ECLI:NL:TADRARL:2021:365 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-625/AL/GLD
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2021:365 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-10-2021 |
| Datum publicatie: | 05-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | 21-625/AL/GLD |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 25 oktober 2021
in de zaak 21-625/AL/MN/GLD
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
klager
tezamen ook: klagers
over
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 23 juli 2021 met kenmerk K20-162, door de raad ontvangen op diezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5.6.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 De klacht ziet op het optreden van verweerder als advocaat van de wederpartij.
1.2 Klagers houden zich bezig met het fokken en verkopen van raskatten in de vorm
van de eenmanszaak GlamourRus.
1.3 Op 16 april 2020 is een koopovereenkomst gesloten tussen klagers en de cliënte
van verweerder ter zake van een kat.
1.4 Bij brief van 23 mei 2020 heeft klager de cliënte van verweerder aansprakelijk
gesteld, omdat zij zich niet zou hebben gehouden aan haar bijkomende verplichtingen
uit de koopovereenkomst en omdat zij onrechtmatige berichten over GlamourRus zou hebben
verspreid.
1.5 Klagers hebben hun zoon mr. D.A. G., advocaat te Deventer, ingeschakeld. Tussen
hem en verweerder is gecorrespondeerd, voornamelijk over de gebrekkige wijze waarop
zij beiden vonden dat de ander zijn professie uitoefende. Het geschil tussen klagers
en de cliënte van verweerder leek daarbij op de achtergrond geraakt.
1.6 Verweerder heeft de bemiddeling van de deken van de orde van advocaten in het
arrondissement Overijssel ingeroepen, voor wie partijen hun verwijten over en weer
hebben voortgezet. Naar aanleiding van deze bemiddeling heeft mr. G de behandeling
van de zaak overgedragen aan mr. M.W.M. N., zijn partner. Mr N. is geen advocaat.
1.7 Deze wisseling van de wacht heeft weinig invloed op het niveau waarop de discussie
zich ook nadien voortzet en waarin het oorspronkelijke geschil nog slechts in een
paar (bij)zinnen aan de orde is.
1.8 Op 9 september 2020 heeft verweerder een verklaring bij de politie afgelegd over
de uitlatingen en gedragingen van mr. N. Op 13 november 2020 is mr. N. gehoord door
de politie en nog dezelfde dag hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over
verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder
het volgende.
a) Meerdere malen te dreigen richting de advocaat (mr. G.) dan wel de gemachtigde
(mr. N.) van klagers en zelfs aangifte tegen de gemachtigde van klagers te doen. Hiermee
belast hij onnodig de autoriteiten.
b) Lichtvaardig over te gaan tot het indienen van een klacht, en zelfs een verkeerde
advocaat daarbij te betrekken.
c) De gemachtigde van klagers te intimideren door zijn onnodige vermelding dat hij
weet waar zij woont, met als gevolg dat zij beveiligingsmaatregelen heeft moeten treffen.
d) Te dreigen met civielrechtelijke procedures en bewust verweren achterhouden. Verweerder
streeft geen doelmatige behandeling van deze zaak na en jaagt klagers hiermee onnodig
op kosten. Ook wil hij rauwelijks dagvaarden.
e) Diverse kernwaarden zoals deskundigheid, onafhankelijkheid en integriteit, niet
in acht te nemen.
f) Niet waarheidsgetrouw te communiceren, door uitlatingen van de gemachtigden te
verdraaien en voorbij te gaan aan de nuanceringen.
g) De wederpartij rechtstreeks te benaderen, met zijn cliënte in de cc.
h) Zich diverse malen onnodig grievend uit te laten in zijn communicatie.
i) Niet duidelijk te vermelden op welke rechtsgebieden hij is geregistreerd in het
rechtsgebiedenregister.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft naar aanleiding van de klacht medegedeeld dat hij geen behoefte
heeft om inhoudelijk verweer te voeren nu de inhoud daarvan evident ongegrond is.
4 BEOORDELING
4.1 De voorzitter stelt voorop dat de klacht betrekking heeft op het handelen van
de advocaat van de wederpartij van klagers. Volgens vaste rechtspraak van het hof
komt aan deze advocaat een ruime mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt
te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid
is echter niet absoluut, en kan onder andere beperkt worden doordat (a) de advocaat
zich niet onnodig grievend mag uitlaten over de wederpartij, (b) de advocaat geen
feiten mag poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c)
de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de
wederpartij niet onnodig of onevenredig mag schaden zonder redelijk doel.
4.2 De klachtonderdelen a), b) , c) en f) lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.3 Uitgangspunt is dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te
dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, maar slechts aan degene die door
het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of
kan worden getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure
is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken, die op grond van artikel
46f Advocatenwet de bevoegdheid heeft tegen een advocaat gerezen bezwaren ter kennis
van de raad te brengen. Blijkens de klachtbrief van klagers zien al deze klachtonderdelen
op het handelen van verweerder jegens de advocaat en/of de gemachtigde van klagers.
Klagers verwijten verweerder dat hij naar hun advocaat en/of gemachtigde heeft gedreigd,
tegen de gemachtigde aangifte heeft gedaan en een klacht heeft ingediend en haar heeft
geïntimideerd. De voorzitter overweegt dat die advocaat en/of die gemachtigde wellicht
rechtstreeks in hun belang kunnen zijn getroffen door het beweerdelijk handelen van
verweerder. Klagers hebben echter onvoldoende gemotiveerd gesteld in welk belang zij
zijn of kunnen worden getroffen door de gedragingen van verweerder. Dit betekent dat
deze klachtonderdelen kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ad klachtonderdeel d)
4.4 Klagers verwijten verweerder dat hij bewust verweren achterhoudt. Voor zover dit
ziet op de zaak van klagers tegen de cliënte van verweerder, dan is de voorzitter
van oordeel dat het verweerder vrijstaat om namens zijn cliënte al dan niet verweer
te voeren. Verweerder heeft daarmee niet onnodig de belangen van klagers geschaad.
4.5 Met betrekking tot de andere in dit klachtonderdeel genoemde handelingen van verweerder
- dreigen met civielrechtelijke procedures, geen doelmatige behandeling nastreven,
klagers op kosten jagen en rauwelijks dagvaarden – is in de klachtbrief opgemerkt
dat deze betrekking hebben op het geschil tussen verweerder enerzijds en de advocaat
en de gemachtigden van klagers anderzijds. Ook voor die handelingen geldt dat klagers
onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld in welk belang zij zijn of kunnen worden getroffen
door de gedragingen van verweerder.
4.6 Dit betekent dat dit klachtonderdeel deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk
niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Ad klachtonderdeel e)
4.7 De voorzitter is van oordeel dat gelet op de inhoud van de klachtbrief van klagers
de verwijten in dit klachtonderdeel - hoewel anders verwoord - dezelfde zijn als die
genoemd zijn in de hierboven genoemde klachtonderdelen, althans een nadere invulling
van die klachtonderdelen. Dit klachtonderdeel heeft daarom naar het oordeel van de
voorzitter geen zelfstandige betekenis en zal om die reden kennelijk ongegrond worden
verklaard.
Ad klachtonderdeel g)
4.8 Gedragsregel 25 bepaalt - kort gezegd - dat een advocaat in beginsel niet rechtstreeks
de wederpartij mag benaderen als hij weet dat deze wederpartij door een advocaat wordt
bijgestaan. Deze situatie doet zich hier echter niet voor. Uit de (bijlagen bij de)
klachtbrief blijkt immers dat dit klachtonderdeel ziet op de e-mail van 8 juli 2020
van de cliënte van verweerder aan een van de klagers. Die e-mail is in kopie ook aan
verweerder gezonden. Anders dan genoemd in de aanbiedingsbrief heeft dus niet verweerder
maar zijn cliënte de wederpartij benaderd. Klagers hebben onvoldoende onderbouwd in
welke zin verweerder in dezen een tuchtrechtelijk verwijt treft. De voorzitter zal
dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond verklaren.
Ad klachtonderdeel h)
4.9 Deze klacht is algemeen gesteld en niet met concrete feiten onderbouwd. De voorzitter
heeft dan ook niet kunnen vaststellen dat verweerder zijn hierboven genoemde vrijheid
om de belangen van zijn cliënte te behartigen, jegens klagers heeft overschreden.
Dit klachtonderdeel zal daarom kennelijk ongegrond worden verklaard, wat onverlet
laat dat de voorzitter van oordeel is dat de wijze waarop zowel verweerder als de
advocaat (en de gemachtigde) van klagers in deze zijn opgetreden uiterst bedenkelijk
is en zeker de betrokken advocaten aanleiding tot zelfreflectie zou moeten geven.
Klachtonderdeel i)
4.10 De voorzitter herhaalt het uitgangspunt dat het in de Advocatenwet voorziene
recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, maar
slechts aan degene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks
in zijn belang is of kan worden getroffen. Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel
hebben klagers aangevoerd dat zij het van belang vinden dat toekomstige cliënten van
verweerder weten waarin hij is gespecialiseerd. Op grond van die onderbouwing is niet
gebleken dat klagers door de gestelde onduidelijkheid op de website van verweerder
rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke
procedure is vereist, wordt het klachtrecht uitgeoefend door de deken, die op grond
van artikel 46f Advocatenwet de bevoegdheid heeft tegen een advocaat gerezen bezwaren
ter kennis van de raad te brengen. Dit klachtonderdeel zal daarom kennelijk niet-ontvankelijk
worden verklaard.
Conclusie
4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk
en deels kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdelen a), b), c) en f), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk niet-ontvankelijk;
- klachtonderdeel d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, deels kennelijk
niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond;
- klachtonderdelen e), g), h) en i), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2021.
Griffier Voorzitter
Verzonden d.d. 25 oktober 2021