Zoekresultaten 11341-11350 van de 48283 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:61 Hof van Discipline 's Gravenhage 210255

    Bekrachtiging beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:74 Hof van Discipline 's Gravenhage 210278

    De klacht hangt nauw samen met meerdere civielrechtelijke geschillen die bestaan tussen verweerder en zijn kantoorgenoten enerzijds en klager anderzijds. Die geschillen zien – kort gezegd – op de rechtmatigheid van het handelen van verweerder c.s. met betrekking tot de overgang van de Wsnp-zaken naar het kantoor van verweerder. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter om in civielrechtelijke geschillen een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de genoemde maatstaf heeft overtreden. Om daar over te kunnen oordelen moeten de feiten waarop klager zijn klachten baseert in voldoende mate vastgesteld kunnen worden en moet bovendien uit die vaststaande feiten blijken dat het gedrag van verweerder dermate laakbaar is dat die niet alleen de civielrechtelijke toets niet kan doorstaan maar daarenboven ook nog het vertrouwen in de advocatuur schaadt. Het gaat daarbij niet om het vertrouwen van klager in verweerder, maar om het vertrouwen van de samenleving in de advocatuur in het algemeen. Niet is vast te stellen door welke van de gedragingen van verweerder het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard. Hof bekrachtigt de beslissing van de raad.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:68 Hof van Discipline 's Gravenhage 200260

    Eindbeslissing. Klacht over eigen advocaat inzake belangenverstrengeling. Verweerder stond meerdere vennootschappen die een samenwerking hadden. Verweerder heeft de bestuurder van de licentie gevende vennootschap in algemene zin geadviseerd over de opzegging van het licentierecht van de licentie nemende vennootschap (eveneens dus zijn cliënt). Die algemene vraagstelling over de bevoegdheden van de bestuurder had voor verweerder aanleiding moeten zijn door te vragen naar de context van die vraag met het oog op het belang van zijn (andere) cliënt, de licentie nemende vennootschap. Door dit na te laten heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Voor het overige kan het hof feitelijk niet vaststellen wat er tussen de bestuurder en verweerder is besproken, in zoverre is de klacht ongegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:365 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-625/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2022:13 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2021/38

    De klacht gaat over de handelwijze van de notaris in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van klaagsters vader. Aangezien klaagster en de andere deelgenoten het niet eens konden worden over de verkoop van een bosperceel en de verdeling van erflaters nalatenschap, heeft de rechtbank in 2017 beslist dat voor het geval klaagster binnen twee weken na betekening van het betreffende vonnis niet haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de verkoop en/of levering van het bosperceel zou verlenen, het vonnis in de plaats treedt van de onderhandse akte tot opdrachtverlening aan de makelaar en de onderhandse akte tot verkoop van het bosperceel, alsmede van de notariële akte tot levering van het perceel. In 2019 heeft de notaris in haar hoedanigheid van executeur het bosperceel verkocht aan een derde. Aan een andere notaris (notaris C) is opdracht gegeven om de levering van het bosperceel te verzorgen. De levering heeft op 11 november 2019 plaatsgevonden.Vast staat dat betekening van het vonnis aan klaagster niet heeft plaatsgevonden.Met hetgeen de notaris heeft erkend staat eveneens vast dat zij niet heeft onderzocht of de voorwaarde waaronder het vonnis in de plaats mocht treden voor klaagsters medewerking in vervulling was gegaan, toen zij als executeur tot verkoop van het bosperceel overging. Evenmin staat ter discussie dat de communicatie tussen notaris C en de deelgenoten liep via de notaris in haar hoedanigheid van (professioneel) executeur in erflaters nalatenschap. De notaris heeft bij e-mail aan (de medewerkster van) notaris C meegedeeld dat klaagster geen volmacht had getekend en het vonnis dus in de plaats treedt van de medewerking van klaagster.Als gevolg van de handelwijze van de notaris is klaagster ten onrechte niet bij de verkoop en het passeren van de akte van levering van het bosperceel betrokken. Niet in geschil is dat klaagster pas naderhand (namelijk in december 2020) bekend is geworden met de verkoop en de levering. Door klaagster volledig buiten de verkoop en levering van het bosperceel te houden, heeft de notaris het klaagster onmogelijk gemaakt zich tijdig te laten informeren en voorlichten over de onderliggende koopakte, de inhoud van de akte van levering en de aan de deelgenoten in rekening gebrachte kosten. De klacht wordt in zoverre gegrond verklaard en aan de notaris wordt de maatregel van berisping opgelegd. De klacht wordt niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op het verzoek van klaagster om de notaris op te dragen over te gaan tot afgifte van het complete dossier aan klaagster. De klacht wordt voor het overige ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:81 Hof van Discipline 's Gravenhage 220038

    Termijnoverschrijding instellen hoger beroep. Op grond van artikel 56 lid 1 Advocatenwet bedraagt de termijn om bij het hof een beroepschrift in te dienen 30 dagen na verzending van de beslissing van de raad van discipline. ​​​​​​Vast staat dat het beroepschrift te laat bij de griffie van het hof is binnengekomen. Voor zover klaagster heeft bedoeld te zeggen dat zij wel tijdig hoger beroep heeft ingesteld via haar e-mail aan de voorzitter van de raad van discipline faalt dat betoog en maakt het de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Het bij de verkeerde instantie hoger beroep in stellen komt voor klaagsters eigen rekening en risico, in het bijzonder gelet op de tekst van de beslissing van de raad. Het hof verklaart het hoger beroep van klaagster niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:62 Hof van Discipline 's Gravenhage 210265

    Hof is met de raad van oordeel dat een deel van de klachten niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder (mede) verantwoordelijk is voor het door zijn kantoorgenote stop zetten van werkzaamheden voor klaagster. Nu het gaat om hetzelfde feitencomplex als het door de raad al gegrond verklaarde klachtonderdeel (dat in hoger beroep niet aan de orde was) ziet het hof geen reden om over te gaan tot verzwaring van de door de raad opgelegde maatregel van berisping.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:75 Hof van Discipline 's Gravenhage 210385 210390

    artikel 13 beklag. De termijn om cassatie in te stellen is verstreken op 28 december 2021. Dit betekent dat klagers doel, een rechtsmiddel instellen, niet meer kan worden bereikt zodat aanwijzing van een advocaat voor dat doel zinloos is geworden. Op die grond dient het beklag van klager al te worden afgewezen. Overigens is het hof met de deken van oordeel dat de procedure die klager had willen voeren als kansloos dient te worden ingeschat.

  • ECLI:NL:TGDKG:2017:233 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam 46.2017

    Klacht gegrond. Maatregel: ontzetting uit het ambt. De Kamer acht de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder in hoge mate laakbaar en in strijd met artikel 1 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders. De gerechtsdeurwaarder heeft misbruik gemaakt van zijn positie, die gebaseerd dient te zijn op vertrouwen, objectiviteit en respect. Hij heeft te maken met justiabelen die vaak in een kwetsbare positie verkeren. Daar komt bij dat hij zelf het initiatief heeft genomen en betrokkene oneerbare voorstellen heeft gedaan. Het gedrag van een gerechtsdeurwaarder dient onkreukbaar te zijn. Dat was het gedrag van de gerechtsdeuwaarder bepaald niet.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:69 Hof van Discipline 's Gravenhage 210236W3 210237W3

    Wraking en misbruik van klachtrecht. De omstandigheid dat in de beslissing op het eerste wrakingsverzoek alleen [verzoeker 3] als verzoeker is genoemd omdat de wrakingskamer kennelijk heeft gemeend dat het verzoek door Heutink namens zijn cliënten had ingediend, terwijl zij (kennelijk) als zelfstandige verzoekers moesten worden aangemerkt, kan ongelukkig zijn, maar dat levert geen (schijn van) mogelijke vooringenomenheid op. Ook voor zover verzoekers in die uitspraak de door hen aangevoerde wrakingsgrond niet met zoveel woorden terugvinden kan niet leiden tot de conclusie dat van (de schijn van) vooringenomenheid sprake is. Het (derde) wrakingsverzoek wordt ongegrond verklaard.