ECLI:NL:TGZRSGR:2018:120 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-030
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2018:120 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-07-2018 |
| Datum publicatie: | 25-07-2018 |
| Zaaknummer(s): | 2018-030 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een psychiater. De psychiater is op goede gronden uitgegaan van de diagnose schizofrenie, behandeling met antipsychotica is passend bij de diagnose. Klacht afgewezen. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen:
C, psychiater,
werkzaam te B,
verweerster.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 14 februari 2018
- het verweerschrift
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek op 17 april 2018.
1.2 Het College heeft de klacht op 13 juni 2018 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1 Klager, geboren op […] 1954, is sinds lange tijd bekend in de psychiatrie. Bij hem zijn de diagnoses schizofrenie en autistische stoornis gesteld. Sinds oktober 2015 is hij op grond van een rechterlijke machtiging (RM) onder behandeling van verweerster, die hem (onder meer) met een antipsychoticum behandelt.
2.2 Verweerster is als psychiater werkzaam bij het GGZ Team D van E te B.
3. De klacht
3.1 Klager verwijt verweerster dat zij klager steeds voor schizofrenie heeft behandeld, dat nog steeds doet en antipsychotica voorschrijft, terwijl klager nooit een psychose heeft gehad. Klager lijdt hier erg onder.
3.2 Klager heeft bij zijn klaagschrift een rapport van een second opinion in het F te
G, gedateerd 17 augustus 2017, gevoegd en heeft gesteld dat bij dit onderzoek geen
schizofrenie is aangetoond (en ook geen autisme), zodat de diagnose(s) moet(en) worden
verworpen en hij niet meer behandeld hoeft te worden.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5.
De beoordeling
5.1 Verweerster heeft erop gewezen dat in het rapport van het F (onder advies/overwegingen) valt te lezen dat de artsen de diagnose autisme spectrumstoornis onderschrijven. Voor wat betreft de diagnose schizofrenie hebben de artsen in het rapport vermeld dat het voor hen onmogelijk was om op basis van één gesprek met klager de diagnose schizofrenie aan te tonen of te verwerpen, hetgeen verweerster heeft beaamd. Dit komt overeen met de gebruikelijke onderzoekspraktijk naar schizofrenie en het College kan verweerster hierin dan ook volgen.
5.2 Verweerster heeft voorts gesteld dat uit de psychiatrische voorgeschiedenis van klager, zoals ook vermeld in het rapport van het F, blijkt dat klager sinds 1970 vaak opgenomen is geweest vanwege psychotische decompensaties en de diagnose schizofrenie reeds lang geleden (in 1980) is gesteld, en vele malen is bevestigd door verschillende psychiaters. Verweerster heeft gesteld dat sinds klager bij haar in behandeling is er (ook) meermaals sprake is geweest van psychotische decompensatie (door weigering van medicatie/behandeling vanwege het ontbreken van ziektebesef bij klager).Tijdens het verhoor in het vooronderzoek op 17 april 2018 heeft verweerster toegelicht dat wanneer klager geen medicatie gebruikt, er gevaar is voor zelfverwaarlozing en vreemd gedrag en daardoor gevaar voor derden en voor klager zelf vanwege mogelijke agressie van derden. Zij heeft toegelicht dat er meerdere keren sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag van klager waarvoor hij met de politie te maken heeft gehad, hetgeen overigens door klager wordt betwist. Verweerster heeft naar voren gebracht dat klager geen kwade intenties heeft maar dat als hij niet behandeld wordt, hij niet goed kan afwegen welk gedrag al dan niet acceptabel is.
5.3 Het bovenstaande leidt ertoe dat verweerster op goede gronden uit is gegaan van de diagnose schizofrenie. Behandeling met antipsychotica is passend bij de diagnose. Van klachtwaardig handelen van de zijde van verweerster is dan ook niet gebleken.
5.4 Om bovenstaande redenen zal de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:
wijst de klacht af.
Deze beslissing is gegeven op 24 juli 2018 door M.A.F. Tan-de Sonnaville, voorzitter,
E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, H.N. Koetsier, A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven en M. Bezemer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.C.M. Spitters-Vermeulen, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van het Staatstoezicht op de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hem toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
Den Haag, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.