Zoekresultaten 20831-20840 van de 45116 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:220 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.486

    Klacht tegen arts. Verweerder was destijds zo nu en dan werkzaam als inrichtingsarts en heeft klager, destijds gedetineerd, eenmaal op het spreekuur gezien. Klager verwijt verweerder dat hij geen actie heeft ondernomen op klachten en symptomen die zouden kunnen wijzen op een darmtumor terwijl hij wist, althans had moeten weten, dat klager bekend was met het Lynch syndroom. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het beroep van klager slaagt. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond, legt aan de arts een waarschuwing op en gelast publicatie van de beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:233 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.075

    Klacht tegen bedrijfsarts. Klaagster is onderzocht door verweerder (bedrijfsarts) in het kader van haar re-integratie bij haar werkgever. Na het eerste jaar arbeidsongeschiktheid heeft verweerder een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld ten aanzien van klaagster. Vervolgens heeft een andere bedrijfsarts de taken van verweerder overgenomen, omdat de werkgever van klaagster is gaan samenwerken met een andere arbodienst. Klaagster verwijt verweerder 1) dat haar ontslag is verleend door haar werkgever en dat zij geen loon meer ontvangt, 2) dat hij in 2013 een onjuiste diagnose heeft gesteld, die hij heeft vermeld op de Functionele Mogelijkheden Lijst, 3) dat hij geen contact met de huisarts van klaagster heeft opgenomen en 4) dat hij klaagster onheus zou hebben bejegend door niets meer van zich te laten horen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet ontvankelijk in het eerste klachtonderdeel en verwerpt het beroep voor het overige.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:227 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.387

    Klacht tegen bedrijfsarts. De gemeente had een bezwaar van klager tegen het besluit van de gemeente om klager geen urgentieverklaring voor een nieuwe woning toe te wijzen, ongegrond verklaard. Klager heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerster (bedrijfsarts) is werkzaam voor een bedrijfsgeneeskundige dienst en heeft in het kader van een procedure bij de afdeling bestuursrecht van de rechtbank een rapport opgesteld over de vraag of bij klager sprake is van een medische situatie die tot de verlening van een urgentieverklaring ten behoeve van huisvesting zou moeten leiden. Verweerster heeft geadviseerd dat er afgaand op de beschikbare medische informatie onvoldoende bewijs is dat er bij cliënt sprake is van een medisch onhoudbare situatie. De klacht van klager houdt in dat verweerster: 1. een rapport heeft uitgebracht zonder klager zelf onderzocht te hebben; 2. niet bereid was een onderzoeksruimte beschikbaar te stellen die voor klager zonder lift bereikbaar was. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart klachtonderdeel 1 gegrond en klachtonderdeel 2 ongegrond en legt de arts de maatregel van waarschuwing op. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en gelast de publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:221 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.500

    Klager is de zoon van de inmiddels overleden hoogbejaarde patiënte. Klager verwijt verweerder, huisarts, dat hij in strijd heeft gehandeld met de in acht te nemen zorgvuldigheidsnormen en gedragsregels omdat hij: a. zijn beroepsgeheim heeft geschonden door zonder toestemming in 2015 en na het overlijden van patiënte gegevens te verstrekken aan de notaris en b. informatie aan derden heeft verstrekt die aantoonbaar tegenstrijdig is en doet vermoeden dat deze informatie onjuist was. Uit verschillende verklaringen blijkt immers dat verweerder heeft opgemerkt dat patiënte wils- en handelingsbekwaam was terwijl in de indicatiestelling van het CIZ staat dat patiënte beperkt was in onder meer psychisch functioneren en sociale redzaamheid. Het RTG Eindhoven verklaart de klacht gegrond, legt de huisarts de maatregel van berisping op (met publicatie na het onherroepelijk worden). In beroep oordeelt het CTG dat de arts zijn beroepsgeheim niet heeft geschonden, omdat de arts mocht uitgaan van de veronderstelde toestemming van patiënte en dat niet is komen vast te staan dat de arts tegenstrijdige informatie heeft verstrekt. Het CTG verwijt de arts echter dat hij een verklaring heeft afgegeven en geen feitelijke informatie. Hij had zich moeten beperken tot het omschrijven van feiten. Dat is zozeer verwijtbaar dat het CTG eveneens komt tot een berisping (met publicatie).

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:93 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-269

    Verzoeker is kennelijk niet ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek. Wraking niet tijdig gedaan nu het verzoek ziet op de gang van zaken tijdens de zitting en het wrakingsverzoek ruim twee weken na de zitting is gedaan.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:228 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.443

    Klacht tegen een psychiater. Samengevat heeft klager gesteld dat de psychiater in ernstige mate is tekortgeschoten ten aanzien van de behandeling van klager bij de GGZ-instelling in een vrijwillig kader. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager. Het Centraal Tuchtcollege overweegt onder meer dat geen sprake is van een onzorgvuldige beëindiging van de behandelingsovereenkomst.

  • ECLI:NL:TADRARL:2017:127 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-174

    Voorzittersbeslissing: de voorzitter kan niet vaststellen dat verweerders klaagster niet naar behoren hebben bijgestaan. Niet is gebleken van het opzettelijk doen mislukken van de hogerberoepzaak door toedoen van verweerders of dat sprake is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking aan het gerechtshof door verweerders. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:222 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.506

    Klacht tegen huisarts. Klaagster verwijt verweerster dat zij het klachtenpatroon bij klaagster dat duidde op een ernstige darmaandoening niet tijdig heeft onderkend en onvoldoende actie heeft ondernomen als gevolg waarvan klaagster stelt veel pijn te hebben geleden en onherstelbare gezondheidsschade te hebben opgelopen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het beroep van klaagster slaagt. Het Centraal Tuchtcollege legt aan verweerster een waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2017:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/108

    Klaagster dient klacht in namens haar moeder. Klaagster verwijt de arts onzorgvuldig handelen. Verweerder heeft de verkeerde diagnose gesteld op basis van een aanname. De moeder van klaagster heeft van de apotheek verkeerde medicijnen gekregen. Op 30 januari 2016 is de moeder van klaagster overleden. Gegrond

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2017:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2016-290

    Deels gegronde klacht tegen een neuroloog. De neuroloog heeft, als hoofdbehandelaar van klaagster, te weinig verantwoordelijkheid genomen en onvoldoende richting gegeven aan het beleid waarvoor de opname van klaagster was bedoeld. Bij een observatie, mede gericht op het tijdig ontdekken van een caudasyndroom, had dagelijks neurologisch onderzoek moeten plaatsvinden en hier had de neuroloog afspraken over moeten maken met de arts-assistent. De neuroloog heeft op basis van afwezigheid van urineretentie en de uitslag van de bladderscan te snel geconcludeerd dat er geen sprake zou zijn van een caudasyndroom. Overige klachtonderdelen ongegrond. Waarschuwing.