ECLI:NL:TGZRZWO:2021:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 054/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2021:33
Datum uitspraak: 05-03-2021
Datum publicatie: 05-03-2021
Zaaknummer(s): 054/2020
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: ·         klacht tegen uroloog. Patiënt wordt behandeld voor urotheelcelcarcinoom. Onverwacht snel recidief met agressief verloop. Patiënt overlijdt. Klaagster, partner van patiënt, klaagt onder andere erover dat zij en patiënt onjuist zijn voorgelicht, aan het lijntje werden gehouden en dat beklaagde niet met haar een nagesprek wenste te voeren. Het college overweegt dat b eklaagde gelet op de zeldzaam agressieve ontwikkeling van de kanker niet heeft kunnen voorzien dat patiënt op het moment van de eerste bestraling zo snel achteruitging dat bestraling niet meer reëel was. Niet gebleken is dat beklaagde informatie achter heeft gehouden.  Dat beklaagde patiënt en klaagster in de waan heeft gelaten dat er hoop was op volledige genezing blijkt niet uit het dossier. Klaagster wilde na het overlijden van patiënt aanvankelijk haar op schrift gestelde beleving aan de artsen voorleggen zonder dat dezen daarop mochten reageren. Na overleg heeft het ziekenhuis aangeboden dat klaagster eerst met een collega-uroloog en een internist-oncoloog zou spreken. In een later stadium kon dan beklaagde aanschuiven. Klaagster heeft toen aangegeven dat zij dat niet wilde. Beklaagde kan niet worden aangerekend dat hij in eerste instantie terughoudend heeft gereageerd. Klacht ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 5 maart 2021 naar aanleiding van de op 20 april 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , wonende te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

F , uroloog, (destijds) werkzaam te G,

bijgestaan door H en I, verbonden als gezondheidsrechtjuristen aan het J te G,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met de bijlagen;

- het aanvullende klaagschrift;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de repliek met de bijlagen;

- de dupliek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 29 januari 2021, waar partijen zijn verschenen, beklaagde vergezeld van zijn gemachtigden.

Klaagster heeft in verband met de onderliggende feiten een viertal klachten ingediend. De zaken zijn gelijktijdig, niet gevoegd, ter zitting behandeld. De zaaknummers van de klachten zijn 051, 052, 053 en 054/2020. In de zaken is op dezelfde datum uitspraak gedaan.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder delen van het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

De klacht betreft de behandeling van K, geboren in 1966 en overleden op 17 september 2018 (hierna: patiënt). De klacht is ingediend door de partner van patiënt. De klachten gaan over de behandeling door de urologen D en beklaagde en de internist-oncologen C en E.

Patiënt werd via zijn huisarts verwezen naar de afdeling Urologie van het J te G in verband met bloed bij de urine (pijnloze macroscopische hematurie). In de voorgeschiedenis is een a-functionele linkernier na pyelumplastiek vermeld.

Op 22 augustus 2017 heeft uroloog L patiënt gezien. De urethrocystoscopie liet een gaaf blaasslijmvlies zien zonder aanwijzingen voor een ruimte innemend proces, beide ureterostia waren orthotoop, met de vraag ‘komt uit linker een fragment necrose/stolsel?’ Uit de urinecytologie volgde: ‘deels sterk atypische cellen met planocellulair aspect, verdacht voor hooggradig urotheelcelcarcinoom met squameuze differentiatie’. Uit het beeldvormend onderzoek werd geconcludeerd:

1. Reeds bekende forse hydronefrose links, nauwelijks meer niercortex aanwezig. Verwijde ureter links. Verdenking urotheelcelcarcinoom distale ureter links. D.d. reactief / littekenweefsel. Met ter hoogte van obturatoriusloge een klier van 9 mm.

2. Normaal aspect van de rechternier en hogere urinewegen rechts.

3. Geen aanwijzingen voor eventueel afstandsmetastasen.

Als conclusie werd getrokken dat er sprake was van: “Macroscopische haematurie met afwijking distale ureter verdacht voor urotheelcarcinoom.”

Het beleid werd uitgezet: “Op lijst voor semirigide URS van ureter links met biopsie

Op 15 september 2017 werd patiënt geopereerd door uroloog D. Er werd een diagnostische ureterorenoscopie van de ureter links verricht alsmede een trans-urethrale-resectie van de blaas. In het operatieverslag is onder meer vermeld:

Inspectie blaas:uit ostium links een flard tumor weefsel resectie van de afwijking tpv:ostium links Einde van de operatie is de resectie; niet radicaal, rest tumor zichtbaar

Inbrengen TUK CH 18 zonder spoel. Geen chemotherapie spoeling post-op”

Op 10 oktober 2017 heeft uroloog D patiënt gezien om de pathologie-uitslagen te bespreken. In het verslag is opgetekend:

Aanvullend onderzoek

Pathologie uitslagen :

15-9-2017: CONCLUSIE TURT ureter ostium links: erg verknepen urotheliale laesie die wij niet goed kunnen stagieren of graderen. In andere stukjes urotheel met onderliggend stroma zonder afwijkingen.GX pTX

tumor werkgroep (MDO [Multi Disciplinair Overleg, RTG] )

Advies/Beleid :

- Op basis van beeldvorming nefro uretertectomie bij afunctionele nier.

Anamnese:

Uitslag verteld. Dus geen bewezen uretertumor maar wel restafwijking in de ureter bij een niet functtionerende nier. Advies is dus nefro-ureterectomie.

laparoscopische nefro-urerectomie. Patiënt is geïnformeerd over de aandoening, ingreep (laparoscopische en een onderbuiksincisie) en beoogd effect, complicaties (per/post operatieve bloeding, infectie, urine lekkage en lange termijn nierfunctie stoornissen, en in zijn geval mogelijke conversie bij een groot litteken na pyelumplastiek), alternatieven (niets doen) Behandeling zal onder supervisie van, of uitgevoerd worden door team oncologische/minimaal invasieve urologie. Patiënt heeft daarnaast informatie gekregen in de vorm van folders/digitale informatie. Patiënt heeft bovenstaande begrepen en gaat akkoord met ingreep.

Conclusie:

Afwijking linker ureter/ostium.”

De nefro-ureterectomie links (met blaascuff) is in samenwerking met uroloog D verricht op 1 december 2017. Er werd op 6 december 2017 een cystogram verricht (er was geen sprake van lekkage). Op die dag werd patiënt, na een eenmalige chemotherapie blaasspoeling, ontslagen uit het ziekenhuis.

Op 1 december 2017 is materiaal ingestuurd voor pathologisch onderzoek. Op

13 december 2017 is een verslag opgemaakt inhoudende, voor zover thans relevant voor de klacht:

Aard materiaal nier

Verkrijgingswijze resectie

Klinische gegevens verdenking op uretertumor links bij een afunctionele nier, status na pyelumplastiek, waarvoor nefrouterectomie links

Vraagstelling uretertumor?T?G?R?

Inzending I hilaire klier links

Inzending II verdenking lymeklier thv iliacale vaatkruising links

Inzending III ostium

Inzending IV nier li

IV Nefro-uretectomie links, urotheelcelcarinoom met squameuze metaplasie, differentiatiegraad (WHO 2004). hooggradig

Lokalisatie tumor. distale ureter; max 4,0 cm;

invasiediepte doorgroei door de muscularis in het vet of bindweefsel rond de ureter

Snijvlaken hilusvaten vrij, circumferentieel snijvlak van de ureter niet vrij

Regionale lymfeklieren. 3 waarvan met metastasen. 0

TNM classificatie (7e editie). pT3NO.

I. hilaire klier links. geen maligniteit

II. lymfeklier thv iliacale vaatkruising links. geen maligniteit

III ostium gefragmenteerd materiaal met focaal losliggend epitheel met plaveiselceldifferentiatie, mogelijk tumor, zonder weefselverband

Aanvulling d d. 13-12-2017 nav MDO het distale ureterresectievlak is vrij ( zie bespreking in microscopie)

Op 13 december 2017 heeft uroloog D patiënt gezien om de uitslag van het pathologisch onderzoek te bespreken. Er bleek sprake van een urotheelcelcarcinoom met squameuze metaplasie, differentiatiegraad (WHO 2004): hooggradig. Er was sprake van doorgroei door de muscularis in het vet of bindweefsel rond de ureter.

In eerste instantie is beoordeeld dat het circumferentiele snijvlak van de ureter “niet-vrij” was. Na bespreking in de tumorwerkgroep werd ook dit snijvlak als vrij beoordeeld. Er waren geen metastasen in de drie lymfeklieren die waren verwijderd. De TNM-classificatie was: “pT3N0”.  Er werd een controleafspraak afgesproken na drie maanden met een voorafgaande urethrocystoscopie.

Op 27 december 2017 is patiënt op de spoedpolikliniek op verzoek van de huisarts gezien door een uroloog in opleiding. Uroloog D was afwezig in verband met vakantie. Onder de waarschijnlijkheidsdiagnose epididymitis werd er empirisch gestart met Ciproxin voor veertien dagen. Er werd een telefonisch consult afgesproken voor 29 december 2017.

Op 29 december 2017 vond het telefonisch consult met een uroloog in opleiding plaats. De klachten waren verminderd. De antibioticakuur zou worden afgemaakt tot 10 januari 2018, de controleafspraak die was gemaakt voor drie maanden na de ingreep zou blijven staan en patiënt werd geadviseerd eerder te bellen bij klachten.

Op 7 maart 2018 werd uroloog D gebeld door de huisarts van patiënt dat het niet goed ging. De huisarts meldde dat de patiënt sinds de operatie klachten hield van malaise. Daarnaast meldde de huisarts dat de antibiotica niet werkten en dat patiënt klachten van de blaas (dysurie++) had. Een verpleegkundig specialist nam contact op met patiënt en een afspraak werd gemaakt voor 14 maart 2018 voor het verrichten van een inloop CT-scan en cito laboratoriumonderzoek, naast de afspraak van de cystoscopie die al gepland stond voor die dag.

Op 14 maart 2018 zag uroloog D patiënt. Op de CT-scan was een groot recidief zichtbaar op de uretero-vesicale overgang links met een afmeting van 44 x 43 mm en met het beeld van ingroei in de urineblaas. De ingroei was ook bij de cystoscopie zichtbaar. Patiënt werd daarop doorverwezen naar de afdeling Medische Oncologie voor overname van de behandeling.

Op 21 maart 2018 werd patiënt voor het eerst gezien op de afdeling Medische Oncologie door internist-oncoloog C. Met patiënt en klaagster werd uitgebreid gesproken over verschillende opties in dit stadium. De standaard eerstelijnsbehandeling is gemcitabine en cisplatine. Ook is gesproken over de mogelijkheid van deelname aan een trial, te weten de Keynote-361 studie. Ook werd met patiënt gesproken over de CPCT-02 studie. Na het gesprek heeft patiënt aangegeven mee te willen doen met de Keynote-361 studie en gaf toestemming voor deelname aan de CPCT-02 studie. In het kader van de CPCT-02 studie heeft patiënt op 5 april 2018 een CT-geleide punctie voor het verkrijgen van weefselbiopten ondergaan.

Op 9 april 2018 werd patiënt akkoord bevonden voor deelname aan de Keynote-361 studie. Patiënt werd, na loting, in de studiearm monotherapie chemotherapie (gemcitabine en cisplatine) ingedeeld. Op 10 april 2018 startte patiënt met zijn chemokuren op de afdeling Medische Oncologie.

Op 17 april 2018 werd patiënt gezien door internist-oncoloog E. Het liggen ’s nachts ging moeilijk en patiënt klaagde over pijnlijk plassen ’s nachts. Internist-oncoloog E schakelde het palliatief team in voor de pijnklachten en begeleiding. Hiervan maakte E navolgende aantekening:

Beleid; akkoord gemcitabine

2. consult palliatief team (partner werkt in de zorg en associeerde palliatief team met einde van het leven -->uitgelegd waarom ik hun inschakel)”

Op 30 mei 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden om de onvrede van patiënt en klaagster over de afdeling Urologie en uroloog D te bespreken. Daarbij waren uroloog D en internist-oncoloog C aanwezig. Het voortgangsverslag geeft het gesprek als volgt weer:

Gesprek met patiënt, echtgenote en C in verband met onvrede met behandelbeloop.

Patiënt en met name echtgenote zijn boos op mij. Zijn erg verdrietig over het beloop en kunnen het niet accepteren.

Met name omdat ik ze heb gefeliciteerd met de uitslag waarbij er vrije snijranden waren en dat dan de kanker zo snel weer terug komt kunnen ze niet verkroppen en begrijpen.

Uitgelegd dat dit een uitzonderlijk beloop is als de kanker zo snel terug komt. Dat er wel vaker wat blaasklachten zijn na een OK en dat dit bijna nooit samen hangt met recidief tumor op zo’n korte termijn.

Geven ook aan dat ik niet snel zou hebben gereageerd na contact met de huisarts.

Laten zien dat ik 7-3 contact heb gehad en toen alles in combinatie met een CT voor de week erna heb geregeld een week later.

Echtgenote is ook boos omdat ik ze bij de afdeling medische oncologie ben tegen gekomen en ze toen succes heb gewenst. Hadden graag gehad dat ik toen was langs gekomen.

Aan het einde van het gesprek blijft nog steeds een groot verdriet, machteloosheid en nog steeds boosheid bij met name de echtgenote. Patiënte is blij met het uitspreken van alles.

Aangegeven dat ze altijd nog een keer een gesprek kunnen hebben met of zonder C.”

Internist-oncoloog E zag patiënt op 30 mei 2018. Patiënt had veel klachten van de chemokuur en de dosering werd verlaagd naar 75% in verband met toxiciteit.

Op 6 juni 2018 werd een controle CT-scan gemaakt. De omvang van de tumor had een maximale doorsnede van 54 mm, met de indruk van ingroei in de urineblaas. Internist-oncoloog E besprak de uitslag op 13 juni 2018 met patiënt.

Op 4 juli 2018 werd patiënt gezien door internist-oncoloog C om de uitslag van de CT-scan te bespreken. Internist-oncoloog C stelde voor om patiënt aan te melden voor bespreking in de tumorwerkgroep. Er werd ter stadiëring na vijf kuren een CT-scan afgesproken.

Op 19 juli 2018 volgde een CT-scan nadat patiënt vijf chemokuren had gehad. Dit onderzoek liet een evidente toename van de tumormassa zien met ingroei in de urineblaas.

Op 24 juli 2018 werd patiënt besproken in de tumorwerkgroep, waarbij onder andere beklaagde en medebeklaagden aanwezig waren. Besloten werd om, gelet op de CT-scan van 19 juli 2018, van de zesde chemokuur af te zien. Besloten werd tot lokale behandeling in de vorm van een (palliatieve) cystectomie door beklaagde. In verband met de vakantie van beklaagde (van 27 juli tot en met 19 augustus 2018) werd patiënt ingepland voor de operatie op 30 augustus 2018.

Op 25 juli 2018 werd patiënt door internist-oncoloog C bij een controleafspraak geïnformeerd over het advies van de tumorwerkgroep. Na de vakantie van beklaagde zou patiënt opgeroepen worden voor een consult om de details van de operatie te bespreken.

Op 25 augustus 2018 werd patiënt, via zijn huisarts, op de afdeling urologie opgenomen in verband met een verslechterende algehele conditie.

Op 27 augustus 2018 werd een nieuwe CT-scan gemaakt. Er was sprake van evidente toename van de tumor met nu een maximale doorsnede van 95 mm. Er waren geen aanwijzingen voor metastasen. Patiënt werd opnieuw besproken in de tumorwerkgroep om behandelbeleid te bepalen.

Op 28 en 29 augustus 2018 heeft beklaagde patiënt gesproken over het behandeladvies van de tumorwerkgroep. Het advies was eerst bestralen en daarna de operatie te verrichten. Het doel was om hopelijk eerst door een behandeling met radiotherapie een zodanige reductie in tumormassa te bereiken dat een palliatieve operatie meerwaarde zou hebben. De operatie van 30 augustus 2018 werd derhalve, ten behoeve van de bestraling, geannuleerd en voor acht weken later ingepland.

Op 3 september 2018 werden na de intake van patiënt bij de afdeling radiotherapie dertien bestralingen gepland.

Op 4 september 2018 werd patiënt, op verzoek van beklaagde, besproken in de tumorwerkgroep, waarbij onder andere D aanwezig was, voor een herbespreking van de beste strategie, gelet op de verdere klinische achteruitgang van patiënt. Besloten werd om dexamethason en bloedproducten toe te dienen en om te starten met radiotherapie.

De eerste bestraling vond plaats op 5 september 2018. In verband met verdere verslechtering (ernstige hypercalciëmie met daarbij nierinsufficiëntie en zeer matige intake) werd patiënt op 7 september 2018 overgeplaatst naar de afdeling Medische Oncologie.

Patiënt sprak aldaar bij opname met twee arts-assistenten van de afdeling Medische Oncologie. Vervolgens volgde een gesprek met patiënt, klaagster en de chef de Clinique. Gesproken werd over de infauste prognose en dat het de verwachting was van de oncoloog dat patiënt op korte termijn zou komen te overlijden. Het palliatief team werd in consult gevraagd. Patiënt heeft de geplande radiotherapeutische behandeling die dag nog ondergaan.

Op 8 september 2018 vond een consult plaats met het palliatief team. Besloten werd de radiotherapie stop te zetten. De algehele conditie van patiënt liet geen verdere interventies toe. In verband met de wens van patiënt om naar huis te gaan werd patiënt op 12 september 2018 naar huis ontslagen met de noodzakelijke thuiszorg.

Op 17 september 2018 is patiënt overleden.

Eind maart 2019 heeft klaagster een klacht ingediend bij de afdeling klachtenbemiddeling. Deze klacht heeft uiteindelijk niet tot een behandeling geleid omdat de beklaagden zich niet konden vinden in de door klaagster gestelde randvoorwaarden voor een gesprek.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven -:

1.    dat hij patiënt de hele periode aan het lijntje gehouden heeft, terwijl hij beter moest weten. Op 28 augustus 2018 heeft hij aangegeven dat hij goed en slecht nieuws had. Het slechte nieuws was dat de tumor vergroeid zat aan het bloedvat van het linker bovenbeen. De tumor kon daardoor niet verwijderd worden, zonder het been te verliezen. Beklaagde stelde derhalve voor eerst te bestralen, in de hoop dat de tumor los zou komen het van bloedvat, en daarna de operatie om de blaas te verwijderen. Een aantal dagen na dit gesprek, op 8 september 2018, werd na één bestraling besloten dat dit totaal geen zin meer had;

2.    dat beklaagde informatie achtergehouden heeft. Zowel de operatie als de bestraling was geen optie meer. De mevrouw van de bestraling vertelde dat alles vergroeid zat in de bekkenbodem. Dit was duidelijk op de scan te zien. Beklaagde wist dat bestraling en operatie geen optie meer was maar heeft deze informatie achtergehouden;

3.    dat hij niet in gesprek wilde met klaagster en de vier betrokken artsen. De reden was dat het contact met klaagster als onprettig en zelfs bedreigend werd ervaren;

4.    een respectloze behandeling van patiënt en klaagster, misbruik van macht en achterhouden van informatie. Artsen hebben patiënt en partner telkens in de waan gelaten dat er volop hoop was, terwijl dat niet het geval was.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij beperkt betrokken is geweest bij de behandeling van patiënt. Hij werd door de medisch oncoloog van patiënt verzocht een cystectomie te verrichten. In verband met dit verzoek, heeft beklaagde patiënt en klaagster op 28 en 29 augustus 2018 gesproken. Beklaagde werd betrokken bij de behandeling van patiënt op 5 juli 2018 toen internist-oncoloog C beklaagde benaderde om het behandeltraject over te nemen voor een eventuele palliatieve chirurgische behandeling. Beklaagde heeft patiënt ingepland op de tumorwerkgroep van 24 juli 2018. De uitslag van de tumorwerkgroep was dat sprake was van een recidief urotheelcelcarcinoom met ingroei in de blaas na nefro-ureterectomie links: pT3NO R0 UC met squameuze metaplasie. Uit de verrichte CT bleek progressie van het recidief. Het advies/beleid was lokale behandeling, namelijk een cystectomie, met nadruk op palliatie. In verband met een vakantie was beklaagde van 27 juli tot en met 19 augustus 2018 afwezig, maar hij zou patiënt direct na zijn vakantie zien.

Helaas verslechterde de situatie van patiënt zo onverwacht snel dat hij op 25 augustus 2018 werd opgenomen op de afdeling Urologie. Op 27 augustus 2018 werd een CT-scan gemaakt. Daaruit bleek een bijna verdubbeling van de tumormassa ten opzichte van de CT-scan van 19 juli 2018, met nog meer ingroei in de blaas en ingroei in de vena iliaca externa links. De tumor was erg agressief en daarom is de patiënt opnieuw besproken in het MDO op 28 augustus 2018. Als laatste redmiddel werd voorgesteld een maximale debulking operatie uit te voeren in combinatie met voorbestraling. De redenen daarvoor waren tweeledig. De eerste reden was het ontbreken van een target voor de radiotherapeuten als de operatie eerst zou worden uitgevoerd en de aanwezigheid van darmen in het bestralingsgebied. De tweede reden was de ingroei van de tumor in de vena iliaca externa. Als deze ader tijdens de operatie beschadigd zou worden zou dit de bloedtoevoer van het linkerbeen kunnen compromitteren, met mogelijk verlies van het been. Als door de bestraling de tumor zou krimpen, zou het wellicht minder risicovol zijn om de tumormassa zo veel als mogelijk te verwijderen. Beklaagde heeft deze boodschap op 28 augustus 2018 in de avond aan patiënt overgebracht en de volgende dag nogmaals uitleg gegeven over de voorgestelde behandeling. Helaas bleek de situatie van patiënt snel te verslechteren en werden beklaagde en de andere behandelaren in de dagen erna door de feiten ingehaald. De cystectomie heeft beklaagde niet kunnen verrichten omdat de ziekte dermate agressief was dat de snel verslechterende conditie van patiënt een operatie niet meer toeliet. Operatieve mogelijkheden voor behandelaars en, derhalve, palliatieve behandeling voor patiënt werden ingehaald door een snel progressieve ziekte.

Beklaagde voert aan dat hij geen informatie heeft achtergehouden. Hij werd ingehaald door de feiten vanwege het zeer agressieve karakter van de tumor, dat voor geen van de betrokken behandelaars volledig voorspelbaar is geweest.

Beklaagde was geraakt door de wijze van communicatie van klaagster tijdens de contacten op 28 en 29 augustus 2018. Daarvan heeft beklaagde melding gemaakt bij de klachtenbemiddelaar. Beklaagde heeft benoemd dat hij de verwijtende houding van klaagster als uitermate onplezierig had ervaren en zelfs bedreigend. Beklaagde heeft de indruk dat hij duidelijk is geweest dat curatie niet meer mogelijk was. Tijdens de ochtendvisite van 4 september 2018 heeft patiënt gezegd: “ik ga het niet redden, hè dokter”. Beklaagde heeft dat beaamd.

Wat betreft het door klaagster gewenste gesprek na het overlijden van patiënt, het volgende. Beklaagde heeft na het verzoek tot gesprek aangegeven dat hij de eerdere wijze van communicatie met klaagster als erg onplezierig en zelfs bedreigend heeft ervaren en aangegeven dat hij dacht dat zijn aanwezigheid bij het gesprek (de sfeer van het gesprek) geen goed zou doen. Daarbij hadden uroloog D en internist-oncoloog C al aangegeven dat zij klaagster te woord wilden staan als ze mochten reageren. Beklaagde en internist-oncoloog E konden dan bij een eventueel vervolggesprek aansluiten. Daarvan heeft klaagster afgezien. Gezien de geschetste omstandigheden meent beklaagde dat hem hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Daarbij wijst het college erop dat het college bij de beoordeling uitgaat van de feiten die op het moment van het te beoordelen handelen aan beklaagde bekend waren of die beklaagde bekend hadden kunnen zijn.

5.2

Klachtonderdelen 1, 2 en 4

Beklaagde werd bij de behandeling van patiënt betrokken toen patiënt op verzoek van internist-oncoloog C op 24 juli 2018 in de tumorwerkgroep werd besproken.

Op dat moment werd een cystectomie voorgesteld die door beklaagde zou kunnen worden uitgevoerd na zijn vakantie, op 30 augustus 2018.

Na de vakantie van beklaagde bleek patiënt vijf dagen voor de geplande operatie opgenomen te zijn in het ziekenhuis in verband met een verslechterende algehele conditie. Na opname werd op 27 augustus 2018 een CT-scan verricht. Daaruit bleek dat de tumor in het kleine bekken zodanig was gegroeid dat een cystectomie op dat moment onmogelijk was. Dat zou namelijk een amputatie van het linkerbeen van patiënt betekenen. Dat terwijl de algehele situatie van patiënt verslechterde en genezing onmogelijk was.

Uit het dossier blijkt een behandelteam dat – mede gelet op het voorstelbare verlangen van patiënt en klaagster om tot het uiterste te gaan – zich tot het uiterste heeft ingespannen door telkens opnieuw in de tumorwerkgroep te bespreken welke opties er op dat moment nog mogelijk waren en die aan patiënt en klaagster voor te leggen. Helaas bleek de ziekte en de daarmee samenhangende achteruitgang van patiënt vaak sneller te gaan dan was te voorzien, waardoor voorgestelde behandelopties niet meer mogelijk bleken.

Beklaagde heeft gelet op de zeldzaam agressieve ontwikkeling van de kanker niet kunnen voorzien dat patiënt op het moment van de eerste bestraling zo snel achteruitging dat bestraling niet meer reëel was. Niet gebleken is dat beklaagde daarbij informatie achter heeft gehouden.

Dat beklaagde patiënt en klaagster in de waan zou hebben gelaten dat er hoop was op volledige genezing blijkt niet uit het dossier. In ieder geval is in de periode van betrokkenheid van beklaagde door zowel internisten-oncologen als door beklaagde op

4 september 2018 aangegeven dat het sterven van patiënt aanstaande was.

De klachtonderdelen 1, 2 en 4 zijn ongegrond.

Klachtonderdeel 3

Klaagster wilde na het overlijden van patiënt haar op schrift gestelde beleving aan de artsen voorleggen zonder dat zij daarop mochten reageren. Na overleg mochten de artsen eventueel wel reageren en heeft het ziekenhuis aangeboden allereerst met uroloog D en internist-oncoloog C een gesprek te realiseren. In een later stadium konden dan beklaagde en internist-oncoloog E aanschuiven. Klaagster heeft toen aangegeven dat zij dat niet wilde.

Beklaagde heeft aangegeven – ook bij de klachtenfunctionaris – dat hij de wijze van communicatie van klaagster als onplezierig heeft ervaren in september 2018. Omdat beklaagde dacht dat zijn aanwezigheid bij een gesprek de sfeer negatief zou kunnen beïnvloeden en uroloog D en internist-oncoloog C al hadden aangegeven met klaagster in gesprek te willen heeft beklaagde daar terughoudend op gereageerd. Beklaagde heeft aangegeven bij een eventueel vervolggesprek aan te willen schuiven. Gelet op het hiervoor geschetste kan het beklaagde niet worden aangerekend dat hij in eerste instantie terughoudend heeft gereageerd.

Ook het derde klachtonderdeel is ongegrond.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J. Sap, lid-jurist, W.F.R.M. Koch,

J.J.C.M. Rooijmans-Rietjens en D. de Jong, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.                                                                                                  

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.