Klinisch knapt ze niet op. CT 25-9: waarschijnlijk ingeklemde femoralis/liesbreuk met kalibersprong. Tevens vrij vocht / lucht in de buik. DD/perforatie ulcus?
B iom F. en J. chirurgie: re OK door gynaecologie en chirurg kijkt mee. 
Anesthesist akkoord ; planner: in spoedprogramma.
Uitgebreid uitleg aan pte en dochter gegeven door chirurgie aios en F.; met mogelijke opties (darmresectie / stoma). Afspraak peroperatief te doen wat het beste is voor patiënte.”
Op 25 september 2009 werd patiënte geopereerd door K., destijds aios chirurgie, als eerste operateur en chirurg L. als tweede operateur.
Op 26 september 2009 kwam patiënte retour van de Intensive Care op de verpleegafdeling gynaecologie. In de status staat genoteerd:
“B/iom F./ vochtbalans, Infuus naar 500cc/24 uur, 2dd spoelen en natte gazen tussen huis (NB niet te diep, want grote vaten liggen bloo), Morgen MNS afdoppen? Augmentin iv. Breukband 6 weken, Pijnstilling vlg protocol, nexium iv.”
Op het afsprakenblad van 26 september 2009 staat genoteerd dat beklaagde ‘tweemaal daags wond spoelen’ heeft afgesproken. Op 27 september 2009 heeft beklaagde met patiënte en familie gesproken. Een verpleegkundige aantekening hieromtrent luidt: “ F. heeft uitgebreid met mw. en fam gesproken. Alles nu duidelijk. (…) vanavond nogmaals met de dochter gesproken, ze had geen vragen meer open staan.”
Een andere verpleegkundige aantekening hieromtrent vermeldde:
“ F. heeft met mw. [naam klaagster, RTC] en echtgenoot gesproken. In eerste instantie zou M. op 25/9 opereren (hij had de dienst van F.  overgenomen) maar M. vond het meer verantwoord dat de chirurg de OK zou doen.” 
Op 22 augustus 2016 heeft beklaagde telefonisch met klaagster gesproken. Daarvan is navolgend in het dossier genoteerd: “Dochter patiënt belt dwingend, wil nu van mij weten welke dokter vulvacarcinoom behandeld en specifiek of I. dat nog doet. Heb haar net verteld dat ik haar daar geen antwoord op kan geven en dat wij daar vanmiddag op terug komen. Pat wil binnen uur terug gebeld worden!!! Op advies van N. die haar op dat moment niet te woord kon staan heeft F. patiënt te woord gestaan toen zij nogmaals belde omdat het uur al voorbij was! iw”
3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat:
1.    beklaagde de operatie op 25 september 2009 niet zelf heeft gedaan, niet
aanwezig was in het ziekenhuis en dat hij de ingreep heeft laten uitvoeren door anderen. 
2.    hij onvoldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de ingreep op en
rond de operatie op 25 september 2009;
3.    hij te lang heeft gewacht met het uitvoeren van een ileus-operatie ten gevolge 
van een ingeklemde femorale liesbreuk rechts;
4.    hij een paralytische ileus na een vierde operatie heeft verzwegen evenals een 
mogelijke op handen zijnde vijfde operatie;
5.    hij onvoldoende/onjuiste informatie heeft gegeven tijdens het telefonisch 
contact op 22 augustus 2016 over de behandeling van patiënte in 2009;
6.    sprake is van een onjuiste dossiervoering en foutieve vermeldingen;
7.    beklaagde geen veiligheid heeft gegeven en geen kwaliteit van zorg.  
4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat klaagster niet-ontvankelijk is indien het griffierecht niet tijdig is betaald en beklaagde dat niet heeft kunnen verifiëren. 
Beklaagde is beperkt betrokken geweest bij de behandeling van patiënte. Beklaagde herinnert zich niet betrokken te zijn geweest bij de indicatiestelling voor een operatie in 2009. Het stellen van een indicatie leidt niet tot een verplichting de operatie persoonlijk uit te voeren. Beklaagde was niet de hoofdbehandelaar van patiënte. Blijkens het dossier heeft beklaagde klaagster gesproken tijdens een telefonisch contact op 22 augustus 2016. Beklaagde voert aan haar toen qua toon en inhoudelijk op juiste wijze te woord te hebben gestaan. 
Met betrekking tot klachtonderdeel 1: Beklaagde kan niet met zekerheid vaststellen wat op 25 september 2009 is gezegd over de operatie. Beklaagde heeft de dienst die dag overgedragen aan de gynaecoloog M.. Deze heeft besloten dat hij de operatie in handen van de chirurg ging geven. Bij die beslissing was beklaagde niet betrokken. 
Over klachtonderdeel 2 voert beklaagde aan dat hij patiënte en familie op 
22 september 2009 niet persoonlijk heeft gesproken. Uit het dossier blijkt wel dat patiënte en haar familie steeds zijn geïnformeerd over de bevindingen en het beleid. Op 25 september 2009 is door beklaagde en een AIOS chirurgie uitgebreid uitleg gegeven aan patiënte en haar dochter. De mogelijke opties zijn besproken en de afspraak werd gemaakt dat peroperatief gedaan zou worden wat het beste was voor patiënte. Na de operatie heeft de chirurg de eerste contactpersoon gebeld. Op 26 en 27 september 2009 is door beklaagde beleid gemaakt. Beklaagde heeft patiënte gezien en met haar familie gesproken. In het dossier is opgetekend dat ‘alles nu duidelijk’ is. 
Klachtonderdeel 3: Beklaagde heeft op 22 september 2009 tijdig de chirurg in consult geroepen. Dat op 25 september 2009 geopereerd is rechtvaardigt de conclusie dat te lang gewacht is niet. Er vond dagelijks overleg met de chirurg plaats en in eerste instantie werd afgewacht of de klachten zonder ingreep zouden verbeteren. Dit mede met het oog op de meerdere recente ingrepen bij patiënte. Op 25 september 2009 is door beklaagde overleg gevoerd met de chirurg en werd geoordeeld dat een ileus-operatie op dat moment noodzakelijk was en spontaan herstel niet verder kon worden afgewacht. 
Klachtonderdeel 4: Beklaagde heeft terecht de chirurg in consult geroepen voor de beoordeling of een operatie nodig was om de ileus op te heffen. De chirurg heeft patiënte met de op dat moment bekend zijnde informatie geïnformeerd. Beklaagde heeft alle bekende informatie en het gevoerde beleid met patiënte besproken. 
Klachtonderdeel 5: Beklaagde heeft op 22 augustus 2016 geen medisch inhoudelijke informatie met klaagster besproken. Er was een afspraak op verzoek van de toenmalige hoofdbehandelaar dat alle communicatie met klaagster via de hoofdbehandelaar ging om eenduidigheid in de informatie te bevorderen. Beklaagde heeft klaagster alleen in algemene zin te woord gestaan. 
Klachtonderdeel 6: Er is een zeer uitgebreid medisch dossier bekend. Klaagster heeft haar klachtonderdeel niet nader onderbouwd en beklaagde kan zich hier niet op verweren. Van beklaagdes betrokkenheid zijn door hem voldoende en correcte aantekeningen gemaakt. 
Klachtonderdeel 7: Dit klachtonderdeel is onvoldoende specifiek om adequaat op te kunnen reageren. Beklaagde bestrijdt dat voor wat betreft zijn persoonlijke betrokkenheid sprake zou zijn geweest van ‘geen veiligheid, geen kwaliteit van zorg’. Dat klaagster een andere visie heeft doet daaraan niet af. 
5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1 
Het niet-ontvankelijkheidsverweer betreffende de betaling van het griffierecht kan niet slagen. De klacht is ingediend op 30 augustus 2019. Op 2 september 2019 is per brief het verschuldigde griffierecht geheven. Dat griffierecht is op 5 september 2019 door het tuchtcollege ontvangen. Dat is binnen de gestelde termijn van 4 weken. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 2 onder 3 van het Reglement van de regionale tuchtcolleges en de klacht in behandeling genomen. Er is geen rechtsregel verplicht de beoordeling van de verjaring te toetsen op de betalingsdatum van het griffierecht of de ontvangstdatum van het aanvullend klaagschrift. De datum van binnenkomst van het klaagschrift is leidend voor de termijn van verjaring en klaagster is dus ontvankelijk met betrekking tot klachten tegen beklaagde die handelen of nalaten op of na 31 augustus 2009 betreffen.
5.2 
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.3
Ten aanzien van klachtonderdeel 1 overweegt het college dat er geen verplichting bestond voor beklaagde om patiënte zelf te opereren. Dat een collega van beklaagde het meer verantwoord vond om de operatie door een chirurg te laten uitvoeren kan beklaagde niet aangerekend worden. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.4 
Klachtonderdeel 2: In het dossier is opgetekend dat beklaagde gezamenlijk met de aios chirurgie patiënte en haar dochter uitgebreid uitleg heeft gegeven. Beklaagde heeft na terugkomst van patiënte van de intensive care, op 27 augustus 2009, beleid gemaakt. Beklaagde heeft patiënte daarbij op zaal gezien, zo blijkt ook uit de aantekeningen van de verpleegkundigen. Daaruit blijkt ook dat beklaagde patiënte en klaagster uitgebreid heeft gesproken. Daarmee is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. 
5.5
Op 22 september 2009 heeft beklaagde tijdig de chirurg in consult gevraagd. Vervolgens heeft overleg plaatsgevonden met de chirurg en is aanvankelijk op goede gronden besloten om af te wachten of de klachten zonder ingreep zouden verbeteren. Toen bleek dat dit niet het geval was is naar het oordeel van het college tijdig overleg geweest op   25 september 2009 en terecht een indicatie voor operatief ingrijpen in verband met het ileus gesteld. 
Daarmee mist dit klachtonderdeel feitelijke grondslag. 
5.6
Het vierde klachtonderdeel is evenmin gegrond. De chirurg heeft patiënte en de echtgenoot geïnformeerd na de operatie op 25 september 2009. Niet gebleken is dat beklaagde informatie die bekend was – en door klaagster is ook niet nader onderbouwd welke informatie dan mist – niet met patiënte heeft besproken. 
5.7
Klachtonderdeel 5 betreft het telefoongesprek van 22 augustus 2016. Hiervan zijn geen aantekeningen gemaakt omdat dit algemene vragen betroffen. Er was een specifieke afspraak binnen het ziekenhuis dat medisch inhoudelijke vragen alleen met de hoofdbehandelaar, en dat was niet beklaagde, werden besproken. Hoe dit gesprek precies is verlopen staat niet vast nu de lezingen van partijen daarover uiteenlopen. Dat betekent dat de door klaagster aan beklaagde verweten gedragingen niet zijn komen vast te staan en kan het college er geen oordeel over geven. Daarmee is dit klachtonderdeel eveneens kennelijk ongegrond. 
5.8
Klachtonderdeel 6 gaat over de dossiervoering. Het medisch dossier en de daarin op te nemen aantekeningen zijn van belang voor de continuïteit van de zorgverlening aan een patiënt. Het medisch dossier van patiënte is zeer uitgebreid. Niet gebleken is dat beklaagde omtrent zijn eigen betrokkenheid daarin verzuimd heeft aantekeningen te maken die van belang waren voor de continuïteit van de zorgverlening aan patiënte. Wat betreft het telefoongesprek van 22 augustus 2016 kan beklaagde, gelet op de gemaakte afspraken, in dat kader geen terecht verwijt worden gemaakt dat daarvan geen aantekening in het dossier is gemaakt. Daarmee is ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. 
5.9
Het laatste klachtonderdeel is door klaagster niet onderbouwd en kan om die reden al niet leiden tot een gegrond verwijt. 
5.10 
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden. 
4.    Beoordeling van het beroep
Omvang van de zaak in beroep
4.1    Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij is van mening dat het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle de zaak niet had mogen behandelen omdat één van de andere zeven aangeklaagde artsen tevens lid-beroepsgenoot is bij dat college. Klaagster verzoekt het Centraal Tuchtcollege om de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te vernietigen en om de zaak terug te verwijzen naar een aangrenzend college.
4.2    De gynaecoloog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Primair verzoekt hij het Centraal Tuchtcollege om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, en subsidiair verzoekt hij het beroep van klaagster te verwerpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te bevestigen.
Ontvankelijkheid
4.3    De gynaecoloog heeft betoogd dat klaagster niet-ontvankelijk is in het beroep, omdat klaagster in het beroepschrift de gronden van het beroep niet heeft onderbouwd. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft klaagster met het beroepschrift voldoende duidelijk gemaakt dat en waarom zij het niet eens is met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Klaagster is ontvankelijk in het beroep.
4.4    Een klager kan in beroep alleen die klachten ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voorleggen die in eerste aanleg aan het Regionaal Tuchtcollege ter beoordeling zijn voorgelegd en dan alleen voor zover hij in die klachten door het Regionaal Tuchtcollege niet-ontvankelijk is verklaard of zijn klachten zijn afgewezen. Nieuwe klachten vallen buiten het bereik van het beroep. Klaagster heeft in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege niet geklaagd over de specialisatie van de gynaecoloog, noch over zijn deskundigheid of zijn rol als nieuwe hoofdbehandelaar. Voor zover klaagster hierover ter zitting in beroep nieuwe klachten uit, is klaagster daarin niet-ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling
4.5    Klaagster vindt dat het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle op grond van artikel 3 lid 5 van het Tuchtrechtbesluit de behandeling van deze zaak had moeten overdragen aan een aangrenzend bevoegd college. Zij voert hiertoe het volgende aan. 
De beklaagde gynaecoloog in de zaak C2020.209 is lid-beroepsgenoot in dat college en heeft als arts-bestuurder rechtstreeks leidinggegeven aan de gynaecoloog. Klaagster is van mening dat met het behandelen van de klacht door het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle geen sprake is geweest van transparantie en zuiverheid in de behandeling van haar klacht. Het Centraal Tuchtcollege volgt klaagster hierin niet en legt hieronder uit hoe deze beslissing tot stand is gekomen. 
4.6    De tekst van artikel 3 lid van het Tuchtrechtbesluit Wet BIG zoals deze gold tot 1 april 2022 luidt als volgt:
“Indien een klaagschrift is ingediend bij een regionaal tuchtcollege ter zake van enig in artikel 47, eerste lid, van de wet bedoeld handelen of nalaten van een lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van dat tuchtcollege, verwijst de voorzitter van het college de zaak naar een aangrenzend regionaal tuchtcollege. De zaak wordt alsdan behandeld door het tuchtcollege waarnaar is verwezen.”  
Bovengenoemd artikel ziet enkel op de persoon tegen wie een tuchtklacht is ingediend en tevens lid-beroepsgenoot of plaatsvervangend lid-beroepsgenoot van dat college is. Het artikel is niet van toepassing op collega’s of op andersoortige samenwerkings-verbanden met de aangeklaagde persoon. Gelet hierop is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle de klacht tegen de gynaecoloog kon behandelen, en dat geen overige feiten of omstandigheden zijn gebleken waardoor het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle de zaak had moeten verwijzen naar een aangrenzend college. 
4.7    Voor zover klaagster betoogt dat het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle niet over de juiste deskundigheid beschikte om de zaak zorgvuldig te behandelen, heeft klaagster dit niet onderbouwd en is het Centraal Tuchtcollege ook niet gebleken. Voor het overige heeft klaagster geen beroepsgronden tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege naar voren gebracht.  
4.8    De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van klaagster zal worden verworpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand blijft. 
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beroep, voor zover daarbij nieuwe klachten naar voren zijn gebracht;
verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door: S.M. Evers, voorzitter; A.R.O. Mooy en H.M. Wattendorff, 
leden-juristen en A.B. Donkers-van Rossum en F.W. Jansen, leden-beroepsgenoten 
en E. van der Linde, secretaris. 
Uitgesproken ter openbare zitting van 14 december 2022.
        Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.