ECLI:NL:TGDKG:2026:56 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/770071 DW RK 25/179 MK/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2026:56
Datum uitspraak: 29-05-2026
Datum publicatie: 03-06-2026
Zaaknummer(s): C/13/770071 DW RK 25/179 MK/SM
Onderwerp: Incassotraject
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht ongegrond. Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder brieven aan haar heeft verzonden met als bijlage een verzoekschrift, opgesteld in naam van een advocaat en gericht aan de rechtbank, om klaagster failliet te laten verklaren. De kamer overweegt dat er voor een gerechtsdeurwaarder niets aan in de weg staat om een faillissementsverzoek aan klaagster voor te houden. Klaagster is immers gedagvaard en veroordeeld, er is bevel gedaan en er zijn meerdere executiemaatregelen getroffen die niet tot directe of indirecte voldoening hebben geleid. Klaagster heeft niet betaald en er is geen betaalafspraak gemaakt. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van een oneigenlijke maatregel en het aankondigen ervan maakt niet dat oneigenlijke druk is toegepast. In hoeverre er niet voldaan zou zijn aan de pluraliteitsvereiste ligt ter beoordeling aan faillissementsrechter.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 29 mei 2026 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/770071 DW RK 25/179 MK/SM ingesteld door:

[   ]., vertegenwoordigd door [   ],

gevestigd te [   ],

klaagster,

gemachtigde: [   ],

tegen:

[   ],

waarnemend gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde.

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 28 mei 2025, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (een medewerker van het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 18 juli 2025, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 april 2026 alwaar [   ], haar gemachtigde en de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 29 mei 2026.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Bij vonnis van de kantonrechter te Groningen van 4 juni 2024 is klaagster veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.
  • Bij brief van 11 juni 2024 is klaagster verzocht de openstaande vordering te voldoen.
  • Bij exploot van 25 juni 2024 is het vonnis van 4 juni 2024 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.
  • Ten laste van klaagster zijn diverse executiemaatregelen getroffen die niet tot resultaat hebben geleid.
  • Bij e-mail van 6 maart 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder een verzoekschrift om klaagster failliet te verklaren aan klaagster verzonden.
  • Hierop heeft klaagster bij e-mail van 10 maart 2025 gereageerd.
  • Bij e-mail van 20 mei 2025 is opnieuw een verzoekschrift om klaagster failliet te verklaren aan klaagster verzonden.
  • Hierop heeft klaagster bij e-mail van 20 mei 2025 gereageerd.
  • Bij e-mail van 21 mei 2025 is aan klaagster medegedeeld dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat er een steunvordering was. In de e-mail is aangegeven dat het schrijven weliswaar abusievelijk is verzonden, maar dat de executieprocedure wel zal worden voortgezet.

2. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder twee keer een brief aan haar heeft verzonden met als bijlage een verzoekschrift, opgesteld in naam van een advocaat en gericht aan de rechtbank, om klaagster failliet te laten verklaren. Dat mag een gerechtsdeurwaarder zo niet doen.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Op grond van het bepaalde in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn gerechtsdeurwaarders onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens die wet en de Wet kwaliteit incassodienstverlening gegeven bepaling en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder niet betaamt. Klaagster heeft haar klacht gericht tegen een medewerker van het gerechtsdeurwaarderskantoor. Ingevolge het bepaalde in voornoemd artikel kan dit niet. Nu de verweervoerende gerechtsdeurwaarder, middels zijn verweer, zich heeft opgeworpen als beklaagde, zal de klacht worden behandeld als tegen hem gericht. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.2 Bij brieven van 6 maart 2025 en 20 mei 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder aangekondigd dat de opdrachtgever overgaat tot het aanvragen van het faillissement van klaagster, indien klaagster het verschuldigde bedrag niet binnen vijf dagen voldoet. Een verzoekschrift tot faillissement was bij de brieven gevoegd. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de gerechtsdeurwaarder niet de aangewezen persoon is om op deze wijze een faillissementsverzoek te sturen aan klaagster, omdat alleen een advocaat zo’n verzoekschrift in kan dienen. Er is weliswaar een advocaat genoemd in het faillissementsverzoek, maar door het blanco papier ontbreekt elke aanwijzing dat de advocaat hiervan op de hoogte was of  toestemming heeft verleend om zijn naam te gebruiken, aldus klaagster. Klaagster categoriseert het als “schimmig” en daarom als onzorgvuldig handelen van de gerechtsdeurwaarder. Tenslotte ontbreekt volgens klaagster de vereiste pluraliteit van schuldeisers.

4.3 De gerechtsdeurwaarder stelt zich op het standpunt dat een faillissementsverzoek door een gerechtsdeurwaarder verstuurd kan worden, ook als geen andere schuldeisers bekend zijn. De medewerker van de gerechtsdeurwaarder heeft weliswaar excuses gemaakt voor het ontbreken van een steunvordering, maar dat tast, wat hem betreft, zijn standpunt niet aan. Met de in het verzoek genoemde advocaat die op het zelfde kantooradres is gevestigd, heeft de gerechtsdeurwaarder vaste werkafspraken die inhouden dat na inhoudelijk bespreking van de casus zijn naam genoemd wordt in het faillissementsverzoek en dat die advocaat het daadwerkelijke faillissementsverzoek zal indienen en behandelen, mocht het zover komen.

4.4 De kamer overweegt als volgt. Klager is gedagvaard en veroordeeld, er is bevel gedaan en er zijn meerdere executiemaatregelen getroffen die niet tot directe of indirecte voldoening hebben geleid. Klaagster heeft niet betaald en er is geen betaalafspraak gemaakt. Het aanvragen van faillissement is in zo’n geval geen oneigenlijke maatregel en het aankondigen ervan dus geen oneigenlijke druk.

4.5 Het pijnpunt van klaagster zit vooral in de omstandigheid dat het faillissementsverzoek verstuurd is door de gerechtsdeurwaarder en niet door een advocaat. Anders dan het opnemen van de naam aan de voet van het concept blijkt nergens uit dat de advocaat hiervan op de hoogte is, dan wel toestemming heeft verleend zijn naam te gebruiken. Klaagster heeft, desgevraagd, verklaard dat als het voor haar wel voldoende duidelijk was geweest dat de advocaat dit concept had opgestuurd het dan “een andere zaak was geweest”.

4.6 De kamer overweegt dat er voor een gerechtsdeurwaarder niets aan in de weg staat om een faillissementsverzoek aan klaagster voor te houden. Het indienen van het verzoek bij de rechtbank gebeurt door een advocaat, maar dat is hier niet aan de orde. De verklaring van de gerechtsdeurwaarder hoe het intern geregeld is met de betrokkenheid van de advocaat in gevallen waarin een faillissementsverzoek wordt overwogen, komt de kamer niet oneigenlijk voor. Van belang is te weten – en dit is de gerechtsdeurwaarder ter zitting nadrukkelijk voorgehouden – dat de advocaat kennis heeft genomen van de ter zake doende kwestie, alvorens hij zijn naam eraan verbindt. Daarvan is in voldoende mate sprake van geweest. De kamer merkt in dat verband op dat het opvallend is dat klaagster hier gewag van maakt ter zitting, maar niet de noodzaak heeft gevoeld na ontvangst van het concept hierover in contact te treden met gerechtsdeurwaarder, dan wel de genoemde advocaat om haar vragen beantwoord te krijgen.

4.7 Daarnaast beklaagt klaagster zich erover dat er niet is voldaan aan de pluraliteitsvereiste, als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Faillisementswet. Het niet of nog niet beschikken over een steunvordering staat er niet aan in de weg een schuldenaar te informeren dat een faillissementsverzoek zal worden ingediend. Niet in de laatste plaats omdat het verzoekschrift uiteindelijk ingediend wordt door een advocaat en toetsing op dat punt vervolgens is voorbehouden is aan de faillissementsrechter en niet aan de gerechtsdeurwaarder of de tuchtrechter.  

4.8 Het hiervoor overwogene maakt dat de kamer tot het oordeel komt dat van onzorgvuldig, dan wel tuchtrechtelijk laakbaar handelen niet is gebleken.

4.9 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.L.S. Kalff, voorzitter, mr. S.N. Schipper en

mr. S.J.W. van der Putten, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

29 mei 2026, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.