ECLI:NL:TGDKG:2026:57 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/772071 / DW RK 25/234 BB/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:57
Datum uitspraak: 03-06-2026
Datum publicatie: 03-06-2026
Zaaknummer(s): C/13/772071 / DW RK 25/234 BB/WdJ
Onderwerp:
  • Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
  • Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 3 juni 2026 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 24 juni 2025 met zaaknummer C/13/766244 / DW RK 25/86 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/772071 / DW RK 25/234 BB/WdJ ingesteld door:

1. [  ],

2. [  ],

wonende te [  ],

klagers,

tegen:

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief, ingekomen op 17 maart 2025, hebben klagers een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 29 april 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 24 juni 2025 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Een afschrift van de beslissing van de voorzitter is bij brief van diezelfde datum aan klagers toegezonden. Bij e-mail, ingekomen op 7 juli 2025, hebben klagers verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Bij e-mail van 10 april 2026 hebben klagers een video-opname aan de kamer verzonden. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 april 2026 alwaar klagers en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 3 juni 2026.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klagers hebben verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat zij in het verzet kunnen worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Bij exploot van 1 december 2023 is een notariële akte van 21 juli 2006 aan klagers betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-           Bij e-mail van 12 december 2023 zijn klagers geïnformeerd dat niet akkoord is gegaan met het betalingsvoorstel van klagers van € 250,- per maand. Daarbij is aangegeven dat een voorstel onderbouwd met stukken gedaan moet worden.

-           Op 15 januari 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ten laste van klager sub 1.

-           Bij e-mail van 20 september 2024 is op verzoek een overzicht van de openstaande vordering aan klagers verstrekt.

-           Bij e-mail van 30 september 2024 is aan klagers een overzicht verstrekt met de ontvangsten.

-           Bij e-mail van 8 oktober 2024 is aan klagers een specificatie van alle kosten en ontvangsten aan klagers verstrekt.

-           Bij brief van 26 februari 2025 zijn klagers geïnformeerd dat hun woning vanwege betalingsachterstand van de hypotheek moet worden verkocht.

-           Bij e-mail van 11 maart 2025 hebben klagers een klacht bij het gerechtsdeurwaarderskantoor ingediend. Hierop is bij e-mail van 17 maart 2025 gereageerd.

4. De oorspronkelijke klacht

Klagers beklagen zich er samengevat over dat:

a: sprake is van misleidende communicatie, met als gevolg dat klagers onvoldoende tijd kregen om adequaat te reageren;

b: de gerechtsdeurwaarder in maart 2025 ten onrechte de executie van de woning van klagers heeft aangekondigd;

c: de gerechtsdeurwaarder weigert inzicht te geven in de renteberekening en niet toestaat dat de rente wordt vastgezet;

d: de gerechtsdeurwaarder exorbitante kosten in rekening brengt;

e: de gerechtsdeurwaarder per oktober 2024 uit eigen beweging is gestopt met inhoudingen, zonder klagers hiervan op de hoogte te brengen.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties kan worden afgeleid dat de gerechtsdeurwaarder steeds duidelijk en transparant op verzoeken van klagers heeft gereageerd. Dat sprake is van misleidende communicatie is niet gebleken. Dit klachtonderdeel wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat klagers een achterstand hebben in de hypotheekaflossingen. De gerechtsdeurwaarder heeft klagers bij e-mail van 26 februari 2025 geïnformeerd dat hun woning onderpand is voor het terugbetalen van de hypotheek en de woning daarom zal moeten worden verkocht. Klagers zijn hierbij gewezen op de mogelijkheid om de woning zelf te verkopen. Nu klagers hun stelling dat geen sprake is van achterstand in de betalingen niet nader hebben onderbouwd, kan de gerechtsdeurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt door de executie van de woning van klagers aan te kondigen.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarder desgevraagd overzichten van de vordering, kosten en ontvangsten aan klagers heeft verstrekt. Indien klagers vragen hebben over de renteberekening en verzoeken om de rente vast te zetten, dienen klagers zich tot de hypotheekverstrekker te wenden. 

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat de door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten berusten op de door de overheid vastgestelde en in het Besluit tarieven ambtshandeling gerechtsdeurwaarders (Btag) neergelegde tarieven. Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder andere of hogere kosten in rekening heeft gebracht. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de gerechtsdeurwaarder op dit klachtonderdeel niet gemaakt worden.

4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel e overweegt de voorzitter dat uit de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde brief van het UWV van 12 december 2024 blijkt dat klager sub 1 vanaf 8 oktober 2024 geen recht meer heeft op de uitkering die liep ten tijde van het gelegde beslag. Daaruit volgt dat de gerechtsdeurwaarder dus niet per oktober 2024 uit eigen beweging is gestopt met inhoudingen.

4.7 Ten aanzien van het verzoek van klagers om schadevergoeding dienen klagers zich te wenden tot de civiele rechter. Het tuchtrecht is hiervoor niet de geëigende weg.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klagers als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

6.1 In verzet hebben klagers aangevoerd dat de kern van de klacht, welke de rechtsgeldigheid van de gehele vordering fundamenteel betwist, onvoldoende door de voorzitter is geadresseerd.

6.2 Klagers voeren aan dat er op 1 december 2023 een manspersoon aan de deur kwam zeggende dat hij gerechtsdeurwaarder was. De persoon weigerde zich te legitimeren, hetgeen in strijd is met de Gerechtsdeurwaarderswet. Klagers weten nog steeds niet of de persoon wel echt een in het register ingeschreven gerechtsdeurwaarder is.

6.3 Klagers voeren verder aan dat zij ondanks meerdere verzoeken geen rechtsgeldige akte van cessie hebben ontvangen. Zonder deze stukken ontbreekt het bewijs dat [  ] bevoegd is om namens de oorspronkelijke schuldeiser op te treden of zelf als schuldeiser te incasseren, aldus klagers.

6.4 Klagers voeren tevens aan dat de op een gerechtsdeurwaarder rustende zorgplicht is geschonden doordat de hen bezoekende gerechtsdeurwaarder ([  ]) zich desgevraagd niet heeft gelegitimeerd.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Voor zover klagers nieuwe klachten in verzet heeft aangevoerd kunnen zij daarin niet worden ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dient de kamer bij de behandeling van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter de oorspronkelijke klacht te toetsen. Dit betekent dat in verzet de oorspronkelijke klacht niet met nieuwe klachten kan worden aangevuld. Klagers kunnen daarom niet worden ontvangen in hun klachten als vermeld onder 6.2, 6.3 en 6.4. De kamer geeft de gerechtsdeurwaarder wel mee dat, hoewel de weigering van gerechtsdeurwaarder

[  ] om zich desgevraagd te legitimeren hier niet ter beoordeling staat, dit wel klachtwaardig is.

7.2 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer tot een andere beslissing komt. Het door klagers ter zitting aangevoerde maken dit niet anders.

7.3 De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

7.4 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. Brokkaar, plaatsvervangend-voorzitter, mr. J.H.J. Evers en mr. H.A. Roos, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.