ECLI:NL:TGZRSGR:2020:140 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-056
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2020:140 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-12-2020 |
| Datum publicatie: | 08-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | 2020-056 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een huisarts . Het College is van oordeel dat beklaagde, gelet op de aanhoudende benauwdheidsklachten van patiënte, volgens de NHG-Standaarden standaarden het verloop van de klachten van patiënte actief had moeten volgen. De klacht slaagt in die zin dat niet gevolgd is of de voorgeschreven medicijnen het gewenste resultaat opleverden, er volgens het journaal slechts beperkt lichamelijk onderzoek is gedaan en er niet is besloten tot het maken van een X-thorax. Voorts is op het verzoek van klaagster om bij patiënte een huisbezoek af te leggen negatief besloten, dit terwijl er twee dagen hiervoor sprake was van hevig schommelen van de bloedsuikers met een insulineswitch als gevolg. Ook als er door klaagster alleen melding zou zijn gemaakt van braken, had gelet op het voorgaande een huisbezoek dienen te worden gebracht. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard. Klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. Waarschuwing. |
Datum uitspraak: 8 december 2020
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: mr. I. Alderlieste, werkzaam te Rotterdam,
tegen:
C , huisarts,
werkzaam te B,
beklaagde,
gemachtigde: mr. P.A. de Zeeuw, werkzaam te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 10 april 2020;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de repliek met bijlagen;
- de dupliek.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.
1.3
De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting
van 27 oktober 2020. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen
en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1
Klaagster is de dochter van D, overleden in februari 2020, hierna te noemen patiënte.
Beklaagde is sinds 2009 werkzaam als huisarts in het E te B (hierna: de (huisartsen)praktijk),
waar patiënte sinds 2016 was ingeschreven.
2.2
Op 10 april 2019 heeft patiënte, bekend met diabetes mellitus II, zich bij de praktijk
gemeld met verkoudheidsklachten en een piepende ademhaling. De diagnose bronchitis
werd gesteld. Aan patiënte werd amoxicilline voorgeschreven. Op 6 mei 2019 meldde
patiënte zich wederom met piepend ademgeruis. De amoxicilline had niet geholpen. De
diagnose astma werd gesteld. Aan patiënte werd salbutamol en budesonide via een puffer
voorgeschreven. Haar werd gevraagd contact op te nemen indien zich koortsklachten
zouden ontwikkelen.
2.3 In september 2019 heeft patiënte een reis naar F gemaakt, waar zij zich, vanwege haar medische toestand, in het ziekenhuis heeft gemeld. Op 19 augustus 2019 is daar een scan van de longen gemaakt. Op 23 september 2019 heeft zij een CD met de afbeeldingen van de scan in de huisartsenpraktijk aan beklaagde willen overhandigen.
2.4 In de maanden oktober en november 2019 hebben op de praktijk verschillende diabetescontroles bij patiënte plaatsgevonden. De laatste vond plaats op 27 november, waarbij werd geconstateerd dat de bloedsuikers erg aan het schommelen waren. Een insulineswitch vond plaats.
2.5 Op 29 november 2019 heeft klaagster naar de praktijk gebeld met de mededeling dat het niet goed ging met patiënte. Zij heeft aangegeven dat het om ernstige benauwdheidsklachten ging met misselijkheid. Klaagster vroeg om een huisbezoek. Dit verzoek is niet ingewilligd. De assistente heeft telefonisch contact gezocht met patiënte en aan beklaagde gemeld dat het om braakklachten ging, waarop is besloten geen huisbezoek te brengen. Volgens klaagster heeft zij aangegeven dat het ook om ernstige benauwdheidsklachten ging.
2.6 Klaagster heeft de internist, die patiënte vanwege huiduitslag (waarschijnlijk Henoch Schonlein purpura) onder behandeling had, in het ziekenhuis gebeld, en deze heeft patiënte diezelfde dag nog naar de SEH laten komen waar een foto van de longen werd gemaakt. Hierna werd geconstateerd dat patiënte een stadium IVb kleincellig longcarcinoom had.
2.7 In februari 2020 is patiënte overleden.
3. De klacht
De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt:
a. Beklaagde heeft de klachten van patiënte niet serieus genomen. Zij kreeg steeds
medicijnen en pufjes voorgeschreven, die niet hielpen. Zij werd niet uitgebreid
lichamelijk onderzocht en ook niet doorgestuurd naar een specialist.
b. De in F gemaakte scan werd door beklaagde niet in ontvangst genomen,
terwijl daarop een massa in de rechterlong te zien was.
c. Toen klaagster op 29 november 2019 vroeg om een huisbezoek vanwege ernstige
benauwdheid en braken, is beklaagde niet gekomen. Er werd slechts iets tegen de
misselijkheid voorgeschreven.
Klaagster is van mening dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van patiënte en dat zij niet de zorg heeft gegeven die zij had moeten betrachten.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Bij de beoordeling van een klacht gaat het er niet om of het handelen van de beklaagde beter had gekund, maar of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met wat toen in de beroepsgroep ter zaken als norm of standpunt was aanvaard.
5.2 In het onderhavige geval is bij patiënte op 10 april 2019 de diagnose bronchitis gesteld en amoxicilline voorgeschreven. Het College wijst er op dat er volgens de NHG-Standaard M78 ‘Acuut hoesten’ bij blijvende onzekerheid en onvoldoende herstel een X-thorax gemaakt dient te worden gemaakt.
Zoals blijkt uit de toelichting ter zitting van beklaagde heeft een collega van beklaagde, een basisarts, patiënte op 6 mei 2019 gezien. Ook heeft beklaagde ter zitting verklaard dat de basisarts onder verantwoordelijkheid van beklaagde werkte. Op 6 mei 2019 waren de klachten niet verbeterd en is, in plaats van het maken van een X-thorax, de diagnose astma gesteld. In het journaal is melding gemaakt van beperkt lichamelijk onderzoek; metingen van temperatuur, bloeddruk, polsfrequentie en zuurstofverzadiging ontbreken. Patiënte zijn nieuwe medicijnen voorgeschreven. Of deze medicijnen de klachten van patiënte hebben verbeterd is ook niet in het journaal terug te lezen. Dit terwijl volgens de NHG-Standaard M27 ‘Astma bij volwassenen’ het verloop van de klachten actief dient te worden gevolgd. Nu de basisarts onder supervisie van beklaagde werkzaam was, was beklaagde hiervoor verantwoordelijk.
5.3 Het College is van oordeel dat beklaagde, gelet op de aanhoudende benauwdheidsklachten van patiënte, volgens het gestelde in genoemde standaarden het verloop van de klachten van patiënte actief had moeten volgen. Daartoe had klaagster ook alle gelegenheid nu patiënte zich in juni, september, oktober en november 2019 meerdere malen op het spreekuur heeft gemeld.
De conclusie luidt dat klachtonderdeel a slaagt, in die zin dat niet gevolgd is of de voorgeschreven medicijnen het gewenste resultaat opleverden, er volgens het journaal slechts beperkt lichamelijk onderzoek is gedaan en er niet is besloten tot het maken van een X-thorax.
5.4 Met betrekking tot klachtonderdeel b overweegt het College als volgt. De in F
gemaakte scan van de longen is beklaagde in de praktijk in de wandelgangen, buiten het spreekuur om, aangeboden. Het College is van oordeel dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de cd-rom niet in ontvangst te nemen. Zij heeft patiënte, naar het oordeel van het College terecht gezegd dat zij hiervoor een afspraak diende te maken, hetgeen patiënte niet heeft gedaan. Dit onderdeel van de klacht slaagt niet.
5.5 Onderdeel c van de klacht slaagt wel. Op het verzoek van klaagster om bij patiënte op 29 november 2019 een huisbezoek af te leggen is negatief besloten, dit terwijl er twee dagen hiervoor sprake was van hevig schommelen van de bloedsuikers met een insulineswitch als gevolg. Ook als er door klaagster alleen melding zou zijn gemaakt van braken, had gelet op het voorgaande een huisbezoek dienen te worden gebracht.
Het College merkt op dat de verslaglegging in het journaal summier is. Een zorgvuldige en complete verslaglegging is van belang, maar zeker in een praktijk waar meerdere artsen werkzaam zijn en patiënten derhalve behandeld worden door verschillende artsen is een zorgvuldige verslaglegging van groot belang. Zoals hierboven al is aangegeven is in het journaal niet terug te vinden of er gedacht is aan een samenhang met eerdere beoordelingen, of er voldoende lichamelijk onderzoek is gedaan en of de voorgeschreven medicijnen tot het gewenste resultaat hebben geleid.
5.6 De conclusie is dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Beklaagde heeft in strijd gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
5.7 Het College is van oordeel dat door het opleggen van een waarschuwing het primaire
doel van het tuchtrecht, te weten het bevorderen en het bewaken van de kwaliteit van
de individuele gezondheidszorg is bereikt. Voor een veroordeling in de proceskosten
ziet het College geen aanleiding.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;
- legt op de maatregel van een waarschuwing;
- wijst de klacht voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, M.W. Koek, lid-jurist,
J. Edwards van Muijen, G.J. Dogterom en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2020.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.