Zoekresultaten 20221-20230 van de 47372 resultaten
-
ECLI:NL:TAHVD:2013:377 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6530
- Datum publicatie: 25-07-2018
- Datum uitspraak: 28-06-2013
- ECLI:NL:TAHVD:2013:377
Klacht tegen deken dat hij klaagster ongemotiveerd heeft uitgesloten van rechtsbijstand door haar verzoek tot aanwijzing van een advocaat niet in behandeling te nemen. Nu de deken, na het verzoek om aanwijzing van een advocaat aanvankelijk buiten behandedingen te hebben gsteld, klaagster alsnog in de gelegenheid heeft gesteld een verzoek tot aanwijzing van een advocaat in te dienen, dat verzoek in behandeling is genomen en op dat dat verzoek een uitvoerig gemotiveerd beslissing is gegeven, kan alleen al daarom niet worden geoordeeld dat de deken zich zodanig heeft gedragen dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad en is van tuchtrechtelijk handelen geen sprake. Klacht ongegrond. Bekrachtiging.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.346
- Datum publicatie: 25-07-2018
- Datum uitspraak: 24-07-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:210
Klacht tegen oogarts. Bij klager is vanwege een netvliesloslating een plombe in het oog geplaatst. Toen klager later oogproblemen heeft verweerder voor wat betreft het al dan niet verwijderen van de plombe een afwachtend beleid gevoerd. Tien maanden na het laatste consult bij verweerder is de plombe verwijderd. Met zijn klacht verwijt klager verweerder in de kern dat hij na het verwijderen van de plombe op verschillende momenten heeft verzwegen dat hij eerder naar aanleiding van de door klager gemelde problemen aan zijn oog onjuist zou hebben gehandeld door een afwachtend beleid te voeren. Het Regionaal heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Nu het afwachtende beleid van de oogarts bij het Centraal Tuchtcollege geen vragen oproept oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de eerste vier klachtonderdelen bij gebrek aan feitelijke grondslag dienen te worden afgewezen. Het beroep van klager wordt daarom verworpen.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:223 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.545
- Datum publicatie: 25-07-2018
- Datum uitspraak: 24-07-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:223
Klacht tegen bedrijfsarts. Klager heeft zich ziek gemeld vanwege klachten van overspanning en burn-out. Klager is na zijn ziekmelding begeleid door de bedrijfsarts. Klager verwijt verweerder dat hij 1) niet heeft gehandeld volgens de professionele standaard, zoals beschreven in de relevante richtlijnen, 2) een onjuiste c.q. geen diagnose heeft gesteld, 3) de diagnose van klagers behandelend psychiater heeft gemarginaliseerd en genegeerd, 4) onjuiste adviezen heeft gegeven ten aanzien van de behandeling en re-integratie van klager, 5) onvolledige en onjuiste rapportages en verklaringen heeft afgegeven, 6) dat hij de wettelijke meldingsplicht beroepsziekten niet heeft nageleefd, 7) dat hij op enig moment grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond, en 8) dat hij in een telefoongesprek met de verzekeringsarts onwaarheden heeft verteld over klager, zijn werk en zijn gezondheid en klager in een kwaad daglicht heeft gesteld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard en afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep verworpen.
-
ECLI:NL:TGZRSGR:2018:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-030
- Datum publicatie: 25-07-2018
- Datum uitspraak: 24-07-2018
- ECLI:NL:TGZRSGR:2018:120
Ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater is op goede gronden uitgegaan van de diagnose schizofrenie, behandeling met antipsychotica is passend bij de diagnose. Klacht afgewezen.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.050
- Datum publicatie: 25-07-2018
- Datum uitspraak: 24-07-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:217
Klacht tegen oogarts. Klager heeft diverse hoorntransplantaties aan zijn linkeroog ondergaan. Na een door verweerder verrichte hoornvliestransplantatie in 2012 is klager, een dag na de operatie en nog tijdens zijn ziekenhuisopname, buiten bewustzijn geraakt en op de geopereerde zijde van zijn gezicht gevallen. Door de val is de operatiewond opengesprongen en is een bloeding achter het netvlies ontstaan. Klager is vervolgens met spoed geopereerd, onder ander door verweerder. Klager verwijt verweerder dat hij klager tweemaal een hoge dosis Diamox heeft gegeven. Volgens klager is er de dag na de operatie onvoldoende toezicht gehouden en is hij onvoldoende begeleid. Tevens verwijt klager verweerder dat hij na de val te lang allen is gelaten met een gewond en onbeschermd oog. Tot slot maakt klager verweerder het verwijt dat de verslalegging in de status niet juist is. Datzelfde geldt voor de weergave van het ongeluk door de klachtencommissie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:211 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.461
- Datum publicatie: 25-07-2018
- Datum uitspraak: 24-07-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:211
Klacht tegen neuroloog. Klager werd in een periode van vier jaar meerdere keren door verweerder op het spreekuur gezien, aanvankelijk in verband met hoofdpijnklachten, toen een lange periode niet en uiteindelijk vanwege wegrakingen. Omstreeks dit laatste consult heeft verweerder zijn praktijk beëindigd. Klager verwijt verweerder dat hij onjuiste diagnoses heeft gesteld en ten onrechte medicatie heeft voorgeschreven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager deels niet-ontvankelijk verklaard en de klacht voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
-
ECLI:NL:TNORARL:2018:25 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/330660 KL RK 17-208
- Datum publicatie: 24-07-2018
- Datum uitspraak: 26-06-2018
- ECLI:NL:TNORARL:2018:25
Klager vertegenwoordigt de belangen van diverse leden van de familie X. De familie X heeft in 1981 circa 46 ha grond in eigendom overgedragen aan Y. In die akte stonden een aantal bijzondere bepalingen opgenomen. De gronden die Y in 1981 van X heeft gekocht zijn op 8 december 2014 middels een akte van toedeling kavelruil, gepasseerd ten overstaan van de notaris, toebedeeld aan de CV. Klager is van mening dat de notaris zijn ministerie had moeten weigeren ten aanzien van de akte van 8 december 2014. Subsidiair is klager van mening dat de notaris meer onderzoek had moeten verrichten en meer subsidiair dat de notaris eerst had bij X had moeten nagaan of alle verplichtingen voortvloeiend uit de akte uit 1981 waren vervuld. De kamer is van oordeel dat de kavelruil een grote transactie betrof die met de grootst mogelijke aandacht en zorgvuldigheid voorbereid diende te worden. Bij de voorbereiding van de kavelruil kwam de akte uit 1981 aan bod. De akte uit 1981 betreft een complexe akte met een aantal bijzondere bepalingen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn. De kamer rekent het de notaris aan dat hij, ondanks dat de bepalingen in de akte uit 1981 voor meerdere uitleg vatbaar waren en zonder hierover navraag te doen bij Y, de conclusie heeft getrokken dat de bepalingen onder H in de akte uit 1981 in samenhang dienden te worden gelezen met de bepalingen onder A en B in de betreffende akte. Hierdoor is de notaris onvoldoende nagegaan of hij in het belang van derden meer onderzoek had moeten doen waar het gaat om de bepalingen onder H. Het onderzoek door de notaris is gestopt na antwoord van Y over sub A en B, waarna de notaris wat betreft sub H zijn eigen idee heeft gevormd, zonder dit, allereerst bij Y te verifiëren. De notaris is daarom ook niet toegekomen aan een afweging over het al dan niet raadplegen van klager en het vragen van toestemming van Y daarvoor. Daarom komt de kamer tot het oordeel dat de notaris onvoldoende zorgvuldig en derhalve tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De kamer verklaart dit klachtonderdeel gegrond en legt de notaris de maatregel van waarschuwing op.
-
ECLI:NL:TADRARL:2018:173 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-691 17-692
- Datum publicatie: 24-07-2018
- Datum uitspraak: 23-07-2018
- ECLI:NL:TADRARL:2018:173
Verzetbeslissing. De curator heeft mogen handelen zoals hij heeft gedaan. De curator behoeft de toestemming van de rechter-commissaris voor het verrichten van rechtshandelingen waaronder het treffen van een regeling maar er bestaat geen verplichting om in elke stand van de onderhandelingen die de curator met een wederpartij voert met de rechter-commissaris overleg te plegen, te meer niet als, zoals in dit geval, de rechter-commissaris voorafgaand aan de onderhandelingen is betrokken en daarbij zijn goedkeuring heeft gegeven aan de in dat verband aan te houden kaders. Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRGRO:2018:45 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2018/34
- Datum publicatie: 24-07-2018
- Datum uitspraak: 24-07-2018
- ECLI:NL:TGZRGRO:2018:45
Klacht tegen arts/apotheker in zijn hoedanigheid van expert in een strafzaak. Verweerder wordt verweten dat hij zich onnodig grievend heeft uitgelaten over zijn collega expert in contra-expertise. De vraag is of sprake is van handelen in strijd met de tweede tuchtnorm. Hiervan is sprake als de gedraging weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Dit kan het geval zijn als de grievende uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Het college oordeelt dat hiervan in onderhavige zaak sprake was omdat de uitlatingen van verweerder tijdens een openbare strafzaak naar voren zijn gebracht. Klager is derhalve ontvankelijk. Dan rijst de vraag of het handelen van verweerder de toets aan de norm van artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG kan doorstaan. Het college beantwoordt die vraag bevestigend. Verweerder en klager zijn beiden in een strafzaak als deskundigen benoemd. Verweerder heeft op het rapport van klager gereageerd in een brief aan de rechtbank. Dit stuk behelst de uitlatingen waarop de klacht in deze procedure ziet. De uitlatingen van verweerder en de setting waarin verweerder die heeft gedaan dienen in de context te worden beschouwd van de strafzaak en de in dat verband eerder gedane uitlatingen van klager in zijn rapportage in reactie op de rapportage van verweerder. Klager heeft zich in zijn rapportage meerdere malen denigrerend en onnodig diskwalificerend uitgelaten over de conclusies en de persoon van verweerder. Daarmee heeft klager het vertrouwen van de justitiabelen en de rechtstreeks bij het strafproces betrokken partijen in verweerder als gerechtelijke deskundige ondermijnd. Het college heeft in deze context dan ook begrip voor het feit dat verweerder op deze uitlatingen van klager ter zitting heeft willen reageren en in dat verband bovendien de behoefte heeft gevoeld de rechtbank – gelet op de ernst en aard van de strafzaak - te informeren over de hoedanigheid en (beperkte) kundigheid van klager in de betreffende strafzaak te rapporteren. Conclusie: klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2018:174 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-786
- Datum publicatie: 24-07-2018
- Datum uitspraak: 23-07-2018
- ECLI:NL:TADRARL:2018:174
Verzetbeslissing. De verzetgronden zijn nieuwe bezwaren tegen het optreden van verweerster die door de deken niet als klacht zijn aangewezen. De raad kan deze nieuwe bezwaren niet in behandeling nemen. Het verzet is beperkt tot de klachtonderdelen die in de voorzittersbeslissing zijn beoordeeld. Verzet ongegrond.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 2022
- Pagina: 2023
- Pagina: 2024
- ...
- Pagina: 4738
- Volgende pagina zoekresultaten