ECLI:NL:TGZRZWO:2021:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 053/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2021:32
Datum uitspraak: 05-03-2021
Datum publicatie: 05-03-2021
Zaaknummer(s): 053/2020
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: ·         klacht tegen internist-oncoloog. Patiënt wordt behandeld voor urotheelcelcarcinoom. Onverwacht snel recidief met agressief verloop. Patiënt overlijdt. Klaagster, partner van patiënt, klaagt onder andere erover dat hij ongeïnteresseerd was in patiënt en geen empathie heeft getoond. Patiënt en klaagster zouden onjuist zijn voorgelicht en aan het lijntje zijn gehouden. Beklaagde zou niet met klaagster een nagesprek hebben willen voeren. Het college overweegt dat uit het medisch dossier blijkt dat beklaagde zich goed heeft vergewist van de inhoud van het dossier en van de behandeling die patiënt onderging. Dat patiënt en klaagster mogelijk meer hadden verwacht van beklaagde op het gebied van empathie is op zichzelf genomen nog onvoldoende om aan te nemen dat beklaagde daarmee klachtwaardig heeft gehandeld. Van onjuiste voorlichting of aan het lijntje houden is niet gebleken. Beklaagde heeft niet kunnen voorzien dat er zo snel een agressief recidief zou ontstaan. Dat beklaagde patiënt en klaagster in de waan hebben gelaten dat er hoop was op volledige genezing blijkt niet uit het dossier. Klaagster wilde na het overlijden van patiënt aanvankelijk haar op schrift gestelde beleving aan de artsen voorleggen zonder dat dezen daarop mochten reageren. Na overleg heeft het ziekenhuis aangeboden dat klaagster eerst met een collega-internist-oncoloog en een uroloog zou spreken. In een later stadium kon dan beklaagde aanschuiven. Klaagster heeft toen aangegeven dat zij dat niet wilde. Beklaagde kan niet worden aangerekend dat hij in eerste instantie terughoudend heeft gereageerd. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 5 maart 2021 naar aanleiding van de op 20 april 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

E , internist-oncoloog, (destijds) werkzaam te G,

bijgestaan door H en I, verbonden als gezondheidsrechtjuristen aan het J te G,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het aanvullende klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de repliek met de bijlagen;

- de dupliek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 29 januari 2021, waar partijen zijn verschenen, beklaagde vergezeld van zijn gemachtigden.

Klaagster heeft in verband met de onderliggende feiten een viertal klachten ingediend. De zaken zijn gelijktijdig, niet gevoegd, ter zitting behandeld. De zaaknummers van de klachten zijn 051, 052, 053 en 054/2020. In de zaken is op dezelfde datum uitspraak gedaan.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder delen van het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De klacht betreft de behandeling van K, geboren in 1966 en overleden op 17 september 2018 (hierna: patiënt). De klacht is ingediend door de partner van patiënt. De klachten gaan over de behandeling door de urologen D en F en de internist-oncologen C en beklaagde.

Patiënt werd via zijn huisarts verwezen naar de afdeling Urologie van het J te G in verband met bloed bij de urine (pijnloze macroscopische hematurie). In de voorgeschiedenis is een a-functionele linkernier na pyelumplastiek vermeld.

Op 22 augustus 2017 heeft uroloog L patiënt gezien. De urethrocystoscopie liet een gaaf blaasslijmvlies zien zonder aanwijzingen voor een ruimte innemend proces, beide ureterostia waren orthotoop, met de vraag ‘komt uit linker een fragment necrose/stolsel?’ Uit de urinecytologie volgde: ‘deels sterk atypische cellen met planocellulair aspect, verdacht voor hooggradig urotheelcelcarcinoom met squameuze differentiatie’. Uit het beeldvormend onderzoek werd geconcludeerd:

1. Reeds bekende forse hydronefrose links, nauwelijks meer niercortex aanwezig. Verwijde ureter links. Verdenking urotheelcelcarcinoom distale ureter links. D.d. reactief / littekenweefsel. Met ter hoogte van obturatoriusloge een klier van 9 mm.

2. Normaal aspect van de rechternier en hogere urinewegen rechts.

3. Geen aanwijzingen voor eventueel afstandsmetastasen.

Als conclusie werd getrokken dat er sprake was van: “Macroscopische haematurie met afwijking distale ureter verdacht voor urotheelcarcinoom.”

Het beleid werd uitgezet: “Op lijst voor semirigide URS van ureter links met biopsie

Op 15 september 2017 werd patiënt geopereerd door uroloog D. Er werd een diagnostische ureterorenoscopie van de ureter links verricht alsmede een trans-urethrale-resectie van de blaas. In het operatieverslag is onder meer vermeld:

Inspectie blaas:uit ostium links een flard tumor weefsel resectie van de afwijking tpv:ostium links Einde van de operatie is de resectie; niet radicaal, rest tumor zichtbaar

Inbrengen TUK CH 18 zonder spoel. Geen chemotherapie spoeling post-op”

Op 10 oktober 2017 heeft uroloog D patiënt gezien om de pathologie-uitslagen te bespreken. In het verslag is opgetekend:

Aanvullend onderzoek

Pathologie uitslagen :

15-9-2017: CONCLUSIE TURT ureter ostium links: erg verknepen urotheliale laesie die wij niet goed kunnen stagieren of graderen. In andere stukjes urotheel met onderliggend stroma zonder afwijkingen.GX pTX

tumor werkgroep (MDO [Multi Disciplinair Overleg, RTG] )

Advies/Beleid :

- Op basis van beeldvorming nefro uretertectomie bij afunctionele nier.

Anamnese:

Uitslag verteld. Dus geen bewezen uretertumor maar wel restafwijking in de ureter bij een niet functtionerende nier. Advies is dus nefro-ureterectomie.

laparoscopische nefro-urerectomie. Patiënt is geïnformeerd over de aandoening, ingreep (laparoscopische en een onderbuiksincisie) en beoogd effect, complicaties (per/post operatieve bloeding, infectie, urine lekkage en lange termijn nierfunctie stoornissen, en in zijn geval mogelijke conversie bij een groot litteken na pyelumplastiek), alternatieven (niets doen) Behandeling zal onder supervisie van, of uitgevoerd worden door team oncologische/minimaal invasieve urologie. Patiënt heeft daarnaast informatie gekregen in de vorm van folders/digitale informatie. Patiënt heeft bovenstaande begrepen en gaat akkoord met ingreep.

Conclusie:

Afwijking linker ureter/ostium.”

De nefro-ureterectomie links (met blaascuff) is in samenwerking met uroloog D verricht op 1 december 2017. Er werd op 6 december 2017 een cystogram verricht (er was geen sprake van lekkage). Op die dag werd patiënt, na een eenmalige chemotherapie blaasspoeling, ontslagen uit het ziekenhuis.

Op 1 december 2017 is materiaal ingestuurd voor pathologisch onderzoek. Op

13 december 2017 is een verslag opgemaakt inhoudende, voor zover thans relevant voor de klacht:

Aard materiaal nier

Verkrijgingswijze resectie

Klinische gegevens verdenking op uretertumor links bij een afunctionele nier, status na pyelumplastiek, waarvoor nefrouterectomie links

Vraagstelling uretertumor?T?G?R?

Inzending I hilaire klier links

Inzending II verdenking lymeklier thv iliacale vaatkruising links

Inzending III ostium

Inzending IV nier li

IV Nefro-uretectomie links, urotheelcelcarinoom met squameuze metaplasie, differentiatiegraad (WHO 2004). hooggradig

Lokalisatie tumor. distale ureter; max 4,0 cm;

invasiediepte doorgroei door de muscularis in het vet of bindweefsel rond de ureter

Snijvlaken hilusvaten vrij, circumferentieel snijvlak van de ureter niet vrij

Regionale lymfeklieren. 3 waarvan met metastasen. 0

TNM classificatie (7e editie). pT3NO.

I. hilaire klier links. geen maligniteit

II. lymfeklier thv iliacale vaatkruising links. geen maligniteit

III ostium gefragmenteerd materiaal met focaal losliggend epitheel met plaveiselceldifferentiatie, mogelijk tumor, zonder weefselverband

Aanvulling d d. 13-12-2017 nav MDO het distale ureterresectievlak is vrij ( zie bespreking in microscopie)

Op 13 december 2017 heeft uroloog D patiënt gezien om de uitslag van het pathologisch onderzoek te bespreken. Er bleek sprake van een urotheelcelcarcinoom met squameuze metaplasie, differentiatiegraad (WHO 2004): hooggradig. Er was sprake van doorgroei door de muscularis in het vet of bindweefsel rond de ureter.

In eerste instantie is beoordeeld dat het circumferentiele snijvlak van de ureter “niet-vrij” was. Na bespreking in de tumorwerkgroep werd ook dit snijvlak als vrij beoordeeld. Er waren geen metastasen in de drie lymfeklieren die waren verwijderd. De TNM-classificatie was: “pT3N0”.  Er werd een controleafspraak afgesproken na drie maanden met een voorafgaande urethrocystoscopie.

Op 27 december 2017 is patiënt op de spoedpolikliniek op verzoek van de huisarts gezien door een uroloog in opleiding. Uroloog D was afwezig in verband met vakantie. Onder de waarschijnlijkheidsdiagnose epididymitis werd er empirisch gestart met Ciproxin voor veertien dagen. Er werd een telefonisch consult afgesproken voor 29 december 2017.

Op 29 december 2017 vond het telefonisch consult met een uroloog in opleiding plaats. De klachten waren verminderd. De antibioticakuur zou worden afgemaakt tot 10 januari 2018, de controleafspraak die was gemaakt voor drie maanden na de ingreep zou blijven staan en patiënt werd geadviseerd eerder te bellen bij klachten.

Op 7 maart 2018 werd uroloog D gebeld door de huisarts van patiënt dat het niet goed ging. De huisarts meldde dat de patiënt sinds de operatie klachten hield van malaise. Daarnaast meldde de huisarts dat de antibiotica niet werkten en dat patiënt klachten van de blaas (dysurie++) had. Een verpleegkundig specialist nam contact op met patiënt en een afspraak werd gemaakt voor 14 maart 2018 voor het verrichten van een inloop CT-scan en cito laboratoriumonderzoek, naast de afspraak van de cystoscopie die al gepland stond voor die dag.

Op 14 maart 2018 zag uroloog D patiënt. Op de CT-scan was een groot recidief zichtbaar op de uretero-vesicale overgang links met een afmeting van 44 x 43 mm en met het beeld van ingroei in de urineblaas. De ingroei was ook bij de cystoscopie zichtbaar. Patiënt werd daarop doorverwezen naar de afdeling Medische Oncologie voor overname van de behandeling.

Op 21 maart 2018 werd patiënt voor het eerst gezien op de afdeling Medische Oncologie door internist-oncoloog C. Met patiënt en klaagster werd uitgebreid gesproken over verschillende opties in dit stadium. De standaard eerstelijnsbehandeling is gemcitabine en cisplatine. Ook is gesproken over de mogelijkheid van deelname aan een trial, te weten de Keynote-361 studie. Ook werd met patiënt gesproken over de CPCT-02 studie. Na het gesprek heeft patiënt aangegeven mee te willen doen met de Keynote-361 studie en gaf toestemming voor deelname aan de CPCT-02 studie. In het kader van de CPCT-02 studie heeft patiënt op 5 april 2018 een CT-geleide punctie voor het verkrijgen van weefselbiopten ondergaan.

Op 9 april 2018 werd patiënt akkoord bevonden voor deelname aan de Keynote-361 studie. Patiënt werd, na loting, in de studiearm monotherapie chemotherapie (gemcitabine en cisplatine) ingedeeld. Op 10 april 2018 startte patiënt met zijn chemokuren op de afdeling Medische Oncologie.

Op 17 april 2018 werd patiënt gezien door beklaagde. Het liggen ’s nachts ging moeilijk en patiënt klaagde over pijnlijk plassen ’s nachts. Beklaagde schakelde het palliatief team in voor de pijnklachten en begeleiding. Hiervan maakte beklaagde de navolgende aantekening:

Beleid; akkoord gemcitabine

2. consult palliatief team (partner werkt in de zorg en associeerde palliatief team met einde van het leven -->uitgelegd waarom ik hun inschakel)”

Op 30 mei 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden om de onvrede van patiënt en klaagster over de afdeling Urologie en uroloog D te bespreken. Daarbij waren uroloog

D en internist-oncoloog C aanwezig. Het voortgangsverslag geeft het gesprek als volgt weer:

Gesprek met patiënt, echtgenote en C in verband met onvrede met behandelbeloop.

Patiënt en met name echtgenote zijn boos op mij. Zijn erg verdrietig over het beloop en kunnen het niet accepteren.

Met name omdat ik ze heb gefeliciteerd met de uitslag waarbij er vrije snijranden waren en dat dan de kanker zo snel weer terug komt kunnen ze niet verkroppen en begrijpen.

Uitgelegd dat dit een uitzonderlijk beloop is als de kanker zo snel terug komt. Dat er wel vaker wat blaasklachten zijn na een OK en dat dit bijna nooit samen hangt met recidief tumor op zo’n korte termijn.

Geven ook aan dat ik niet snel zou hebben gereageerd na contact met de huisarts.

Laten zien dat ik 7-3 contact heb gehad en toen alles in combinatie met een CT voor de week erna heb geregeld een week later.

Echtgenote is ook boos omdat ik ze bij de afdeling medische oncologie ben tegen gekomen en ze toen succes heb gewenst. Hadden graag gehad dat ik toen was langs gekomen.

Aan het einde van het gesprek blijft nog steeds een groot verdriet, machteloosheid en nog steeds boosheid bij met name de echtgenote. Patiënte is blij met het uitspreken van alles.

Aangegeven dat ze altijd nog een keer een gesprek kunnen hebben met of zonder C.”

Beklaagde zag patiënt op 30 mei 2018. Patiënt had veel klachten van de chemokuur en de dosering werd verlaagd naar 75% in verband met toxiciteit.

Op 6 juni 2018 werd een controle CT-scan gemaakt. De omvang van de tumor had een maximale doorsnede van 54 mm, met de indruk van ingroei in de urineblaas. Beklaagde besprak de uitslag op 13 juni 2018 met patiënt.

Op 4 juli 2018 werd patiënt gezien door internist-oncoloog C om de uitslag van de CT-scan te bespreken. Internist-oncoloog C stelde voor om patiënt aan te melden voor bespreking in de tumorwerkgroep. Er werd ter stadiëring na vijf kuren een CT-scan afgesproken.

Op 19 juli 2018 volgde een CT-scan nadat patiënt vijf chemokuren had gehad. Dit onderzoek liet een evidente toename van de tumormassa zien met ingroei in de urineblaas.

Op 24 juli 2018 werd patiënt besproken in de tumorwerkgroep, waarbij onder andere beklaagde en medebeklaagden aanwezig waren. Besloten werd om, gelet op de CT-scan van 19 juli 2018, van de zesde chemokuur af te zien. Besloten werd tot lokale behandeling in de vorm van een (palliatieve) cystectomie door uroloog F. In verband met de vakantie van uroloog F (van 27 juli tot en met 19 augustus 2018) werd patiënt ingepland voor de operatie op 30 augustus 2018.

Op 25 juli 2018 werd patiënt door internist-oncoloog C bij een controleafspraak geïnformeerd over het advies van de tumorwerkgroep. Na de vakantie van uroloog F zou patiënt opgeroepen worden voor een consult om de details van de operatie te bespreken.

Op 25 augustus 2018 werd patiënt, via zijn huisarts, op de afdeling urologie opgenomen in verband met een verslechterende algehele conditie.

Op 27 augustus 2018 werd een nieuwe CT-scan gemaakt. Er was sprake van evidente toename van de tumor met nu een maximale doorsnede van 95 mm. Er waren geen aanwijzingen voor metastasen. Patiënt werd opnieuw besproken in de tumorwerkgroep om behandelbeleid te bepalen.

Op 28 en 29 augustus 2018 heeft uroloog F patiënt gesproken over het behandeladvies van de tumorwerkgroep. Het advies was eerst bestralen en daarna de operatie te verrichten. Het doel was om hopelijk eerst door een behandeling met radiotherapie een zodanige reductie in tumormassa te bereiken dat een palliatieve operatie meerwaarde zou hebben. De operatie van 30 augustus 2018 werd derhalve, ten behoeve van de bestraling, geannuleerd en voor acht weken later ingepland.

Op 3 september 2018 werden na de intake van patiënt bij de afdeling radiotherapie dertien bestralingen gepland.

Op 4 september 2018 werd patiënt, op verzoek van uroloog F, besproken in de tumorwerkgroep, waarbij onder andere D aanwezig was, voor een herbespreking van de beste strategie, gelet op de verdere klinische achteruitgang van patiënt. Besloten werd om dexamethason en bloedproducten toe te dienen en om te starten met radiotherapie.

De eerste bestraling vond plaats op 5 september 2018. In verband met verdere verslechtering (ernstige hypercalciëmie met daarbij nierinsufficiëntie en zeer matige intake) werd patiënt op 7 september 2018 overgeplaatst naar de afdeling Medische Oncologie.

Patiënt sprak aldaar bij opname met twee arts-assistenten van de afdeling Medische Oncologie. Vervolgens volgde een gesprek met patiënt, klaagster en de chef de Clinique. Gesproken werd over de infauste prognose en dat het de verwachting was van de oncoloog dat patiënt op korte termijn zou komen te overlijden. Het palliatief team werd in consult gevraagd. Patiënt heeft de geplande radiotherapeutische behandeling die dag nog ondergaan.

Op 8 september 2018 vond een consult plaats met het palliatief team. Besloten werd de radiotherapie stop te zetten. De algehele conditie van patiënt liet geen verdere interventies toe. In verband met de wens van patiënt om naar huis te gaan werd patiënt op 12 september 2018 naar huis ontslagen met de noodzakelijke thuiszorg.

Op 17 september 2018 is patiënt overleden.

Eind maart 2019 heeft klaagster een klacht ingediend bij de afdeling klachtenbemiddeling. Deze klacht heeft uiteindelijk niet tot een behandeling geleid omdat de beklaagden zich niet konden vinden in de door klaagster gestelde randvoorwaarden voor een gesprek.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven -:

1.    dat hij ongeïnteresseerd was in de patiënt. Beklaagde keek alleen op zijn computerscherm. Hij keek de patiënt niet aan, deed zijn zegje en de patiënt stond binnen een paar minuten weer buiten. Beklaagde heeft geen enkele vorm van empathie getoond;

2.    dat beklaagde heeft geconstateerd dat er onrustige cellen in de bekkenbodem aanwezig waren, maar heeft daar nooit meer wat over gezegd. Beklaagde heeft gezegd dat als de cellen uitgeplast werden dit een goed teken was, want dan deed de chemo zijn werk. Patiënt plaste veel weefsel uit en dat was dus positief. Later bleek uit de scans dat de onrustige cellen waren toegenomen. Beklaagde heeft daar niet meer over gesproken;

3.    dat hij niet in gesprek wilde met klaagster en de vier betrokken artsen. De reden was dat het contact met klaagster als onprettig en zelfs bedreigend werd ervaren;

4.    een respectloze behandeling van patiënt en klaagster, misbruik van macht en achterhouden van informatie. Artsen hebben patiënt en partner telkens in de waan gelaten dat er volop hoop was, terwijl dat niet het geval was.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij betrokken is geweest bij de behandeling van patiënt in de periode april tot en met juni 2018, toen patiënt chemotherapie kreeg. Hij heeft patiënt en klaagster gezien bij drie polibezoeken: op

17 april 2018, 30 mei 2018 en op 13 juni 2018. Beklaagde was verder betrokken door zijn aanwezigheid bij de tumorwerkgroep op 24 juli 2018 en was betrokken bij de uitvoering van de Keynote-361 studie. Beklaagde is niet betrokken geweest bij de behandeling in september 2018.

Klachtonderdeel 1

Op 13 juni 2018 werd de CT-scan van 6 juni 2018 besproken. Beklaagde heeft bij dit consult, in verband met geuit ongenoegen, het dossier van patiënt geraadpleegd door het verloop op de afdeling Urologie na te lezen op bijzonderheden en eventueel verdere misverstanden te voorkomen.

Beklaagde benadrukt dat dit niet ten koste is gegaan van zijn aandacht voor patiënt tijdens de polibezoeken. De medische klachten zijn met patiënt besproken en hierop is gerichte actie genomen door een spoedconsult van de palliatieve zorg te regelen. Ook daarvoor is enig handelen op de computer vereist. Er is in zijn beleving geen gebrek aan aandacht of empathie geweest.

Klachtonderdeel 2

Beklaagde herinnert zich dat hij in april 2018 heeft uitgelegd dat een recidief tumor optreedt doordat er helaas na de operatie niet zichtbare tumorcellen moeten zijn achtergebleven. Tijdens het consult op 17 april 2018 kwam het uitplassen van stukjes weefsel aan de orde. Beklaagde heeft besproken dat dat kon duiden op uitplassen van dood tumorweefsel, voor beklaagde een teken dat de chemo effect had. Helaas is de tumor in de weken erna toch in omvang toegenomen.

Klachtonderdeel 3

Wat betreft het door klaagster gewenste gesprek na het overlijden van patiënt, reageert beklaagde als volgt. Beklaagde heeft niet mee willen werken aan een bijeenkomst waar alleen klaagster het woord mocht voeren. Toen bleek dat klaagster de artsen ook wilde laten reageren heeft beklaagde aangegeven open te staan voor een gesprek. In onderling overleg is afgesproken dat internist-oncoloog C en uroloog D dit gesprek eerst aan zouden gaan, waarna beklaagde bij een eventueel vervolggesprek aan zou kunnen sluiten. Klaagster heeft dit gesprek niet door laten gaan toen niet alle vier artsen bij het eerste gesprek aanwezig zouden zijn.

Klachtonderdeel 4

Beklaagde heeft geen informatie achtergehouden. Hij heeft naar zijn mening telkens respectvol en eerlijk gecommuniceerd met patiënt en klaagster. Beklaagde heeft patiënt en klaagster geïnformeerd over de palliatieve aard van de behandeling en hen niet in de waan gelaten dat er volop hoop was. Beklaagde is ook oog blijven houden voor eventueel andere mogelijkheden. Daarvoor is tijdens het polibezoek van 13 juli 2018 contact gezocht met uroloog F om de mogelijkheden van een operatie te verkennen. Dat heeft geleid tot de afspraak dat deze mogelijkheid na afloop van de vijfde chemokuur opnieuw in de tumorwerkgroep zou worden besproken. Op een MDO op 24 juli 2018 is een palliatieve resectie gevolgd door radiotherapie voorgesteld. Eind augustus was deze cystectomie gepland, maar helaas trad er in die maand alweer progressie van tumorgroei op. Toen is nog geopperd om eerst radiotherapie te geven en daarna te opereren, maar dit bleek om medisch-technische redenen niet haalbaar. Beklaagde meent dat het spreken over alternatieve (palliatieve) behandelingen niet impliceert dat patiënt en klaagster ten onrechte in de waan zijn gelaten dat er nog genezing mogelijk was.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Daarbij wijst het college erop dat het college bij de beoordeling uitgaat van de feiten die op het moment van het te beoordelen handelen aan beklaagde bekend waren of die beklaagde bekend hadden kunnen zijn.

5.2

Klachtonderdeel 1

Het college acht niet aannemelijk geworden dat beklaagde in zijn bejegening van patiënt en klaagster de tuchtrechtelijke grens heeft overschreden. Uit het medisch dossier blijkt dat hij zich goed heeft vergewist van de inhoud van het dossier en van de behandeling die patiënt onderging. Na het vernemen van de onvrede bij patiënt en klaagster heeft hij zich nog eens extra verdiept in het dossier en de behandeling. Dat patiënt en klaagster mogelijk meer hadden verwacht van beklaagde op het gebied van empathie is op zichzelf genomen nog onvoldoende om aan te nemen dat beklaagde daarmee klachtwaardig heeft gehandeld. Datzelfde geldt voor het verwijt dat beklaagde veel op zijn computerscherm keek. Waar dossiers digitaal zijn, is het raadplegen van het scherm moeilijk vermijdbaar. Klachtwaardig is dit echter in het geheel bezien niet, ook al zou beklaagde het scherm meer dan gemiddeld hebben geraadpleegd, nu niet is gebleken dat dit ten koste is gegaan van de aandacht voor patiënt, zijn situatie en voor klaagster.

Klachtonderdeel 2

Klaagster heeft beklaagde verweten dat hij nooit heeft gesproken over onrustige cellen in de bekkenbodem. Het college acht de uitleg van beklaagde aannemelijk dat hij in april 2018 heeft uitgelegd dat een recidief tumor optreedt doordat er soms bij de operatie niet zichtbare tumorcellen kunnen achterblijven. Tevens is aannemelijk dat hij tijdens het consult op 17 april 2018 heeft gesproken over het uitplassen van stukjes weefsel. Deze uitleg komt het college als correct voor. Er bestaat geen aanwijzing dat beklaagde op enig moment heeft gesproken over onrustige cellen in de bekkenbodem, op enig moment informatie voor patiënt en klaagster verhuld zou hebben dan wel niet eerlijk zou zijn geweest over het ongunstige verloop van de situatie van patiënt. Op 17 april 2018 heeft beklaagde in het dossier aangetekend dat hij patiënt en klaagster heeft uitgelegd dat en waarom hij het palliatief team inschakelde. De klacht is in zoverre ongegrond.

Klachtonderdeel 3

Wat betreft het door klaagster gewenste gesprek na het overlijden van patiënt, overweegt het college als volgt. Beklaagde heeft niet mee willen werken aan een bijeenkomst waar alleen klaagster het woord mocht voeren. Toen bleek dat klaagster de artsen ook wilde laten reageren heeft beklaagde aangegeven open te staan voor een gesprek. In onderling overleg is afgesproken dat internist-oncoloog C en uroloog D dit gesprek eerst aan zouden gaan, waarna beklaagde bij een eventueel vervolggesprek aan zou kunnen sluiten. Klaagster heeft dit gesprek niet door laten gaan toen niet alle vier artsen bij het eerste gesprek aanwezig zouden zijn. Gelet op het hiervoor geschetste kan het beklaagde niet worden aangerekend dat hij in eerste instantie terughoudend heeft gereageerd. Naar het oordeel van het college kon klaagster niet eenzijdig de gesprekscondities bepalen. Overigens blijkt uit het dossier dat beklaagde in zijn algemeenheid wel openstond voor een gesprek met patiënt en klaagster.

Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 4

Beklaagde heeft geen informatie achtergehouden. Hij heeft naar zijn mening telkens respectvol en eerlijk gecommuniceerd met patiënt en klaagster. Beklaagde heeft patiënt en klaagster geïnformeerd over de palliatieve aard van de behandeling en hen niet in de waan gelaten dat er volop hoop was. Beklaagde is ook oog blijven houden voor eventueel andere mogelijkheden. Daarvoor is tijdens het polibezoek van 13 juli 2018 contact gezocht met uroloog F om de mogelijkheden van een operatie te verkennen. Dat heeft geleid tot de afspraak dat deze mogelijkheid na afloop van de vijfde chemokuur opnieuw in de tumorwerkgroep zou worden besproken. Op 24 juli 2018 is een palliatieve resectie gevolgd door radiotherapie voorgesteld. Eind augustus was de cystectomie gepland en helaas trad er in die maand alweer progressie van tumorgroei op. Toen is nog geopperd om eerst radiotherapie te geven en daarna te opereren, maar die poging lukte niet. Beklaagde meent dat dit oog hebben voor andere mogelijkheden niet kan worden gekwalificeerd als ten onrechte patiënt en klaagster in een waan te houden.

Uit het voorgaande blijkt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J. Sap, lid-jurist, W.F.R.M. Koch,

J.J.C.M. Rooijmans-Rietjens en D. de Jong, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.                                                                                                   

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.