ECLI:NL:TGZRSGR:2020:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-062

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2020:142
Datum uitspraak: 08-12-2020
Datum publicatie: 08-12-2020
Zaaknummer(s): 2020-062
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. In de kern komt de klacht erop neer dat klaagster verwijt dat beklaagde niet tot de conclusie had kunnen komen dat er geen cognitieve beperking was, omdat de moeder van klaagster visueel beperkt was. Voor het College staat voldoende vast dat beklaagde op de hoogte was van de visuele beperking van de moeder van klaagster en dat beklaagde dat heeft betrokken in zijn onderzoek. Het College stelt daarom vast dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld. Het College merkt daarnaast op dat het hebben van een visuele beperking niet betekent dat ook sprake is van een cognitieve stoornis en/of beperking. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.      

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C, arts,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. drs. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2020;

-      het verweerschrift met bijlagen.

1.2              De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3              Het College heeft de klacht op 27 oktober 2020 in raadkamer behandeld.  

2.                  De feiten

2.1              Klaagster is de dochter van E. De moeder van klaagster is in 2020 overleden. Voordat de moeder van klaagster overleed, heeft beklaagde een geneeskundige verklaring opgesteld ten behoeve van het opstellen van een testament en/of het wijzigen hiervan.

2.2              Het verzoek om een geneeskundige verklaring op te stellen heeft beklaagde ontvangen van notaris F. In de e-mail van de notaris aan beklaagde van 13 januari 2020 staat onder andere het volgende:

‘(…) E is 91, maar woont nog geheel zelfstandig. (…)

Zij reist veelal zelfstandig, hoewel zij wegens een macula-degeneratie slecht kan zien.

E komt mij, ondanks haar leeftijd, geestelijk gezien kraakhelder over. Zij weet precies wat zij wil, en corrigeerde mij zelfs een aantal malen tijdens ons gesprek. (…)’ .

2.3              Op 20 januari 2020 heeft beklaagde de moeder van klaagster gezien tijdens een consult. Op die dag heeft de moeder van klaagster ook een verklaring ondertekend, waarin staat dat beklaagde geen informatie mag verstrekken over het consult, de werkwijze en of de uitkomst hiervan, op directe of op indirecte wijze aan klaagster.

2.4              In de geneeskundige verklaring van 27 januari 2020 is door beklaagde het volgende genoteerd:

‘(…) De volgende onderzoeken zijn verricht:

Oriënterend onderzoek cognitie, communicatie en mobiliteit. Beoordeling inzicht en besluitvaardigheid.

Bevindingen

Cognitieve stoornissen en of beperkingen zijn na onderzoek niet gevonden. Ten aanzien van de inhoud van het testament is betrokkene goed in staat om een executeur aan te wijzen en de gevolgen van de toekenning van de legaten te overzien. Tevens kan zij dit ook herhaaldelijk kenbaar te maken.

Conclusie

Op basis van het onderzoek ben ik van mening dat E niet beperkt wordt en voldoende in staat wordt geacht om ten aanzien van het testament haar vermogensrechtelijke belangen naar behoren te kunnen behartigen. (…)’

3.                  De klacht

Klaagster verwijt de beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij een onjuiste geneeskundige verklaring heeft afgegeven, omdat beklaagde een visuele beperking heeft gemist en daarom niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat er geen cognitieve beperking is.

4.                  Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1              In de kern komt de klacht erop neer dat klaagster beklaagde verwijt dat hij niet tot de conclusie had kunnen komen dat er geen cognitieve beperking was, omdat de moeder van klaagster visueel beperkt was.

5.2              Beklaagde heeft de moeder van klaagster gezien tijdens het consult op 20 januari 2020. Daarnaast was beklaagde in de e-mail van de notaris al op de hoogte gesteld dat de moeder van klaagster wegens een macula-degeneratie slecht kon zien. Voor het College staat voldoende vast dat beklaagde op de hoogte was van de visuele beperking van de moeder van  klaagster en dat beklaagde dat heeft betrokken in zijn onderzoek. Het College stelt daarom vast dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld. Het College merkt daarnaast op dat het hebben van een visuele beperking niet betekent dat ook sprake is van een cognitieve stoornis en/of beperking. Gezien het bovenstaande kan klaagster niet worden gevolgd in haar stelling dat de conclusie in de geneeskundige verklaring onjuist is.

5.3              Om bovenstaande redenen zal het College zonder nader onderzoek beslissen dat de klacht kennelijk ongegrond is. Beklaagde kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6.                  De beslissing

Het College:

-           verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 8 december 2020 door Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, M.W. Koek, lid-jurist, J. Edwards van Muijen, G.J. Dogterom en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.