ECLI:NL:TGZRSHE:2026:99 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8756

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:99
Datum uitspraak: 03-06-2026
Datum publicatie: 03-06-2026
Zaaknummer(s): H2025/8756
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat zijn onderzoek naar de belastbaarheid van klaagster onvolledig is omdat hij geen eigen medisch onderzoek heeft verricht en hij heeft nagelaten de totale medische en sociale situatie van klaagster te beoordelen. Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. Het college oordeelt dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en conform de daarvoor geldende normen uitgevoerd.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 3 juni 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: [C] te [B],

tegen

[D],
arts arbeid en gezondheid – verzekeringsgeneeskunde,
destijds werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de verzekeringsarts
gemachtigde: mr. A.B. Schippers-Juergens, werkzaam in Amsterdam.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster verwijt de verzekeringsarts – kort gezegd – dat zijn onderzoek naar de 
belastbaarheid van klaagster onvolledig is omdat hij geen eigen medisch onderzoek heeft verricht en 
hij heeft nagelaten de totale medische en sociale situatie van klaagster te beoordelen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 21 juli 2025;
-  de brief van 31 juli 2025 van de secretaris aan klaagster en haar gemachtigde;
-  het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 6 augustus 2025;
-  de brief van 21 augustus 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klaagster;
-  het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 1 september 2025;
-  het verweerschrift ontvangen op 26 september 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klaagster heeft in 2022 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet 
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajonguitkering) gedaan. Klaagster was toen 17 
jaar oud. Om de aanvraag te kunnen beoordelen is zij op 21 maart 2022 door verweerder gezien. Een 
rapport van dit onderzoek is opgemaakt en gedateerd op
23 maart 2022. In het rapport is– voor zover thans van belang – het volgende opgenomen (alle 
citaten letterlijk weergegeven):
“(…)
4.1. Dossier
(…)
Medisch
Medische informatie (…) Orthopedagoog NVO i.o. (…) en GZ-psycholoog i.o. (…) d.d. 01-12-2021;
(…)
Zowel de ontwikkelingsanamnese als de DSM5 Interview ASS afgenomen (…), wijzen in de richting van 
ontwikkelingsproblematiek. (…) moeilijkheden in sociaal-emotionele wederkerigheid en non-verbale 
communicatie en het kost haar moeite om relaties te ontwikkelen en onderhouden. Daarnaast (…) 
motorische stereotypieën, heeft zij een inflexibele manier van denken, heeft zij specifieke 
interesses en is zij hypergevoelig voor bepaalde zintuiglijke prikkels. Op basis van bovenstaande 
bevindingen is in multidisciplinair team vastgesteld dat (…) voldoet aan de criteria van een 
autismespectrumstoornis.
(…)
6.2. Overwegingen
(…)
Op basis van verkregen indrukken en ontvangen informatie wordt geconcludeerd dat klant nog 
ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Zij is vrij recent gestart met begeleiding aan huis. Het 
voorgestelde beleid zoals verwoord door GGZ (naam instelling) bestaat o.a. uit thuisbehandeling 
inclusief psycho educatie deeltijdbehandeling op termijn en externe begeleiding op te starten 
rondom de dagbesteding en systeemtherapie. Dit in overweging nemende kan nog niet worden gesproken 
van een eindsituatie. Er zijn namelijk nog mogelijkheden om te komen tot meer autonomie en 
zelfstandigheid terwijl een arbeidskundige beoordeling op dit moment ook weinig zinvol lijkt. Klant 
zit nog in een behandeltraject, heeft zeker haar beperkingen maar wellicht is toch op termijn 
verbetering haalbaar, een en ander afhankelijk van de resultaten van de voorgestelde therapieën. 
(…)

7. Conclusie
Het is medisch evident dat de klant nu niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. Het 
ontbreken van basale werknemersvaardigheden is het gevolg van ziekte of gebrek. Het ontbreken van 
basale werknemersvaardigheden is vooralsnog echter niet duurzaam. Er zijn namelijk nog 
ontwikkelingsmogelijkheden en vormen van therapie welke ervaren belemmeringen kunnen doen afnemen.
(…)”

3.2   Het UWV heeft de aanvraag van klaagster voor een Wajonguitkering bij besluit van 30 maart 
2022 afgewezen. Daarbij heeft het UWV zich gebaseerd op het rapport van de verzekeringsarts. Tegen 
dit besluit van 30 maart 2022 heeft klaagster bezwaar gemaakt.

4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
4.1  Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij:
a) geen eigen medisch onderzoek heeft verricht;
b) heeft nagelaten de totale medische en sociale situatie van klaagster te beoordelen;
c) bij de medische beoordeling een structureel gebrek had aan zorgvuldigheid, een onafhankelijk 
oordeel en professionele toetsing.

4.2  De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden.

5.2  Het college oordeelt dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 
Hij heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en conform
de daarvoor geldende normen uitgevoerd. Het college licht dit oordeel hierna verder toe.

Klachtonderdeel a) geen eigen medisch onderzoek verricht en b) nagelaten de totale medische en 
sociale situatie te beoordelen
5.3  Klachtonderdelen a) en b) lenen zich voor gezamenlijke behandeling, gelet op hun onderlinge 
samenhang.

5.4   Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij geen eigen medisch onderzoek heeft verricht en 
hij heeft nagelaten de totale medische en sociale situatie van klaagster te beoordelen. De 
verzekeringsarts heeft een uitgebreide toelichting gegeven op de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd en uitdrukkelijk betwist dat dit onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest.

5.5   Het college overweegt als volgt. Het college stelt vast dat uit het rapport van het onderzoek 
van de verzekeringsarts blijkt dat hij wel degelijk een eigen onderzoek heeft verricht. De 
verzekeringsarts heeft kennisgenomen van alle relevante gegevens om te beoordelen of klaagster in 
aanmerking kwam voor een Wajonguitkering en deze informatie betrokken bij zijn beoordeling. Voor 
zover klaagster heeft bedoeld dat de verzekeringsarts lichamelijk onderzoek had moeten verrichten, 
overweegt het college dat dit gelet op de problematiek die bij klaagster speelde, niet aangewezen 
was. Het college stelt ook vast dat de verzekeringsarts een adequate onderzoeksmethode heeft 
toegepast en dat hij het verzekeringsgeneeskundige onderzoek ook overeenkomstig de hiervoor 
geldende beleidsregels heeft uitgevoerd.

5.6   Ten aanzien van het verwijt van klaagster dat de verzekeringsarts heeft nagelaten de totale 
medische en sociale situatie van klaagster te beoordelen, is het college van oordeel dat de 
verzekeringsarts op grond van de informatie waarover hij beschikte in redelijkheid tot zijn 
conclusies heeft kunnen komen. Daarbij heeft de verzekeringsarts de beschikbare informatie op 
zorgvuldige wijze gewogen en gebruikt. De rapportage is naar het oordeel van het college navolgbaar 
en voldoende inzichtelijk gemotiveerd en onderbouwd. Voor zover klaagster heeft aangevoerd dat de 
verzekeringsarts de door haar gemachtigde toegezonden stukken niet heeft meegenomen in zijn 
beoordeling, overweegt het college dat de beoordeling van de relevantie van dergelijke informatie 
behoort tot de professionele beoordelingsruimte van de verzekeringsarts. Het college acht die 
afweging niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

5.7  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.

Klachtonderdeel c) een structureel gebrek had aan zorgvuldigheid, een onafhankelijk oordeel en 
professionele toetsing
5.8   Het college stelt vast dat niet duidelijk is geworden waarop dit verwijt concreet ziet. In 
het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het college geen aanleiding om te twijfelen aan 
de zorgvuldigheid, onafhankelijkheid of professionaliteit van de verzekeringsarts. Uit het verslag 
van het onderzoek van de verzekeringsarts blijkt juist dat hij zorgvuldig onderzoek heeft verricht 
en hij zijn bevindingen en overwegingen inzichtelijk uiteen heeft gezet.

5.9  Ook dit laatste klachtonderdeel is hiermee kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 3 juni 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, 
voorzitter, R.P.J. Ansem en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
J.J. Wackers, secretaris.