Zoekresultaten 71-80 van de 46428 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:9 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2583

    Klacht tegen een dermatoloog. De dermatoloog heeft door middel van Mohs-chirurgie bij klager een basaalcelcarcinoom verwijderd. Klager heeft klachten over de informatie die hem is verstrekt over deze vorm van chirurgie, de wijze waarop deze is uitgevoerd en de nazorg. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:6 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-334/DB/ZWB 25-792/DB/ZWB

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiezaak. Gevoegde behandeling van twee klachtzaken. De klachten zijn gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond. Verweerster heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door in het beroepschrift van 7 augustus 2024 onnodig grievende uitlatingen te doen. Dat verhoudt zich niet met de de-escalerende aanpak die van verweerster in een familierechtzaak mocht worden verwacht. Verweerster heeft met haar handelwijze de belangen van klager onnodig geschaad zonder redelijk doel. De raad heeft bij beslissing van 10 maart 2025 reeds aan verweerster een berisping opgelegd voor in het beroepschrift 6 mei 2024 opgenomen uitlatingen met een gelijke inhoud of strekking als de in de onderhavige klachtzaak als onnodig grievend beoordeelde uitlatingen in het beroepschrift van 7 augustus 2024. Indien in die vorige klachtprocedure, ook het in de onderhavige klachtprocedure gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt aan de raad ter beoordeling was voorgelegd – wat goed mogelijk was nu het beroepschrift van 7 augustus 2024 dateert van voor de beslissing van de raad van 10 maart 2025 - zou dit in die klachtprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet tot oplegging van een zwaardere maatregel hebben geleid. Om die reden ziet de raad in dezen af van het opleggen van een maatregel.

  • ECLI:NL:TGDKG:2026:3 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/752315 / DW RK 24/228 EdV/WdJ

    De gerechtsdeurwaarder heeft niet gereageerd op de e-mail van klager van 4 april 2024 met betrekking tot dossiernummer 1702691. Klager heeft het, gelet op de hoeveelheid identieke e-mailberichten die hij op 4 april 2024 aan de gerechtsdeurwaarder heeft verzonden, over zichzelf afgeroepen dat verwarring is ontstaan bij de gerechtsdeurwaarder waardoor niet op alle e-mailberichten van klager van die datum is gereageerd. De kamer volstaat met de constatering dat de klacht gegrond is.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:6 Raad van Discipline Amsterdam 25-809/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de eigen advocaat in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Het declareren van een te hoog uurtarief levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Verweerder heeft dit na ontdekking direct gecorrigeerd. Ook was verweerder niet verplicht om een eindafrekening op te stellen. Wel is verweerder, zoals elke advocaat, gehouden zorgvuldig te handelen in financiële aangelegenheden en zijn honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd te declareren. Uit de onderliggende stukken volgt dat klager alle declaraties met specificaties heeft ontvangen en klager deze ook heeft voldaan.

  • ECLI:NL:TACAKN:2026:1 Accountantskamer Zwolle 25/1880 Wtra AK

    Ongegronde klacht. Volgens klaagster heeft betrokkene vertrouwelijke gegevens gedeeld met een derde partij. Maar betrokkene heeft dat gemotiveerd betwist. De Accountantskamer is van oordeel dat klaagster er niet in is geslaagd de verweten gedraging aannemelijk te maken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:8 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-404/AL/MN

    Verweerder heeft klager bijgestaan in een letselschade procedure. In een aantal verwijten is door klager te laat geklaagd zodat klager deels niet-ontvankelijk wordt verklaard. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder door zijn handelen de kernwaarde deskundigheid geschonden. De raad acht de handelwijze van verweerder ernstig laakbaar en ziet aanleiding om een onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor vier weken op te leggen om de volgende redenen. Verweerder heeft onvoldoende regie genomen en klager onvoldoende deskundig geadviseerd en bijgestaan in zijn geschil met ASR. Klager is door verweerder ook niet serieus genomen. Dit terwijl klager zich vanaf de start van de werkzaamheden in april 2021 en de jaren daarna geduldig en begripvol heeft getoond en hoopvol was over de deskundige bijstand van verweerder in een procedure. Voor zover die verwachtingen van klager niet realistisch waren, had het op de weg van verweerder gelegen om daarover duidelijk met klager te communiceren en gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen. Dat heeft verweerder echter onvoldoende gedaan. Ook gedane toezeggingen is verweerder zowel richting klager als richting ASR niet nagekomen. Daarbij komt dat verweerder ter zitting geen blijk heeft gegeven het onjuiste en tuchtrechtelijk verwijtbare van zijn handelwijze in te zien.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:7 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-685/DB/LI

    Raadsbeslissing. Klacht van derde gegrond. Het handelen van verweerder hangt zo nauw samen met verweerders beroepsuitoefening dat het advocatentuchtrecht in volle omvang van toepassing is. Verweerder had moeten begrijpen dat de wijze waarop hij klaagster heeft benaderd onbetamelijk is. De raad is van oordeel dat het verweer van verweerder, dat klaagster geen getuige was, moet worden gepasseerd. Immers, niet kon worden uitgesloten dat klaagster als getuige zou worden opgeroepen. Het op min of meer indringende wijze voorhouden van de consequenties die de reeds afgelegde verklaring en verdere bemoeienissen met de zaak voor klaagster zouden kunnen hebben is in strijd met de strekking van de hiervoor genoemde gedragsregels. Verweerder heeft door de wijze waarop hij klaagster heeft benaderd in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. De raad heeft bij beslissing d.d. 13 oktober 2025 naar aanleiding van de door mevrouw H tegen hem ingediende klacht reeds aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Indien in die klachtprocedure ook het in de onderhavige klachtprocedure gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijt aan de raad ter beoordeling was voorgelegd, zou dit in die klachtprocedure naar alle waarschijnlijkheid niet tot oplegging van een zwaardere maatregel hebben geleid. Om die reden ziet de raad in dezen af van het opleggen van een maatregel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:5 Hof van Discipline 's Gravenhage 250029

    Klacht over eigen advocaat. Verweerder heeft samen met zijn kantoorgenoot klaagster bijgestaan in een huurgeschil. Klaagster is ontevreden over de wijze waarop verweerder haar heeft bijgestaan. Volgens klaagster is verweerder tekortgeschoten in zijn dienstverlening (waaronder onjuiste advisering en de juridische kwalificatie van het huurgeschil) en heeft hij niet conform de (al dan niet gegeven) opdracht gehandeld bij het instellen van hoger beroep. De raad heeft geoordeeld dat niet is gebleken van klachtwaardig handelen van verweerder en heeft de klacht in beide klachtonderdelen ongegrond verklaard. Het hof sluit zich bij dat oordeel van de raad aan. De klacht is ook in hoger beroep in beide klachtonderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:6 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-732/AL/NN

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de deken is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2026:7 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8234

    Het college stelt voorop dat de gedwongen uitzetting van klager een heftige en ingrijpende gebeurtenis voor hem is geweest,. Het gebeurde heeft ook de verpleegkundige die als medisch escort betrokken was erg aangegrepen. De videobeelden van de uitzetting die door de gemachtigde van klager zijn gemaakt zijn veelvuldig gedeeld in (sociale) media waarbij de vraag is opgekomen hoe ver wij als samenleving willen gaan in het uitzetten van mensen en of het toezicht daarop goed is geregeld. Het college benadrukt dat het niet tot taak heeft om op die vragen een antwoord te geven. Het college is kritisch over de toelichting van de verpleegkundige over de conclusie dat klager voldoende zuurstof had omdat hij luid schreeuwde. Indien een patiënt aangeeft benauwd te zijn of zuurstof tekort te komen, moet dat voor een verpleegkundige aanleiding zijn om die klacht te onderzoeken, onder andere door de saturatie te meten. Naar het oordeel van het college kon de verpleegkundige niet volstaan met de inschatting dat het in orde was omdat klager in staat was om te schreeuwen. Op dat punt acht het college de door de verpleegkundige geboden zorg onvoldoende. Voor het overige wordt de klacht ongegrond verklaard en in één klachtonderdeel is klager niet-ontvankelijk. Het college volstaat met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel.