Zoekresultaten 14141-14150 van de 47540 resultaten
-
ECLI:NL:TADRSHE:2020:105 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-058/DB/ZWB
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TADRSHE:2020:105
De voorzitter heeft de klacht te beperkt uitgelegd. Verzet gegrond. Klacht met toepassing van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet in alle onderdelen niet-ontvankelijk.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2020:274 Raad van Discipline Amsterdam 20-872/A/A/W
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 30-11-2020
- ECLI:NL:TADRAMS:2020:274
Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Het is zes jaar geleden dat verweerder plaatsvervangend griffier van de raad was. Bovendien hebben verweerders zich om praktische redenen teruggetrokken, zodat verzoeker geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn verzoek.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2020:268 Raad van Discipline Amsterdam 20-365/A/A
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 30-11-2020
- ECLI:NL:TADRAMS:2020:268
Ongegrond verzet.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2020:106 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-286/DB/ZWB/D
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TADRSHE:2020:106
Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij geldbedragen heeft geleend aan zijn (failliete) cliënt en/of ondernemingen die aan deze cliënt zijn gelieerd, gelden heeft geïnvesteerd in een of meer vennootschappen die aan deze cliënt zijn gelieerd, het deze cliënt mogelijk heeft gemaakt inkomsten/gelden buiten het zicht van de curator te houden en in faillissementen die hij als curator behandelde S heeft ingeschakeld en daarmee de ondernemingen waarvan verweerder zelf aandeelhouder was. Schorsing van 26 weken, waarvan 13 voorwaardelijk. Proceskostenveroordeling.
-
ECLI:NL:TGZRSGR:2020:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-056
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 08-12-2020
- ECLI:NL:TGZRSGR:2020:140
Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een huisarts . Het College is van oordeel dat beklaagde, gelet op de aanhoudende benauwdheidsklachten van patiënte, volgens de NHG-Standaarden standaarden het verloop van de klachten van patiënte actief had moeten volgen. De klacht slaagt in die zin dat niet gevolgd is of de voorgeschreven medicijnen het gewenste resultaat opleverden, er volgens het journaal slechts beperkt lichamelijk onderzoek is gedaan en er niet is besloten tot het maken van een X-thorax. Voorts is op het verzoek van klaagster om bij patiënte een huisbezoek af te leggen negatief besloten, dit terwijl er twee dagen hiervoor sprake was van hevig schommelen van de bloedsuikers met een insulineswitch als gevolg. Ook als er door klaagster alleen melding zou zijn gemaakt van braken, had gelet op het voorgaande een huisbezoek dienen te worden gebracht. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2020:275 Raad van Discipline Amsterdam 20-784/A/A/W
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 30-11-2020
- ECLI:NL:TADRAMS:2020:275
Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond. Het enkele feit dat de tuchtrechter er ten onrechte vanuit is gegaan dat het verzoek van mevrouw W om op de zitting van 20 oktober 2020 beeld- of geluidsopnames te maken in overleg met verzoeker was gedaan en de griffie van de raad mevrouw W daarom namens de tuchtrechter heeft gevraagd om (uitsluitend) de schriftelijke toestemming van mrs. X en Y voor het maken van filmopnames, is daartoe onvoldoende. Met andere woorden: de wrakingskamer ziet niet in hoe de reactie van de tuchtrechter op het verzoek van mevrouw W bij verzoeker onmiddellijk de schijn heeft kunnen wekken dat de tuchtrechter vooringenomen of partijdig zou kunnen zijn.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2020:269 Raad van Discipline Amsterdam 20-791/A/NH
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 30-11-2020
- ECLI:NL:TADRAMS:2020:269
Voorzittersbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Klager lijkt in de veronderstelling te leven dat een advocaat alles moet doen wat de cliënt hem of haar opdraagt. Die veronderstelling is niet juist. De advocaat heeft een eigen verantwoordelijkheid om de zaak correct te behandelen en màg zich zelfs niet verschuilen achter de opdracht van zijn cliënt. Een advocaat kan door zijn cliënt dan ook niet verplicht worden om bepaalde stukken in een procedure in te brengen als de advocaat meent dat dit niet in het belang van een goede behandeling van de zaak is. In het laatste geval moet de advocaat dit wel tijdig en op zorgvuldige wijze kenbaar maken aan de cliënt. Uit hetgeen verweerster heeft aangevoerd blijkt dat zij daaraan heeft voldaan. Voorts geldt dat het een advocaat vrij staat om de werkzaamheden te beëindigen. Als de vertrouwensbasis is vervallen, is hij of zij daartoe zelfs gehouden. Wel dient de advocaat die beslissing zo tijdig kenbaar te maken en de cliënt te wijzen op de te nemen stappen, dat de cliënt daarvan geen procedurele schade ondervindt. Uit het klachtdossier blijkt dat verweerster ook daaraan heeft voldaan. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRSGR:2020:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-001a
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 08-12-2020
- ECLI:NL:TGZRSGR:2020:141
Klacht tegen een huisarts kennelijk niet-ontvankelijk. Als niet de levensgezel maar een andere nabestaande, zoals in dit geval klaagster, de tuchtklacht indient, wordt ook deze geacht de wil van de overleden patiënt te vertegenwoordigen, behoudens het geval dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te twijfelen. Het College is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan er twijfels bestaan of klaagster overeenkomstig de wil van de overleden patiënt de klacht heeft ingediend. Uit verschillende aantekeningen in de patiëntenkaart leidt het College namelijk af dat de patiënt geen inmenging en betrokkenheid van klaagster wenste bij zijn medische behandeling. Dit geeft aanleiding om te veronderstellen dat klaagster met haar klacht niet de veronderstelde wil van de patiënt vertegenwoordigt. Klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
-
ECLI:NL:TDIVBC:2020:12 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/13
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TDIVBC:2020:12
Gewijzigde samenstelling van het Veterinair Tuchtcollege na sluiting onderzoek. Uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege is nietig. Het Veterinair Beroepscollege doet, met toepassing van artikel 8:39, tweede lid, van de Wet Dieren, de zaak zelf af. Voor het VBC staat voldoende vast dat de dierverloskundige buiten zijn bevoegdheid op regelmatige basis keizersneden uitvoerde zonder dat daartoe een dwingende veterinaire noodzaak bestond die hem ertoe dwong buiten de eigen bevoegdheid te handelen en dat de dierverloskundige diergeneesmiddelen heeft toegepast en heeft verstrekt terwijl hij daartoe als dierverloskundige niet bevoegd was en bovendien onvoldoende aan verslaglegging hiervan heeft gedaan. Het VBC schorst de dierverloskundige op grond van artikel 8.31, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet dieren onvoorwaardelijk in de bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen op het gebied van de verloskunde voor een periode van zes maanden, te rekenen vanaf vrijdag 11 december 2020 te 0.00 uur. Deze schorsing geldt niet voor de werkzaamheden van de dierverloskundige als castreur en klauwbehandelaar en evenmin voor zijn handelsactiviteiten en legt de dierverloskundige op grond van artikel 8.31, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met het vijfde en zesde lid, van de Wet dieren een voorwaardelijke geldboete op van € 5.000,00 met een proeftijd van drie jaar, te rekenen vanaf de datum van deze uitspraak.
-
ECLI:NL:TGZRSGR:2020:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-062
- Datum publicatie: 08-12-2020
- Datum uitspraak: 08-12-2020
- ECLI:NL:TGZRSGR:2020:142
Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. In de kern komt de klacht erop neer dat klaagster verwijt dat beklaagde niet tot de conclusie had kunnen komen dat er geen cognitieve beperking was, omdat de moeder van klaagster visueel beperkt was. Voor het College staat voldoende vast dat beklaagde op de hoogte was van de visuele beperking van de moeder van klaagster en dat beklaagde dat heeft betrokken in zijn onderzoek. Het College stelt daarom vast dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld. Het College merkt daarnaast op dat het hebben van een visuele beperking niet betekent dat ook sprake is van een cognitieve stoornis en/of beperking. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1414
- Pagina: 1415
- Pagina: 1416
- ...
- Pagina: 4754
- Volgende pagina zoekresultaten