Zoekresultaten 13471-13480 van de 47599 resultaten
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:52 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.002
- Datum publicatie: 08-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:52
Verweerder, arts, is vanaf adolescentie bekend met klachten passend bij een depressieve stoornis Na medicinale behandeling door de huisarts is hij onder behandeling gekomen van een psycholoog en een psychiater. Verweerder is in aanraking gekomen met cocaïne en bij hem is een bipolaire stoornis vastgesteld. Na diverse incidenten en meldingen heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (verder: IGJ) verweerder uitgenodigd voor een gesprek. Dat gesprek is na vele pogingen tot stand gekomen en verweerder heeft zich bereid verklaard mee te werken aan een expertiseonderzoek. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft IGJ besloten dat er op dat moment geen nadere maatregelen nodig waren. Meerdere gesprekken tussen IGJ en verweerder volgen en verweerder gaat aan de slag als keuringsarts. Afgesproken wordt dat verweerder een ABS programma gaat volgen maar dit komt twee jaar lang niet van de grond zodat IGJ verweerder verzocht mee te werken aan een onderzoek door een extern deskundige. Toen verweerder hiertoe niet bereid was heeft IGJ een voordracht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege (verder: RTG) en het RTG gevraagd verweerder te verzoeken zijn medewerking te verlenen aan een geneeskundig onderzoek en aan hem afhankelijk van de uitkomst daarvan eventueel een passende maatregel op te leggen. Voor het geval verweerder aan een dergelijk onderzoek geen medewerking zou verlenen heeft IGJ het RTG verzocht de inschrijving van verweerder in het BIG-register door te halen en hem bij wijze van voorlopige voorziening met onmiddellijke ingang te schorsen. Het RTG heeft de voordracht van IGJ toegewezen en de subsidiair gevraagde maatregel van doorhaling opgelegd, omdat – kort gezegd – bij het college het vertrouwen ontbrak dat verweerder aan een geneeskundig onderzoek mee zou werken en door het RTG niet kon worden vastgesteld dat hij geschikt is om zijn beroep uit te oefenen. Daarbij speelde mee dat de arts nauwelijks verweer had gevoerd en afwezig was tijdens de rechtszitting van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege heeft, nadat de arts inhoudelijk verweer heeft gevoerd, IGJ bij tussenbeslissing in de gelegenheid gesteld om een deskundigenrapport over de geschiktheid van verweerder om zijn beroep uit te oefenen te overleggen. Naar aanleiding van dit rapport heeft IGJ haar voordracht veranderd en het Centraal Tuchtcollege verzocht de beroepsuitoefening van verweerder aan voorwaarden te verbinden dan wel hem de bevoegdheid om het in het register ingeschreven staande beroep uit te oefenen gedeeltelijk te ontzeggen. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing van het RTG voor zover de inschrijving van verweerder daarbij is doorgehaald en wijst het door IGJ gevorderde toe wat betekent dat aan verweerder enkele aan de uitoefening van het beroep van arts verbonden bevoegdheden worden ontzegd en dat aan de beroepsuitoefening van verweerder enkele voorwaarden worden verbonden. Tenslotte gelast het Centraal Tuchtcollege publicatie van de beslissing.
-
ECLI:NL:TACAKN:2021:20 Accountantskamer Zwolle 20/1685 Wtra AK
- Datum publicatie: 08-03-2021
- Datum uitspraak: 08-03-2021
- ECLI:NL:TACAKN:2021:20
Klacht tegen accountant die ook werkzaam is als advocaat. Klager heeft niet toegelicht welke in de producties genoemde feiten er specifiek toe hebben geleid dat betrokkene de beroepsregels voor accountants heeft overtreden (doordat hij standpunten te kwader trouw of in sterke mate bewust onjuist of misleidend heeft ingenomen). Het is niet aan de Accountantskamer om uit overgelegde producties die feiten te destilleren die dienstig kunnen worden geacht aan de onderbouwing van een klacht. Meerdere tuchtrechtelijke beslissingen (van Raden- en Hoven van Discipline) zijn genomen jegens betrokkene in zijn hoedanigheid van advocaat op in die beslissingen vastgestelde feiten. De in die beslissingen vastgestelde feiten staan voor een andere tuchtrechter, en dus voor de Accountantskamer nog niet vast. Een tuchtrechtelijke veroordeling als advocaat impliceert niet zonder meer dat beroepsregels van accountants zijn geschonden. De klacht is ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2021:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 053/2020
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZRZWO:2021:32
· klacht tegen internist-oncoloog. Patiënt wordt behandeld voor urotheelcelcarcinoom. Onverwacht snel recidief met agressief verloop. Patiënt overlijdt. Klaagster, partner van patiënt, klaagt onder andere erover dat hij ongeïnteresseerd was in patiënt en geen empathie heeft getoond. Patiënt en klaagster zouden onjuist zijn voorgelicht en aan het lijntje zijn gehouden. Beklaagde zou niet met klaagster een nagesprek hebben willen voeren. Het college overweegt dat uit het medisch dossier blijkt dat beklaagde zich goed heeft vergewist van de inhoud van het dossier en van de behandeling die patiënt onderging. Dat patiënt en klaagster mogelijk meer hadden verwacht van beklaagde op het gebied van empathie is op zichzelf genomen nog onvoldoende om aan te nemen dat beklaagde daarmee klachtwaardig heeft gehandeld. Van onjuiste voorlichting of aan het lijntje houden is niet gebleken. Beklaagde heeft niet kunnen voorzien dat er zo snel een agressief recidief zou ontstaan. Dat beklaagde patiënt en klaagster in de waan hebben gelaten dat er hoop was op volledige genezing blijkt niet uit het dossier. Klaagster wilde na het overlijden van patiënt aanvankelijk haar op schrift gestelde beleving aan de artsen voorleggen zonder dat dezen daarop mochten reageren. Na overleg heeft het ziekenhuis aangeboden dat klaagster eerst met een collega-internist-oncoloog en een uroloog zou spreken. In een later stadium kon dan beklaagde aanschuiven. Klaagster heeft toen aangegeven dat zij dat niet wilde. Beklaagde kan niet worden aangerekend dat hij in eerste instantie terughoudend heeft gereageerd. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:55 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.185
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:55
Klacht tegen huisarts. Klaagster is gescheiden en moeder van twee kinderen waarvoor een omgangsregeling met vader is getroffen. Klaagster was patiënt bij de beklaagde huisarts. Op enig moment heeft de huisarts na een aantal bezorgde meldingen van derden advies gevraagd van een zorginstelling over hoe om te gaan met de situatie van klaagster. De klachten van klaagster richten zich daartegen. Ook beklaagt klaagster zich over de manier waarop de huisarts is omgegaan met haar PTSS, dat zij is beticht van het hebben van een persoonlijkheidsstoornis en is klaagster van mening dat de huisarts haar positie als moeder heeft beschadigd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2021:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 054/2020
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZRZWO:2021:33
· klacht tegen uroloog. Patiënt wordt behandeld voor urotheelcelcarcinoom. Onverwacht snel recidief met agressief verloop. Patiënt overlijdt. Klaagster, partner van patiënt, klaagt onder andere erover dat zij en patiënt onjuist zijn voorgelicht, aan het lijntje werden gehouden en dat beklaagde niet met haar een nagesprek wenste te voeren. Het college overweegt dat b eklaagde gelet op de zeldzaam agressieve ontwikkeling van de kanker niet heeft kunnen voorzien dat patiënt op het moment van de eerste bestraling zo snel achteruitging dat bestraling niet meer reëel was. Niet gebleken is dat beklaagde informatie achter heeft gehouden. Dat beklaagde patiënt en klaagster in de waan heeft gelaten dat er hoop was op volledige genezing blijkt niet uit het dossier. Klaagster wilde na het overlijden van patiënt aanvankelijk haar op schrift gestelde beleving aan de artsen voorleggen zonder dat dezen daarop mochten reageren. Na overleg heeft het ziekenhuis aangeboden dat klaagster eerst met een collega-uroloog en een internist-oncoloog zou spreken. In een later stadium kon dan beklaagde aanschuiven. Klaagster heeft toen aangegeven dat zij dat niet wilde. Beklaagde kan niet worden aangerekend dat hij in eerste instantie terughoudend heeft gereageerd. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:56 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.137
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:56
Klacht tegen een KNO-arts. Klaagster klaagt over de behandeling van haar minderjarige dochter (patiënte). Patiënte is wegens oorklachten door de huisarts verwezen naar de KNO-arts. De KNO-arts is gedurende bijna drie jaar de behandelaar van patiënte geweest. Volgens klaagster had veel ellende kunnen worden voorkomen als de KNO-arts pro-actiever had gehandeld. Klaagster verwijt de KNO-arts 1. ten aanzien van de diagnostiek; dat hij tekort is geschoten in zijn zorgplicht door niet of veel te laat onderzoek te doen naar de doofheidsklachten van patiënte dan wel dat hij heeft nagelaten patiënte door te verwijzen, 2. dat zijn dossiervoering te summier was en 3. dat hij te weinig en soms onjuiste informatie heeft verstrekt, dat hij zijn excuses niet heeft aangeboden en dat hij de zorgen van klaagster niet serieus heeft genomen en de klachten van patiënte heeft gebagatelliseerd. Het Regionaal Tuchtcollege stelt vast dat er een lang beloop is geweest in de behandeling van patiënte. De KNO-arts heeft gemotiveerd toegelicht wat zijn bevindingen waren. De afwegingen en beslissingen van de KNO-arts zijn naar het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege navolgbaar en verdedigbaar. Uit het dossier rijst een beeld van zorgvuldige, veelvuldige en uitvoerige communicatie tussen de KNO-arts en klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:51 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.112
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:51
Klacht tegen internist. Bij klaagster is in 2016 in het ziekenhuis waar de internist werkte de diagnose gemetastaseerd kleincellig carcinoom gesteld. De plaats van de primaire tumor was niet bekend. Klaagster werd hiervoor behandeld met chemotherapie. Later werd de diagnose gewijzigd en bleek dat op de rechterknie van klaagster sprake was van een naar de klieren gemetastaseerd merkelcelcarcinoom. Klaagster werd hiervoor vervolgens met immunotherapie behandeld. Klaagster verwijt de internist onder meer dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar de bult op klaagsters rechterknie, dat zij door de onnodige chemobehandelingen restverschijnselen heeft overgehouden en dat zij pas negen maanden later met toegepaste behandelingen kon beginnen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in beroep, voor zover dit een nieuwe klacht betreft, en verwerpt het beroep van klaagster voor het overige.
-
ECLI:NL:TACAKN:2021:19 Accountantskamer Zwolle 20/432 Wtra AK
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TACAKN:2021:19
Klacht tegen accountant n.a.v. controle meerdere jaarrekeningen. Klacht deels gegrond, deels ongegrond; oplegging maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving in de registers voor de duur van één maand. B etrokkene heeft als controlerend accountant in meerdere opzichten en meerdere keren gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Betrokkene heeft ook onvoldoende afstand tot zijn cliënten gehouden en zich intensief bemoeid met hun wel en wee, hoewel zijn positie als controlerend accountant hem daarvan had behoren te weerhouden. Betrokkene had kunnen en behoren in te zien dat zijn betrokkenheid als controlerend accountant vanaf 2000 op enig moment tot een wisseling van de wacht had moeten leiden.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2021:30 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 051/2020
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZRZWO:2021:30
· klacht tegen internist-oncoloog. Patiënt wordt behandeld voor urotheelcelcarcinoom. Onverwacht snel recidief met agressief verloop. Patiënt overlijdt. Klaagster, partner van patiënt, klaagt onder andere erover dat beklaagde zich diverse keren heeft versproken en geen eerlijke informatie heeft verstrekt. Beklaagde heeft over long- en leverkanker gesproken en later over long- en huidkanker. Bovendien heeft hij gezegd dat er geen uitzaaiingen waren terwijl later sprake was van onrustige cellen in de bekkenbodem. Patiënt en klaagster zouden onjuist zijn voorgelicht en aan het lijntje zijn gehouden. Het college overweegt dat beklaagde aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het geven van uitleg over studies waar patiënt aan mee kon doen over andere kankersoorten heeft gesproken en heeft aangegeven dat voor urinewegkanker mogelijk geleerd kan worden van de behandeling van andere kankersoorten. Uitzaaiingen zijn bij patiënt blijkens het medisch dossier niet gevonden, wel was sprake van een recidief. Ook ‘onrustige cellen in het bekkenbodem’ zijn niet gevonden. Van onjuiste voorlichting of aan het lijntje houden is niet gebleken. Beklaagde heeft niet kunnen voorzien dat er zo snel een agressief recidief zou ontstaan. Dat beklaagde patiënt en klaagster in de waan hebben gelaten dat er hoop was op volledige genezing blijkt niet uit het dossier. Klaagster wilde na het overlijden van patiënt aanvankelijk haar op schrift gestelde beleving aan de artsen voorleggen zonder dat dezen daarop mochten reageren. Na overleg heeft het ziekenhuis aangeboden dat klaagster eerst met beklaagde en een uroloog zou spreken. Klaagster heeft toen aangegeven dat zij dat niet wilde. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:53 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.095
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:53
Klacht tegen internist over de wijze waarop hij klager en diens dochter tijdens een consult over het reanimatiebeleid heeft bejegend. Volgens klager rolde de internist met zijn bureaustoel naar klager toe en schreeuwde hij in het gezicht van klager om zijn mening duidelijk te maken. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, onder meer omdat de internist er tijdens dat consult niet in is geslaagd om een goede communicatie tot stand te brengen, en legt een waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege concludeert dat de wijze van communiceren niet optimaal is geweest. Onvoldoende aannemelijk is echter dat de internist klager daadwerkelijk onheus heeft bejegend dan wel in zijn wijze van communiceren dusdanig is tekortgeschoten dat hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog ongegrond en vernietigt de waarschuwing.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1347
- Pagina: 1348
- Pagina: 1349
- ...
- Pagina: 4760
- Volgende pagina zoekresultaten